In Puurs-St-Amands staken woonwagenbewoners, in een wanhoops- en protestactie, auto's en matrassen op hun eigen terrein in brand. Dit stuk gaat niet over die brandende auto. Wél over de vijf-voor-twaalfsituatie - of zeggen we beter vijf-na-twaalf ? - waarin heel wat woonwagenbewoners zich bevinden: er is voor hen nergens een plek.

In Vlaanderen en Brussel zijn er naar schatting 10.000 woonwagenbewoners. Het 'wonen in een woonwagen' is een door Vlaanderen erkende woonvorm en werd bovendien in 2017 erkend als immaterieel erfgoed. Woonwagenbewoners worden in het Vlaams beleid gedefinieerd als 'personen die legaal in België verblijven en die wonen of woonden in een woonwagen, of waarvan de ouders dat deden (met uitzondering van bewoners van campings of gebieden met weekendverblijven)'.

De zoektocht naar een plaats voor woonwagenbewoners: wanneer grijpt Vlaanderen in?

Het zijn, benadrukken we toch maar even, mensen wiens ouders en voorouders geboren zijn in België. Mensen ook wiens plaats in onze samenleving, fysiek en symbolisch, gekenmerkt wordt door sociale uitsluiting, met als tragische uitschieter hun decimering tijdens WO2. Hun woonomstandigheden vandaag verschillen sterk: sommige gezinnen wonen effectief in woonwagens, anderen (niet per se met volle overtuiging) in huizen of appartementen. Sommigen blijven het hele jaar op dezelfde plaats, anderen trekken een aantal maanden per jaar rond, weer anderen zijn het hele jaar noodgedwongen onderweg. Het cijfer van deze laatste groep stijgt.

Gemeenten op de rem

Oorzaak: het gebrek aan legale standplaatsen. Op de door Vlaanderen voorziene vaste standplaatsen, of de zogenaamde 'residentiele terreinen', kampt men al jarenlang met wachtlijsten (of weigert men nog wachtlijsten aan te leggen). Dit terwijl de groep woonwagenbewoners een natuurlijke demografische groei kent en de wens naar een vaste plek stijgt. Onderwijskansen worden in dat kader regelmatig naar voor gebracht. Een vaste thuisbasis is nu éénmaal een praktische noodzaak voor woonwagengezinnen die hun kinderen alle kansen willen bieden op het vlak van onderwijs. Jarenlang hebben woonwagenbewoners eigenhandig oplossingen gezocht voor dit structureel tekort aan standplaatsen door zelf terreinen te huren of te kopen. Maar in het afgelopen decennium gingen gemeenten steeds strenger op de rem staan. Wat 10, 20, 30 jaar lang gedoogd werd, kan nu ineens niet meer, telkens weer onder verwijzing naar ruimtelijke ordeningsplannen.

Overleven

Het gevolg? Een groeiende groep mensen opgejaagd en gedwongen onderweg van noodoplossing naar noodoplossing. Met uitzondering van de zogenaamde doortrekkersterreinen zijn hun legale verblijfsopties beperkt. Op deze terreinen (Gent: 25 standplaatsen, Asse:10, Kortrijk: 20 en binnenkort Lille-Vorselaar: 25) kunnen zij een standplaats reserveren voor drie weken, mits er plaats is en tegen betaling. De woonwagenbewoners houden een referentieadres aan als administratief aanknopingspunt en trekken noodgedwongen rond. Noch deze tijdelijke verblijfplekken, noch de referentie-adressen bieden een duurzaam perspectief. Administratieve dossiers stapelen zich op. Bij gebrek aan lokale verankering worden gezondheidszorg en hulpverlening gefragmenteerd. Kinderen verliezen hun plek (en kansen) op school. Langetermijndenken wordt ingewisseld voor overleven van dag tot dag.

Vlaamse overheid kijkt andere kant op

Zeker, ook op vaste terreinen is het niet steeds rozengeur en maneschijn, toch kunnen én worden er stappen ondernomen: door lokale besturen, betrokken buurtbewoners, geëngageerde scholen ... en niet in het minst, de woonwagenbewoners zelf. Vandaag zien we echter een tegengestelde ontwikkeling. Hoewel de Vlaamse overheid de aanleg en renovatie van nieuwe residentiele terreinen 100% subsidieert, blijft deze subsidiepot grotendeels onaangeroerd. Mensen worden verdreven van hun privéterreinen en de lokale besturen die niet verplicht worden tot de aanleg van nieuwe terreinen, schuiven de hete aardappel door.

De gemeenten roepen daarbij ook het gebrek aan Vlaamse middelen voor personeelskosten in als reden om geen gebruik te maken van de subsidies voor de aanleg van een woonwagenterrein. Dit vrijblijvend beleid ten aanzien van lokale besturen levert zo geen antwoord op hun dringende nood aan een plek, net zomin als doortrekkersterreinen, referentie-adressen of brand.

Wanneer zal Vlaanderen de echte brand blussen? Hoeveel generaties zonder woonplaats, zonder school, zonder kansen zijn nodig?

Astrid De Bruycker is voorzitter IN-Gent vzw. en Gents schepen voor Gelijke Kansen voor SP.A.

Roeland Gielen en Leen Verhenne maken deel uit van de directie van IN-Gent vzw.

Indra Versmesse en Ken Paeleman zijn medewerkers sociaal beheer doortrekkersterrein Gent bij IN-Gent vzw.

Lieve Daeren is beleidsmedewerker bij IN-Gent vzw.

Dominic Verhoeven is directeur van Caritas Vlaanderen.

Sarah Dewinter en Liselotte Reyntjens zijn projectverantwoordelijken Referentieadres Antwerpen.

In Puurs-St-Amands staken woonwagenbewoners, in een wanhoops- en protestactie, auto's en matrassen op hun eigen terrein in brand. Dit stuk gaat niet over die brandende auto. Wél over de vijf-voor-twaalfsituatie - of zeggen we beter vijf-na-twaalf ? - waarin heel wat woonwagenbewoners zich bevinden: er is voor hen nergens een plek. In Vlaanderen en Brussel zijn er naar schatting 10.000 woonwagenbewoners. Het 'wonen in een woonwagen' is een door Vlaanderen erkende woonvorm en werd bovendien in 2017 erkend als immaterieel erfgoed. Woonwagenbewoners worden in het Vlaams beleid gedefinieerd als 'personen die legaal in België verblijven en die wonen of woonden in een woonwagen, of waarvan de ouders dat deden (met uitzondering van bewoners van campings of gebieden met weekendverblijven)'. Het zijn, benadrukken we toch maar even, mensen wiens ouders en voorouders geboren zijn in België. Mensen ook wiens plaats in onze samenleving, fysiek en symbolisch, gekenmerkt wordt door sociale uitsluiting, met als tragische uitschieter hun decimering tijdens WO2. Hun woonomstandigheden vandaag verschillen sterk: sommige gezinnen wonen effectief in woonwagens, anderen (niet per se met volle overtuiging) in huizen of appartementen. Sommigen blijven het hele jaar op dezelfde plaats, anderen trekken een aantal maanden per jaar rond, weer anderen zijn het hele jaar noodgedwongen onderweg. Het cijfer van deze laatste groep stijgt. Oorzaak: het gebrek aan legale standplaatsen. Op de door Vlaanderen voorziene vaste standplaatsen, of de zogenaamde 'residentiele terreinen', kampt men al jarenlang met wachtlijsten (of weigert men nog wachtlijsten aan te leggen). Dit terwijl de groep woonwagenbewoners een natuurlijke demografische groei kent en de wens naar een vaste plek stijgt. Onderwijskansen worden in dat kader regelmatig naar voor gebracht. Een vaste thuisbasis is nu éénmaal een praktische noodzaak voor woonwagengezinnen die hun kinderen alle kansen willen bieden op het vlak van onderwijs. Jarenlang hebben woonwagenbewoners eigenhandig oplossingen gezocht voor dit structureel tekort aan standplaatsen door zelf terreinen te huren of te kopen. Maar in het afgelopen decennium gingen gemeenten steeds strenger op de rem staan. Wat 10, 20, 30 jaar lang gedoogd werd, kan nu ineens niet meer, telkens weer onder verwijzing naar ruimtelijke ordeningsplannen. Het gevolg? Een groeiende groep mensen opgejaagd en gedwongen onderweg van noodoplossing naar noodoplossing. Met uitzondering van de zogenaamde doortrekkersterreinen zijn hun legale verblijfsopties beperkt. Op deze terreinen (Gent: 25 standplaatsen, Asse:10, Kortrijk: 20 en binnenkort Lille-Vorselaar: 25) kunnen zij een standplaats reserveren voor drie weken, mits er plaats is en tegen betaling. De woonwagenbewoners houden een referentieadres aan als administratief aanknopingspunt en trekken noodgedwongen rond. Noch deze tijdelijke verblijfplekken, noch de referentie-adressen bieden een duurzaam perspectief. Administratieve dossiers stapelen zich op. Bij gebrek aan lokale verankering worden gezondheidszorg en hulpverlening gefragmenteerd. Kinderen verliezen hun plek (en kansen) op school. Langetermijndenken wordt ingewisseld voor overleven van dag tot dag.Zeker, ook op vaste terreinen is het niet steeds rozengeur en maneschijn, toch kunnen én worden er stappen ondernomen: door lokale besturen, betrokken buurtbewoners, geëngageerde scholen ... en niet in het minst, de woonwagenbewoners zelf. Vandaag zien we echter een tegengestelde ontwikkeling. Hoewel de Vlaamse overheid de aanleg en renovatie van nieuwe residentiele terreinen 100% subsidieert, blijft deze subsidiepot grotendeels onaangeroerd. Mensen worden verdreven van hun privéterreinen en de lokale besturen die niet verplicht worden tot de aanleg van nieuwe terreinen, schuiven de hete aardappel door. De gemeenten roepen daarbij ook het gebrek aan Vlaamse middelen voor personeelskosten in als reden om geen gebruik te maken van de subsidies voor de aanleg van een woonwagenterrein. Dit vrijblijvend beleid ten aanzien van lokale besturen levert zo geen antwoord op hun dringende nood aan een plek, net zomin als doortrekkersterreinen, referentie-adressen of brand. Wanneer zal Vlaanderen de echte brand blussen? Hoeveel generaties zonder woonplaats, zonder school, zonder kansen zijn nodig? Astrid De Bruycker is voorzitter IN-Gent vzw. en Gents schepen voor Gelijke Kansen voor SP.A.Roeland Gielen en Leen Verhenne maken deel uit van de directie van IN-Gent vzw.Indra Versmesse en Ken Paeleman zijn medewerkers sociaal beheer doortrekkersterrein Gent bij IN-Gent vzw.Lieve Daeren is beleidsmedewerker bij IN-Gent vzw. Dominic Verhoeven is directeur van Caritas Vlaanderen.Sarah Dewinter en Liselotte Reyntjens zijn projectverantwoordelijken Referentieadres Antwerpen.