Vorige week publiceerde de Studiecommissie voor de Vergrijzing haar jaarlijkse rapport over de impact van de veroudering van de bevolking op onze overheidsuitgaven. Sommigen zagen in dat rapport het bewijs dat het met die impact reuze meevalt. Helaas hebben zij het rapport allicht niet echt goed gelezen.

Volgens de Studiecommissie zullen de jaarlijkse sociale overheidsuitgaven tegen 2040 3,8 procentpunt van het bbp hoger liggen dan vandaag. Uitgedrukt in euro's van vandaag (en dus los van toekomstige groei of inflatie) komt dat overeen met 17 miljard aan extra jaarlijkse overheidsuitgaven.

Ter vergelijking, dat is ongeveer het volledige huidige budget voor defensie, openbare orde en veiligheid, huisvesting en gemeenschapsvoorzieningen en recreatie, cultuur en religie samen.

Een belangrijk deel van die factuur ligt al klaar voor de volgende legislatuur: tegen 2024 loopt de stijging op tot 6,3 miljard in euro's van vandaag. En dat is de factuur nog zonder nieuwe initiatieven zoals een minimumpensioen van 1500 euro.

Na 2040 verwacht de Studiecommissie wel dat de vergrijzingsimpact terug gaat afnemen. Tegen 2070 zouden de jaarlijkse sociale uitgaven nog 'maar' 2,1 procent van het bbp (of 10 miljard) hoger liggen dan vandaag.

Maar dat goede nieuws hangt af van de hypothesen die gebruikt worden voor die ramingen. Eenzelfde oefening door de Europese Commissie toont een ander beeld. Volgens de Europese Commissie blijft de factuur gewoon verder oplopen tot 4,6 procent van het BBP (of 21 miljard) tegen 2070.

Daarmee klimmen onze sociale overheidsuitgaven trouwens naar de hoogste in de Europese Unie. Om dat soort langetermijnramingen te kunnen evalueren, is het essentieel om de gebruikte hypothesen te kennen.

De pensioenen blijven betaalbaar, maar niet door de uitdaging die op ons afkomt te minimaliseren.

Dat plaatst de ramingen van de Studiecommissie toch enigszins in perspectief: die vertrekken immers van vrij optimistische hypothesen. De Studiecommissie gaat er van uit dat de werkgelegenheidsgraad de komende jaren duidelijk hoger klimt en dat de productiviteitsgroei terug versnelt. Mochten we er niet in slagen om nog veel meer mensen aan het werk te krijgen of te houden, of de productiviteit valt lager uit dan verwacht, dan loopt de vergrijzingsfactuur nog verder op.

Vooral de productiviteitsgroei wordt de komende decennia een cruciale factor. En net op dat vlak zijn de signalen verontrustend. De productiviteitsgroei is al 50 jaar aan het vertragen: in de jaren 60 bedroeg die nog gemiddeld 4,4 procent per jaar, het huidige decennium is dat teruggezakt tot amper 0,4 procent per jaar. Die vertragende productiviteitsgroei is een trend doorheen de hele westerse wereld, maar België presteert op dat vlak slechter dan vergelijkbare industrielanden.

De Studiecommissie rekent erop dat we die productiviteitsgroei op termijn terug kunnen opkrikken tot 1,5 procent. Dat is een gemiddelde dat we laatst haalden in de jaren 90. Er zomaar vanuit gaan dat de productiviteitsgroei terug zal opveren, is wel heel optimistisch. En als die gemiddelde productiviteitsgroei ook maar iets lager uitvalt, dan lopen de vergrijzingsuitgaven razendsnel op. Als de gemiddelde productiviteitsgroei 0,3 procent lager uitkomt, dus op een gemiddelde van 1,2 procent per jaar (nog altijd drie keer hoger dan vandaag), dan betekent dat op termijn een bijkomende vergrijzingsfactuur van 2,5 procent van het bbp, of nog eens 11,5 miljard in euro's van vandaag. Met een iets zwakkere productiviteitsgroei ziet de Europese Commissie de vergrijzingsfactuur oplopen tot 31 miljard in euro's van vandaag.

Als deze bedragen nog niet doen duizelen, daar stopt het nog niet. Er is ook nood aan een dringende inhaalbeweging op het vlak van investeringen in infrastructuur, en ook de inspanningen voor het klimaat zullen onvermijdelijk geld kosten. De SERV sprak in dat laatste verband recent van een jaarlijks bedrag van 3 tot 12 miljard euro alleen al voor Vlaanderen.

En niet te vergeten, de volgende regering start al met een begrotingstekort dat klimt naar meer dan 10 miljard euro. In de verkiezingscampagne was dat amper een thema, maar de financiële uitdagingen waar we voor staan zijn dus enorm. De vermelde bedragen zouden onmiddellijk duidelijk moeten maken dat we dit niet gaan oplossen met wat extra belastingen of met besparingen die niemand voelt.

De pensioenen blijven hoe dan ook betaalbaar. Meer nog, het pensioen is een essentiële pijler van onze welvaartsstaat en moet dus overeind blijven. Dat zal niet lukken door de uitdaging die op ons afkomt te minimaliseren. En ook niet door met minder mensen minder lang te gaan werken.

De beste manier om de pensioenen en onze hele welvaartsstaat overeind te houden is een combinatie van meer mensen aan het werk en een sterkere productiviteitsgroei. In België zijn nog altijd opmerkelijk weinig mensen aan het werk. Wij proberen een welvaartsstaat van hetzelfde niveau als Zweden te onderhouden, maar doen dat met naar verhouding een klein miljoen werkenden minder.

Daarnaast moet het opkrikken van de productiviteitsgroei een absolute prioriteit zijn. Zowel meer mensen aan het werk krijgen als een hogere productiviteitsgroei vereisen verdere structurele hervormingen in de arbeidsmarkt, de fiscaliteit, het onderwijs, ... Gewoon afwachten, de beschikbare cijfers verdraaien en keihard hopen dat het allemaal wel zal meevallen is geen verstandige beleidskeuze.