De taxshift is het wonderargument dat de meerderheidspartijen van de ter ziele gegane regering-Michel oprakelen als het gaat over de koopkracht. In verschillende opzichten is de taxshift echter een aderlating voor onze openbare diensten. Je kan deze indirecte vorm van koopkracht niet vinden op je loonbriefje. Maar zonder de openbare diensten zou iedereen de volle prijs betalen voor zorg, onderwijs, openbaar vervoer, cultuur en zoveel meer. En dát zou iedereen wel merken op het einde van de maand.

De taxshift werkt de sluipende privatisering van de zorgsector in de hand.

De taxshift kan echter ook gezien worden als een bewuste zet om ook in de komende legislatuur het mes te zetten in de dienstverlening aan de bevolking, en kan ook nog op een andere manier nefast uitdraaien. De werkgeversbijdragen voor de private sector zijn drastisch verlaagd. Ook voor private diensten voor gezins- en bejaardenzorg (aan huis) is dat het geval. Hun openbare tegenhangers kunnen daar echter geen beroep op doen. Samen met verminderde inkomsten voor de gemeenten (een direct gevolg van de taksshift) ontstaat een situatie van oneerlijke concurrentie die een sluipende privatisering van de zorg in de hand dreigt te werken. De nadelen daarvan zijn drieledig. Privatisering leidt niet tot kostenbesparingen, ondergraaft de continuïteit van de dienstverlening en gaat gepaard met minder keuzevrijheid.

Onverwachte meerkosten

Volgens de pleitbezorgers van een minimale overheid is privatisering het wondermiddel om de overheidsfinanciën te redden en de dienstverlening aan de burgers te verbeteren. Alles overlaten aan de privésector is echter een hardnekkige utopie die het verheerlijken van de concurrentie plaatst boven de versteviging van de collectieve welvaart en koopkracht van de gewone m/v/x. Met winst als drijfveer dreigt de kwaliteit en betaalbaarheid van de dienstverlening er bovendien op achteruit te gaan. Volgens vergelijkend onderzoek vallen de kosten substantieel hoger uit in landen waar zorg overwegend in commerciële handen is. In de VS is gezondheidszorg onbetaalbaar geworden voor grote groepen van de bevolking. 40 miljoen Amerikanen zitten zonder ziekteverzekering terwijl maar liefst 18 procent van het bruto binnenlands product aan zorg besteed wordt (ter vergelijking: bij ons is dat 10,5 procent).

Ook in België beslissen of overwegen lokale besturen om sociale voorzieningen af te stoten. Het gaat dan meestal om woonzorgcentra, de thuis(zorg)diensten, de poetsdiensten met dienstencheques en de kinderopvang. Volgens een informatienota van de VVSG liggen daarachter vaak budgettaire overwegingen. De verwachting dat privatisering leidt tot kostenverlaging wordt echter in veel gevallen niet ingelost.

Private overnemers zijn vooral geïnteresseerd in de winstgevende onderdelen van de dienstverlening. Lokale besturen dreigen zo opgezadeld te worden met de niet-kostendekkende en dus verlieslatende diensten. Het kan ook gebeuren dat lokale besturen alsnog onverwachte kosten moeten maken. Een commerciële speler kan het bijvoorbeeld nagelaten hebben van bepaalde kwetsbare groepen te bedienen. Waardoor het lokale bestuur zich toch nog genoodzaakt ziet om het sociale recht van iedereen op zorg te garanderen door een aanvullende dienstverlening of sociale toelage te voorzien.

De continuïteit van de dienstverlening

Erger nog is het wanneer een private dienstverlener failliet gaat. Het gebeurde in Dendermonde. Een privaat woonzorgcentrum moest de boeken sluiten waardoor het lokale OCMW plotseling aan zet was om de bewoners uit de nood te helpen. In Nederland gingen eind vorig jaar de enige twee commerciële ziekenhuizen van het land overkop. Personeel en patiënten stonden van de ene dag op de andere letterlijk op straat. Artsen getuigden dat ze patiënten naar huis moesten sturen omdat ze geen verblijfplaatsen voor hen vonden. Sinds de invoering van marktwerking in de Nederlandse zorg beslissen zorgverzekeraars over het lot van de ziekenhuizen. Overheden mogen ziekenhuizen niet financieel bijstaan of redden. Een publieke overname van de twee ziekenhuizen is dus uitgesloten. Deze twee voorbeelden uit binnen- en buitenland tonen aan met welke risico's privatisering in de zorg gepaard gaat. Niets minder dan de continuïteit van de dienstverlening aan de bevolking kan er ernstig door in gedrang komen. Overheden moeten dan de brokken ruimen en extra kosten maken om sociale drama's te voorkomen.

Privatiseringen wordt verkocht onder het mom van meer (keuze)vrijheid. Maar je kan je de vraag stellen of dat wel klopt. De gebruikers worden metaforisch midden in de oceaan gegooid. Vroeg of laat dreigt iedereen hoe dan ook te verdrinken of ten prooi te vallen aan de haaien. Wie denkt dat privatisering leidt tot heilzame concurrentie, lagere tarieven en meer kwaliteit vergist zich immers. Het zijn een handvol commerciële spelers die meer en meer hun marktmacht opleggen. Volgens Jozef Pacolet hebben enkele investeringsgroepen 235 van de 803 rusthuizen of zowat 26% procent van de sector in handen gekregen. In zes jaar tijd hebben ze hun aandeel meer dan verdubbeld. Keuzevrijheid komt in de praktijk dus neer op onderwerping. Want hoe vrij kan je werkelijk zijn in een commercieel zorgmodel waarin dienstverleners vooral geïnteresseerd zijn in wat hun patiënten opbrengen en kosten? Hoe vrij ben je nog wanneer een commerciële speler het aanbod in jouw gemeente afbouwt of verplaatst naar een gemeente waar meer winsten te rapen vallen?

Publiek eigendom en regulering: Het Noorse voorbeeld

Volgens sommigen kan de overheid slecht regulator en regisseur zijn van het (lokale) sociale beleid. De overheid zou die rollen ook beter kunnen vervullen als ze zelf geen zorgdiensten meer aanbiedt. De feiten spreken dit tegen. De dagprijs van commerciële rusthuizen ligt fors hoger, ze investeren te weinig in personeel en de levenskwaliteit van de bewoners is vaak ondermaats. Ook in ons land lopen we het risico dat 3 euro per dag voor maaltijden, en opnieuw gebruikte pampers de norm worden. Als overheid geef je de teugels uit handen wanneer je van zorg een markt maakt mét grote concentraties van privaat eigendom en economische beslissingsmacht. Dan komt winst centraal te staan. We doen er beter aan te investeren in sterke zorginstellingen die we ook in publiek eigendom houden. Met een uitgebreid openbaar zorgaanbod kunnen (lokale) overheden veel meer greep uitoefenen op de dagprijzen in functie van betaalbaarheid en toegankelijkheid. Zo kunnen we als samenleving de toon zetten voor de hele zorgsector.

Overal in Europa maken steden en gemeenten komaf met privatisering. Ze staan terug zelf in voor het aanbod. Ook voor de zorgsector biedt dat voordelen. Dat lijken ze vooral in Scandinavische landen goed te beseffen. In het Noorse Oslo besloot een progressieve coalitie (de sociaaldemocratische Arbeiderspartij samen met de Socialistisch Linkse Partij en de Groene Partij) de kinderopvang terug in huis te nemen. De stad Bergen koos ervoor om twee geprivatiseerde rust- en verzorgingstehuizen terug zelf uit te baten. Volgens tegenstanders zou dit de begroting opzadelen met een extra kost van maar liefst 10 miljoen extra Noorse Kronen (1 miljoen euro). Juist het tegenovergestelde gebeurde. Na één jaar had één van de twee rust- en verzorgingstehuizen een budgettair surplus van meer dan 5 miljoen Kronen (500.000 euro). Met deze beslissing wou het stadsbestuur ook de dienstverlening verbeteren door in te zetten op betere loon- en arbeidsvoorwaarden en opleidingen voor het personeel.

Progressieve krachten moeten daarom samen het speeldomein van de markt terug verkleinen en het algemene belang opnieuw laten primeren.

In ons land zouden de partijen van de ter ziele gegane 'Zweedse coalitie' beter aandacht besteden aan de Scandinavische voorbeelden. In de plaats daarvan hebben ze een taxshift in het leven geroepen die de staat berooft van cruciale middelen om haar economische en sociale rol ten volle te spelen. De minimale netto-loonsverhogingen voor sommigen verbleken in het niets bij de factuurstijgingen van water, openbaar vervoer, energie, zorg en onderwijs. Als we dieper inzoomen op de gevolgen van de tax shift voor de openbare diensten merken we een maatregel op die maar één doel kan hebben: het decimeren van de openbare sector. De patronale RSZ-bijdrage voor de private sector is verlaagd naar 25% terwijl in de openbare sector het tarief van 32,4% behouden blijft.

In deze maatregel merk je de minachting ter rechterzijde voor de gebruiker en het personeel van de openbare diensten. Gecombineerd met een strakke besparingen worden bepaalde openbare zorgdiensten dus indirect de private markt opgeduwd. Lokale besturen doen er echter goed aan de nadelen van privatisering indachtig te zijn. Het is tijd voor een ander beleid dat voorziet in bijkomende publieke investeringen ten goede van de burger. Progressieve krachten moeten daarom samen het speeldomein van de markt terug verkleinen en het algemene belang opnieuw laten primeren. Gedaan dus met privatiseringen waarvan de risico's door de overheid gedragen worden en de winsten naar de private aandeelhouders vloeien. Enkel de overheid kan borg staan voor de continuïteit van een kwaliteitsvolle dienstverlening.

Dries Goedertier is op de adviseur studiedienst ACOD.

Frank Hoste is stafmedewerker bij de ACOD Lokale en Regionale Besturen Limburg.