Het moet niet altijd over roem gaan. ' Ik zing van de dagen en zwijg van 't chagrijn', zong Wannes Van de Velde ooit in een film over een jongen uit Zichem.
...

Het moet niet altijd over roem gaan. ' Ik zing van de dagen en zwijg van 't chagrijn', zong Wannes Van de Velde ooit in een film over een jongen uit Zichem. Een zaterdagavond in Duffel. Cinema Plaza is tot de nok gevuld voor de vertoning van De Witte. Niet de remake van Robbe De Hert, wel de oorspronkelijke versie uit 1934. Om acht uur doven de lichten. En dan wordt De Witte wakker in zijn bed in Zichem, in het witte Vlaanderen van 1934. 'Eruit, Witte!' roept zijn moeder. De Witte kreunt, strekt zijn armen en staat op. Hij kijkt uit het raam. Het is een verrukkelijke zomerdag, goed weer voor een schelm. Hij springt in de Demer, loopt naakt door de straten, zet de klas op stelten, lokt rellen uit en gooit veel te veel zout op de patatten. Wat een loebas, zeg, die van Zichem. In het Vlaanderen van 2019 zouden ze hem 'een probleemjongere met grote kans op radicalisering' noemen. Maar in 1934 was hij nog een deugniet. Het archetype van de onbegrepen kwajongen die we allemaal ooit geweest zijn. 'Wat is het geweten, Witte?' vraagt zijn leraar. 'Het geweten, meester, dat zijn de nieren van de mens', antwoordt De Witte. Na anderhalf uur gaan de lichten weer aan. Cinema Plaza applaudisseert om zoveel verloren onschuld. Op de nazit vraagt iemand wat er eigenlijk geworden is van die Witte. 11 april 1934 is een van de merkwaardigste dagen uit de Belgische geschiedenis. In de vroege ochtend wordt in de Sint-Baafskathedraal in Gent De rechtvaardige rechters gestolen en in de late middag wordt in Cinema Majestic in Antwerpen de eerste Bekende Vlaming geboren. Jan Vanderheyden en zijn Berlijnse liefde Edith Kiel wilden al langer De Witte van Ernest Claes verfilmen, dé Vlaamse bestseller van de roaring twenties. Het moest de eerste Vlaamse geluidsfilm worden. Een Vlaamse daad, dat wij ook konden filmen. Ze hadden alle scholen van het land aangeschreven: of zij geen wittekop kenden van 1 meter 40 'die zuiver Vlaams sprak en er wat guitig uitzag'. 1200 kinderen voelden zich geroepen, 22 waren uitverkoren. De verkiezing in ciné Majestic is een media-evenement. The Voice van de jaren dertig. Of beter: The Face. In de jury zitten alle monstres sacrés van de cultuurwereld. Ernest Claes, natuurlijk, maar ook Felix Timmermans en componist Renaat Veremans. Ze kiezen voor Jos Bruyninckx uit Duffel, net voor ene Nand Buyl uit Antwerpen. Alleen Claes is niet helemaal overtuigd. 'Gezicht niet geschikt', schrijft hij op zijn evaluatieformulier. De kleine Jos Bruyninckx stapt wat onwennig naar voren. Alsof hij niet weet wat hem overkomt en dat is ook een beetje zo. Zijn neef had hem ingeschreven, een leerkracht met ambitie. Soms veranderen de tijden niet. In de zomer van 1934 begint het koppel Vanderheyden-Kiel te filmen. Eerst in Zichem, daarna vertrekken ze met de trein vanuit Brussel-Noord naar Berlijn om daar studio-opnames te maken. Ook Ernest Claes stapt in. Hij kent geen fluit van film, maar wil weten wat ze met zijn roman zullen aanvangen. En misschien gaat hij ook mee voor de bloedmooie regisseuse Edith Kiel, 'dat fijne Berlijnsche mevrouwtje'. Zij zou hem later omschrijven als een 'boer die zijn poten niet kon thuishouden'. Het zijn rare dagen in Duitsland. Hitler had op 30 juni grote schoonmaak gehouden in zijn partij en de hele top van de Sturmabteilung laten vermoorden. 'We zien overal vlaggen uithangen', schrijft Claes in zijn dagboek. ''t Is nog maar zeven dagen na 30 juni. We verwachten min of meer dat er hier elektriciteit in de lucht hangt.' Aan de gevel van de Jofa Studios in Johannisthal hangt een hakenkruis. 'De Duitsche operateurs zijn erg onder de indruk', noteert Claes. 'Ze geven Hitler gelijk dat hij er zoo met de vuile voeten doorgaat.' Tussen al die lange messen laveert ook Jos Bruyninckx. Hij logeert in de chique hotels aan de Kurfürstendamm, samen met de rest van de ploeg. Voor een jongen uit Duffel is Berlijn een waanzinnig grote stad. Zijn blonde haren worden gebleekt tot zijn gezicht geschikt is. Jos heet voortaan Jefke, dat klinkt een stuk volkser. De Witte gaat in première op 13 september 1934 in Cinema Coliseum aan de Meir in Antwerpen. Kinderen zijn niet toegelaten. Niet door die naakte torso van De Witte, wel omdat hij een pin gelegd had op de stoel van de meester. Dat waren choquerende beelden. Met het gezag van de onderwijzer werd in 1934 niet gespot. 'WE HEBBEN ONZEN FILM!' staat een paar dagen later op de cover van het tijdschrift Ons Land. 'Het is met een gevoel van enorme vreugde dat wij deze regelen over de geboorte van De Witte schrijven. (...) Voor de eerste maal hebben we onze taal hooren klinken op het witte doek. (...)' En voor de eerste keer zagen ze daar 'onze schone Vlaamsche mensen'. Honderdduizenden Vlamingen gaan kijken, misschien wel een miljoen. Jefke loopt van de ene première naar de andere. Overal krijgt hij staande ovaties en hijsen ze hem op schouders. Vlaanderen heeft niet alleen een film gebaard, maar ook een held. Iemand geeft Jefke een schilderij met zijn tronie op. Zijn gezicht staat dat jaar ook op de cover van alle boekskes. Zoals op dat van Wereld revue. Op pagina 1 blinkt Jefke Bruyninckx uit Duffel, de jonge acteur 'van zoveel vrolijke avonturen'. Op pagina 10 staat het 'nieuws uit het Derde Rijk' - en o ja, dat er misschien een wereldcatastrofe op komst is. In de school van Jefke kunnen ze niet lachen met al zijn vrolijke avonturen. Ze vinden de film een schandaal. 'Je kunt beter andere oorden opzoeken, Jefke', zegt de directeur van het Lierse Sint-Gummaruscollege. Uiteindelijk wordt kardinaal Jozef Van Roey erbij gehaald. 'Meespelen in een film kan geen reden zijn om iemand aan de deur te zetten', oordeelt hij. Toch verlaat Jefke de school op het einde van het jaar. Hij zal nog in zeven films acteren en wordt de posterboy van de jaren dertig. En dan begint die wereldcatastrofe. Alles verandert, ook het gezicht van Jefke Bruyninckx. Vijfenzeventig jaar later bel ik aan bij een appartement in Wilrijk. Luc Bruyninckx doet open. Hij heeft dezelfde ogen als zijn vader en de tijd heeft hem witte haren gegeven. In zijn woonkamer hangt die tronie die zijn papa ooit kreeg van een fan. 'Mijn vader hield niet van de roem', zegt Luc. 'Ik ben geboren in 1950. In een van mijn eerste jeugdherinneringen rij ik met hem in een open slee door Antwerpen. We zitten op de achterbank, samen met Ernest Claes. Aan de kant van de weg staan honderden mensen. Iedereen applaudisseert.' En toch kan Luc zich niet herinneren dat zijn vader er die dag blij uitzag. 'De mensen kwamen niet voor hem. Ze wilden De Witte zien, maar die bestond niet meer. Jefke was Jef geworden, een getrouwde man met een zoon.' Niet alleen zijn gezicht is ouder geworden, hij heeft ook een nieuwe roeping. In zijn garage, ver weg van de roem en het applaus, monteert hij films. Vooral Vlaamse, maar ook die van Fernandel. In 1954 wordt Bruyninckx uitgenodigd in Hollywood. Hij ontmoet er Walt Disney, die hem een contract aanbiedt. Jef weigert, want hij wil zijn zoon zien opgroeien in Berchem. 'Ik herinner mij nog dat hij terugkwam', zegt Luc. 'Vanaf toen wilde hij alleen nog maar salade en tomaten bij het ontbijt. En wij vroegen ons af wat er in Amerika gebeurd was. Hij begon ook films te regisseren. Zijn droom was om een remake te maken van De Witte, en ik zou dan de hoofdrol spelen. Hij vroeg niet of ik zin had, wel of ik dat voor hem wilde doen. Uiteindelijk is de financiering nooit rond geraakt. Toen ik vijftien werd, zei hij "Nu is het te laat, jongen". Hij heeft dan ontgoocheld de plannen in de open haard gegooid.' Later zou hij tegen Humo zeggen: 'Er is niks aan te doen. Ik ben altijd De Witte geweest en ik zal altijd De Witte blijven. Dat kruis zal ik moeten blijven dragen.' We kijken naar het schilderij van De Witte. Naar de tronie die de fan geschilderd heeft. 'Het is raar om over mijn vader te praten', zegt Luc. 'Ik besef steeds meer hoe hard ik op hem lijk. Hij kon heel impulsief beslissen. Op een dag in 1957 stond hij met een paar filmdozen op de tram te wachten, maar die daagde niet op. Even verder was er een garage van Renault. Hij stapte er binnen, keek rond, kocht een knalgele Renault Dauphine met gespikkelde groene binnenbekleding, vroeg de verkoper om hem enkele basisregels aan te leren en reed naar Brussel met de nummerplaat van de verkoper. 's Avonds kwam hij thuis. "We gaan verhuizen", zei hij. "Want er is geen garage aan ons huis." We wisten niet wat we hoorden. Hij had ons niet eens verteld dat hij een auto gekocht had. (lacht) "Het spijt me voor de wansmakelijke kleur," zei hij, "maar de garage had niets anders in voorraad."' Alles went, zelfs een gele Renault Dauphine met gespikkelde groene binnenbekleding. De volgende dag reed Jef opnieuw naar Brussel. Luc zat op de achterbank. Ze waren op weg naar het Flageyplein, want daar gebeurde het. Het waren de wonderjaren van de Vlaamse televisie. En wéér was De Witte erbij, deze keer als regisseur. Zijn eerste haren was hij toen al kwijt, maar zijn streken niet. Zoals die ene keer dat hij een hypnotiseur wilde opvoeren die beweerde dat hij 'de kijkers in de huiskamers zijn wil kon opleggen'. Jef vond hem maar een paljas. En in die hypnose geloofde hij al helemaal niet. Dikke quatsch was het, maar misschien wel goede televisie. Hij huurde een telefoonteam in, zodat de kijkers hun ervaringen konden meedelen. Alles voor de show, want Jef was ervan overtuigd dat niemand zo zot zou zijn om te bellen. Tegen de telefonisten zei hij: 'Doe alsof je druk bezig bent.' Het liep anders. De hypnotiseur keek in de camera en de telefoons begonnen te rinkelen aan het Flageyplein. Een halfuur wilde hij Vlaanderen uit de hypnose halen, maar dat lukte iets minder goed. Tientallen kijkers belden in paniek naar Brussel, omdat hun vrouw vastzat voor het scherm. In Studio 6 moest het rampenplan in allerijl in werking gesteld worden. Uiteindelijk werd de hypnotiseur in een extra uitzending opnieuw voor de camera gezet, om Vlaanderen terug naar de werkelijkheid te halen. Dat is nooit helemaal gelukt en het experiment werd ook niet meer herhaald. Later zei Jef Bruyninckx dat hij die avond beseft had 'wat de kracht was van het nieuwe medium'. 'Hij regisseerde vooral entertainmentprogramma's', zegt Luc. 'Televisie moest er zijn voor de mensen, vond hij. Lang voor VTM promootte hij al Vlaamse artiesten. Hij nodigde ook internationale sterren uit, zoals Ella Fitzgerald, Tom Jones of Dalida.' Luc keek in Studio 6 toe vanaf de zijkant. Op zijn twintigste verjaardag mocht hij ook zelf eens rijden. Niet met de gele Renault Dauphine van zijn vader, maar met de Porsche van Will Tura. 'Er zat een klein flesje whisky in, dat ik mocht opdrinken.' En die avond met de jonge Elton John vergeet hij ook niet. Na een of andere zangwedstrijd in Knokke hadden ze wat gedronken. Ze liepen langs de Noordzee en pisten erin, om de vloedlijn te verleggen. Zelfs Elton leek die nacht maar een gewone jongen. Net zoals Toon Hermans, al droomde die in die dagen van Broadway. 'Mijn vader heeft de try-out van zijn Amerikaanse show in de KVS gefilmd. Wij waren de enige toeschouwers. Na elke sketch zweeg Toon negen seconden. Eerst dacht ik dat hij zijn tekst kwijt was, maar dat was niet zo. Hermans wist perfect hoe lang het publiek zou lachen en telde de seconden gewoon af. Eigenlijk deed hij elke avond hetzelfde, zelfs de lachsalvo's van het publiek waren gechronometreerd. Dat soort vakmanschap, dat vond mijn vader geweldig.' Er bestaat een foto van Jef en Toon in Studio 6. ' Je kunt aan deze smoeltjes zien hoe angst T.V. is', schreef de conferencier erop . ' Maar toch was het gezellig dankzij Jef, de eeuwige witte. Hartelijk dank, Toon Hermans.' 'En toch', zegt Luc. 'Hoe goed ze elkaar ook kenden, hij bleef "Mijnheer Hermans" zeggen. Dat deed hij met elke artiest. Tegen Tom Jones zei hij " Sir" en Dalida benaderde hij als " Madame Dalida de droite", omdat ze niet wilde dat haar linkerkaak in beeld gebracht werd.' Een keer heeft hij een grote blunder begaan, zegt Luc. 'Begin jaren zestig werkte de openbare omroep samen met de platenmaatschappij Decca. Die bood hem altijd een grote artiest aan, maar hij moest er dan een paar beginnende artiesten bij nemen. In die dagen gingen programma's altijd live in de ether. Daarom nodigde hij die nieuwe zangers altijd eerst bij hem thuis uit, zodat ze vooraf een aantal dingen konden bespreken. Op een dag kwam Decca af met The Rolling Stones, een nieuw groepje dat furore aan het maken was.' Na schooltijd stormde de jonge Luc naar hun appartement aan de Fruithoflaan in Berchem. In de zetel zat de zanger van The Stones, met zijn voeten op de salontafel. 'Mick Jagger was tien minuten te laat en gedroeg zich boertig', vertelt Luc. 'Nadat hij vertrokken was, zei mijn vader: "Wat een onbeleefde vlegel was dat. Die gast heeft een gebrek aan persoonlijkheid." Een paar dagen eerder was het optreden van The Stones in Scheveningen uit de hand gelopen. De openbare omroep mocht zich niet associëren met een groep relschoppers, vond hij. En hij heeft ze geweigerd. Dat was wel een historische fout, ja. Later hebben we daar vaak om moeten lachen.' Stilte. 'Eigenlijk was mijn vader de beste vriend die ik ooit gehad heb', zegt hij dan. 'Al heb ik hem soms ook vervloekt. En dat had met De Witte te maken. Door die film had hij niet voort kunnen studeren, net als De Witte. Dat stak, en die verontwaardiging projecteerde hij dan op mij. Op mijn achttiende wilde ik rechten studeren aan de Ufsia, om advocaat te worden. Hij ging mee om me in te schrijven. Toen we aan de balie stonden, zei hij: "Mijn zoon gaat Germaanse studeren." "Wat zeg jij nu?" antwoordde ik. "Ik wil rechten doen." Maar protesteren had geen zin, het moest en zou Germaanse worden. Natuurlijk rebelleerde ik. Dat schooljaar liet ik me buizen. Mijn vader was razend. "Je hebt de keuze", zei hij. "Ofwel doe je dat jaar Germaanse opnieuw, ofwel ga je werken."' Toen Luc vier jaar later afstudeerde, had zijn vader voor hem een job geregeld als leraar Nederlands-Engels aan Pius X. 'Doe het een paar maanden en daarna mag je stage lopen bij de BBC', suste hij. En Jef had nog een cadeau voor zijn zoon: twee kaarten voor een concert van The Rolling Stones in Antwerpen. Op 15 oktober 1973 zaten vader en zoon Bruyninckx op de vijfde rij in het Sportpaleis. Mick en Keith kwamen op. Iedereen veerde op. Jef en Luc, allebei kort van stuk, zagen geen steek. 'We zijn toen op de wielerpiste gekropen', zegt Luc. Terwijl Jagger You Can't Always Get What You Want zong . Na het laatste applaus zei Jef: 'Ze kunnen het wel, hè.' De volgende dag ging Luc lesgeven aan Pius X. Bij de BBC is Luc nooit geraakt. De showbizz was geen wereld voor hem, al heeft hij er wel een paar keer in gewerkt. 'Mijn vader was goed bevriend met Gaston en Leo, die hij al kende van de jaren vijftig. Na elke show ging dat duo iets drinken in een homokroeg aan het Theaterplein in Antwerpen, omdat ze daar niet herkend werden. Op een keer vroeg Gaston: "Ken jij geen regisseur voor onze theatershows, Jef?" "Onze Luc", antwoordde mijn vader.' 'Ik heb dan het stuk Boeing Boeing met Gaston en Leo mogen regisseren. Mijn vrouw speelde mee. Daarna heb ik nog een tweede voorstelling van hen geregisseerd. Zonder mijn vrouw, want die was zwanger. De avond dat ze moest bevallen, was ik met Gaston en Leo in de Stadsschouwburg in Leuven. Tijdens de pauze belde ze. Haar water was gebroken. "Geen paniek", zei Gaston, "we zullen de tweede helft wat sneller spelen en dan rijden we naar Antwerpen." Die nacht is onze eerste dochter geboren.' De volgende dag kwamen Gaston en Leo op kraambezoek. Het ziekenhuis stond op stelten. Dat is showbizz, maar Luc stapte eruit. 'Het werd te zwaar, ik gaf toen ook les.' Ook zijn vader stopte rond die periode, maar dat was niet van harte. 'Op zijn vijfenzestigste werd hij door de BRT met pensioen gestuurd. Van de ene dag op de andere was hij afgeschreven. Dat heeft hem veel pijn gedaan.' Op een dag in 1994 belde Jef naar zijn zoon. 'Jongen,' zei hij, 'het gaat niet goed met mij. Ik heb kanker.' 'Hij wist dat het niet goed zou aflopen', zegt Luc. 'Maar hij bleef zijn humor behouden. Hij droomde zelfs al van een grafschrift: "EENS WAS HIJ DE WITTE, NU IS HIJ DITTE".' Een paar maanden later, op kerstavond, zaten vader en zoon Bruyninckx weer in de auto. Deze keer reed Luc. Hij keek naar rechts, naar zijn oude in de passagiersstoel. Zijn witte haren waren weg. Op de brug over de Antwerpse ring zei hij: 'Stop hier, jongen.' Hij zweeg even. 'Dat is de laatste keer dat ik over die ring zal rijden.' 'Maar', voegde hij eraan toe, 'ik heb altijd een hekel gehad aan autostrades, dus dat komt goed uit.' Twintig dagen later was hij er niet meer. Op het doodsprentje stond: Jef Bruyninckx (1919-1995), De Witte. En op zijn begrafenis werd My Way van Frank Sinatra gespeeld. In een fletse orgelversie, maar wat deed het ertoe. I faced it all and I stood tall.And did it my way. Het was zijn song, zijn leven. Luc bleef daarna lesgeven. Eerst aan Pius X, later in een Joodse school. 'Zoals elke leerkracht was ik ooit heel ambitieus', grijnst hij. Hij heeft zijn leerlingen nooit gevraagd wat 'het geweten' is, maar De Witte kwam soms wel ter sprake. 'Het boek is onderdeel van de Vlaamse heimatliteratuur', zegt Luc, 'verplichte leerstof in het vijfde jaar. Over mijn vader heb ik nooit gesproken. Mijn Joodse leerlingen zouden dat niet begrepen hebben. Er zaten wel altijd een paar Wittes in mijn klas. Dat vond ik niet erg, integendeel. Ik heb respect voor leerlingen die ongegeneerd zichzelf zijn. En dat ze dan weleens de klas op stelten zetten... Dat zijn de dingen die je je later nog herinnert.' Zelf is Luc ook een aanhanger van het levenslange kwajongensschap. In een kostuum kregen ze hem niet. Hij gaf altijd les in jeans, en met lang haar. Zoals de zanger die ooit zijn voeten legde op de salontafel van zijn vader.Tien jaar geleden ging hij met pensioen. Niet lang daarna kreeg hij kanker. 'Mijn vader en ik, we zijn kankeraars', zegt hij lachend, ietwat somber. Maar ook deze keer volgde hij zijn vader niet. 'Ik ben officieel genezen.' En dan rinkelt zijn gsm. Hij neemt op en zegt: 'Dag Sven... Jaja, dat begrijp ik... En nu ga je vragen of ik kan invallen... Allez, 't is goed... Je hoeft me niet te bedanken... Je bent blij dat je iemand gevonden hebt, zelfs als is het den Bruyninckx(lacht)... Dus ik begin dan donderdag...' Hij legt neer. 'Dat was de directeur van mijn oude school. Hij vroeg of ik niet opnieuw wilde komen lesgeven. Ze vinden niemand en vragen het dan maar aan een 69-jarige die al tien jaar met pensioen is.' Over het Vlaanderen van 2019 zouden ze ook eens een film moeten maken. 'Ik ga mijn nieuwe leerlingen donderdag al meteen huiswerk geven', zegt hij dan. 'Ze moeten naar We Didn't Start the Fire van Billy Joel luisteren en daar iets over schrijven. Je kent die song wel, een eindeloze opsomming van bekende namen en feiten.' Einstein, James Dean, Brooklyn's got a winning teamDavy Crockett, Peter Pan, Elvis Presley, DisneylandBardot, Budapest, Alabama, KrushchevPrincess Grace, 'Peyton Place', trouble in the SuezWe didn't start the fireIt was always burningSince the world's been turningEn zo gaat Billy Joel nog een paar strofen door. Alleen de man uit Zichem ontbreekt in zijn song. De volgende dag reis ik naar het dorp waar de brand ooit begonnen is. De trein stopt. Het eerste wat ik zie in Zichem, is een café dat Den Ouden Tijd heet. Het station, de oevers van de Demer: het ziet er allemaal nog een beetje uit zoals in de film van Kiel en Vanderheyden. Alleen het water van de Demer is bruin en stinkt. Op de Markt bestel ik een groot pak friet met mayonaise in frituur De Witte. En ik denk aan een brief die Ernest Claes ooit schreef voor deze mensen. 'Aan die van Sichem!' 'Als een mens tachtig wordt, dan heeft hij veel herinneringen', begon Claes. 'Hij leeft eigenlijk alleen maar van de herinneringen.' Over De Witte had hij er veel, een boek vol: De Witte en ik. 'Ik geloof dat niets de verbeelding van onze Vlaamse snaken zo heeft opgejaagd als die film. Toen ze De Witte zagen, voelden ze zich geroepen om ook een Witte te zijn en wat waren ze jaloers op de gelukkige jongens die daar hadden aan mogen meedoen. (...) Ontroerend is die zucht van kinderen om weg te geraken uit de grauwheid van een alledaags leventje.' Honderden aanzoeken had hij gehad. Allemaal wilden ze Jef Bruyninckx zijn en allemaal vonden ze dat ze beter konden acteren dan hij. Jongens voelden zich uitverkoren, zussen prezen hun broer aan. 'Spreek maar eens een vrouw aan uit de Katerstraat, de Kwakkelstraat of Draaiboom, mijnheer Claes, eenieder zal hem kennen (...)'. Claes schreef 'aan die van Sichem' dat er nergens in de wereld goden gemaakt worden. Niet in de Katerstraat, niet in de Kwakkelstraat, niet in Draaiboom, nergens. 'De mensen en de dingen zijn altijd groter en schoner op een afstand van tijd en ruimte dan van dichtbij, wij kunnen alleen dwepen met onze heiligen en helden zoals ze bestaan in onze verbeelding en dromen, daar alleen bestaan ze in onze verbeelding en dromen, daar alleen zijn ze omgeven en gesierd met volmaakte gaven en deugden, zijn ze het ideaal.' De frieten van De Witte zijn klaar. ' Is er al zaat oep de patatten?' vraag ik.