In zijn eetkamer liggen allemaal protestborden. Op een ervan staat: IK BETOOG OP MIJN 98e VOOR MIJN VIJF ACHTERKLEINKINDEREN.
...

In zijn eetkamer liggen allemaal protestborden. Op een ervan staat: IK BETOOG OP MIJN 98e VOOR MIJN VIJF ACHTERKLEINKINDEREN. Op een ander staat: LUISTER NAAR DE JEUGD. ZE ZIJN NOG NIET CORRUPT. Dat laatste bord had hij meegenomen naar de klimaatbetoging in Brussel. 'Hela, meneer', zei een agent in de Wetstraat. 'Wat op uw bord staat, klopt niet. Niet elke volwassene is corrupt.' 'Dat is waar', antwoordde hij. 'Maar het scheelt toch niet veel.' Bij elke klimaatbetoging is Alexander Karel Evrard op post. Als de oudste van de bende, maar dat deert hem niet. 'Mijn leven lang heb ik als professor tussen jongeren gelopen. Ik voel me thuis tussen hen.' Achtennegentig is hij intussen, maar dat gelooft geen mens. Zo kwiek is hij nog. En toch valt hij op tussen al die tieners en twintigers met hun TikTok. Misschien omdat mensen van zijn generatie, zij die de roaring twenties nog meegemaakt hebben, niet meer zo vaak manifesteren. Evrard heeft de wereld danig zien veranderen in zijn eeuw. Soms ten goede: hij heeft de antibiotica weten uitvinden, de penicilline. De psychofarmaca ook. Maar even vaak zag hij de wereld doordraaien. 'Ik heb veel diersoorten zien uitsterven in mijn leven', vertelt hij. 'Het eerste boek dat ik ooit kocht, heette Wat vliegt daar? Er woonde toen nog een ooievaar op het dak van ons huis. Waar zie je die vandaag nog vliegen? Je moet al bijna naar het Zwin gaan om er een te zien. Hier in mijn stadstuin hoor ik zelfs geen mus meer. Dat maakt me triest. De oude Griekse dichter Sophocles zei het al in Antigone: er zijn veel erge dingen op aarde, maar het ergst is de mens.' Daarom gaat hij betogen. 'In Gent zeggen ze weleens: "Achter ons trekken ze de ladder op." Maar dat vind ik te gemakkelijk. Wat Anuna De Wever, Greta Thunberg en al die anderen doen, is ongelooflijk moedig. Natuurlijk wist ik dat ze belachelijk gemaakt zouden worden. Ik ben zenuwarts, ik zag direct dat Greta Thunberg een vorm van autisme had. En dan? Ludwig van Beethoven had dat wellicht ook, en dat was een genie. "Die betogingen halen niets uit zolang China en India steen- en bruinkool blijven gebruiken", zeggen mensen mij soms. Dat klopt. Maar ik kan niet niets doen. Zwijgen is toestemmen. Dan leg ik mijn hoofd op het hakblok, en dat wil ik niet. Zolang ik kan, blijf ik betogen.' Hij vertelt het allemaal terwijl hij rechtop staat, alsof hij nog altijd in de aula aan het doceren is. Tijdens de pandemie heeft hij ook zo zijn memoires geschreven. Op papier en met de hand, want 'ik ben hopeloos ouderwets'. 'Maar ik wilde als een van de laatsten van mijn generatie getuigen over mijn eeuw.' Die begon in 1923 in een katholiek nest in Gent. 'Ik was de tweede oudste van elf kinderen. Mijn moeder heb ik in mijn jonge jaren alleen maar zwanger gezien.' In de stad reden nog karren rond. Samen met zijn vader ging hij naar Afrikaanse zwarten kijken, die ergens aan het Zuidstation tentoongesteld werden. 'Ons vader was professor scheikunde. Een heel strenge man, die alleen maar bevelen en straffen gaf.' Maar hij leerde zijn zoon ook manifesteren. 'Hij was in het Frans opgegroeid in een kleineburgerijfamilie - in die tijd waren zelfs de straatnaamborden in Gent nog tweetalig. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, gaf hij zich op als vrijwilliger. Aan de IJzer zag hij hoe Vlaamse piotten de dood werden ingejaagd omdat ze de orders van hun Franstalige officiers niet verstonden. Hij revolteerde daartegen. Daar, in de loopgraven, werd hij flamingant en activist.' Na de oorlog keerde vader Evrard nog vaak terug naar de IJzer. 'Elk jaar gingen we samen naar de IJzerbedevaart', vertelt Alexander Karel. 'Die tienduizenden mensen daar, dat maakte indruk. Ik herinner me nog dat er in 1930 een vliegtuig over de massa vloog: ze lieten pamfletten en bloemen met Belgische linten vallen als provocatie. Later trad ons vader toe tot het vooroorlogse kartel Katholieke Volkspartij/VNV/Rex Vlaanderen, al is hij nooit lid geweest van een partij. Zo werd hij gemeenteraadslid in Gentbrugge.' In 1940 vluchtte de socialistische burgemeester van Gentbrugge, Frans Toch, naar Frankrijk. De gouverneur van Oost-Vlaanderen vroeg aan vader Evrard om zijn plaats in te nemen. 'Ons vader was niet enthousiast om oorlogsburgemeester te worden - hij had gezien wat er na de Eerste Wereldoorlog met de activisten gebeurd was. Maar de deken van Ledeberg heeft hem gesmeekt om het toch te doen. "Anders wordt een SS'er of iemand van De Vlag burgemeester. Liever een flamingant dan een Duitser." Daarom heeft hij toegezegd. Uiteindelijk heeft zijn burgemeesterschap maar een kleine twee jaar geduurd, tot Gentbrugge opgeslorpt werd door Gent onder Hendrik Elias (oud-leider van het VNV en collaborateur, nvdr) . Een geluk, anders was hij wellicht na de oorlog doodgeschoten, zoals zoveel oorlogsburgemeesters.' 'Wij waren geen zwarten', zegt Evrard. 'Eerder grijs. "Dat regime deugt niet", zei mijn vader altijd. Ons standpunt was dat van de Fronters: onverfranst, maar ook onverduitst. We waren orangisten, voor de hereniging van Groot-Nederland.' Na de oorlog werd vader Evrard naar het interneringskamp van Lokeren gevoerd. 'Mijn moeder is nog naar de deken van Ledeberg gegaan. "Wil jij getuigen dat je hem overtuigd hebt om oorlogsburgemeester te worden?" vroeg ze hem. "Maar madame," antwoordde hij, "dat is zo lang geleden. Ge kunt toch niet verwachten dat ik me dat nog herinner." Voor mijn moeder, die altijd heel katholiek geweest was, was dat een grote schok.' Ook de jonge Evrard belandde op het einde van de oorlog twee keer in de cel. De eerste keer omdat hij Duitse taallessen gevolgd had, de tweede keer omdat hij mee een steunfonds had opgericht voor gezinnen die gecollaboreerd hadden. 'Ze hadden geen broodwinner meer, want die was ondergedoken of gevlucht. De substituut van de krijgsauditeur zei direct: "C'est le fils d'Evrard. Ça suffit." Ik werd naar De Nieuwe Wandeling, de Gentse gevangenis, gestuurd. "Hoe is het in godsnaam mogelijk?" zeiden ze daar. "Iemand die gestraft wordt voor naoorlogse activiteiten. Dit is echt een onverbeterlijke." IZe hebben me dan begeleid naar cel 79. Met elf deelden we een ruimte die voor twee man geschikt was. Ik zat er samen met professoren, maar ook met geestelijken. Daar zijn verschrikkelijke dingen gebeurd. Iemand is gestorven op de vloer. En door een vensterspleet zag ik hoe Leo Vindevogel (oorlogsburgemeester van Ronse, die van collaboratie werd beschuldigd, nvdr) naar de executiepaal gevoerd werd. Die vier oorlogsjaren en de maanden in de gevangenis hebben mijn leven getekend.' Het is geen toeval dat Canvas nog altijd reeksen maakt als Kinderen van de collaboratie of Kinderen van het verzet, zegt hij. 'Het oorlogsverleden is niet verwerkt. Wat de Duitsers gedaan hebben in de kampen, was natuurlijk weerzinwekkend. Maar wat de Amerikanen gedaan hebben in Nagasaki ook. Dat waren evengoed oorlogsmisdaden. De oorlog zal pas voorbij zijn als de laatste getuige gestorven is.' Tien jaar geleden ging hij voor het tv-programma Terzake met verzetsstrijder Pierre Stippelmans naar het Fort van Breendonk. 'Hij had daar in de oorlog nog gezeten, en was verbaasd dat ik er nog nooit geweest was. "Maar man," repliceerde ik, "ben jij ooit in Diksmuide geweest?" Toen vertelde hij zijn verhaal en ik het mijne. Op het einde zei hij: "Ik denk dat we allebei oorlogsslachtoffers zijn." "België zal nooit meer amnestie toestaan", antwoordde ik. "Het heeft ook nog weinig zin, want de meeste betrokkenen zijn dood. Voordat ook wij sterven, kunnen we ons beter verzoenen." We hebben elkaar een hand gegeven en elkaar omarmd. Dat hebben ze natuurlijk niet uitgezonden.' Na de oorlog is alles veranderd, zegt Evrard. Het leven zag er anders uit: het werd hier een beetje Amerika. En hij werd pacifist, maar wel een die vaak ging betogen. Tegen de raketten - hij liep vaak mee in vredesmarsen. Maar ook op andere manifestaties was hij present: hij was erbij op de Witte Mars, op de Marsen op Brussel en op proamnestiebetogingen. 'Ik wilde de wereld verbeteren', zegt hij. 'Daarom ben ik ook professor geworden.' Tijdens de oorlog studeerde Evrard al geneeskunde aan de universiteit. 'Het frustreerde me dat het in de les alleen maar ging over het lichaam en nooit over de geest. De boeken van de Gentse pionier Jozef Guislain hebben mijn ogen geopend. De jongste broer van mijn vader was schizofreen. Al vroeg werd hij wees, en niemand keek naar hem om. Vreselijk was dat. Daar wilde ik iets aan doen.' Evrard ging psychiatrie studeren en wijdde zijn leven aan schizofrenen. Hij wilde hun lot verbeteren, maar dat bleek een illusie. 'Zestig procent van de mensen die in een gesticht zitten, is schizofreen. Niemand weet hoe die ziekte ontstaat. Vandaag kunnen we door medicatie hun wanen en hallucinaties aanpakken, maar niet hun contactgestoordheid. Op den duur distantieert zelfs hun familie zich van hen. Veel patiënten die in Geel zitten, krijgen nooit bezoek. Schizofrenie is de ziekte van de vereenzaming: mensen willen niet geconfronteerd worden met hun gestoorde medemens. Over hen heb ik me proberen te bekommeren. Wellicht te weinig, maar soms krijg ik nog een dankwoord van een ex-patiënt. Dat doet me plezier. Dan weet ik weer dat ik niet helemaal voor niets geleefd heb.' In 1969 werd Evrard in Gent tot docent benoemd, een paar jaar later tot hoogleraar. 'Dat heeft behoorlijk lang geduurd, maar in die tijd was het handig als je de juiste politieke kaart had. En ik wilde geen lid worden van een partij. Daarvoor was mijn vrijheid me te dierbaar. Ik gaf ontzettend graag les: ik probeerde mijn studenten vooral Respekt und Verantwortung für das Leben bij te brengen, zoals Albert Schweitzer zei. Op een dag liep er een kakkerlak door de aula. Iedereen dacht dat ik dat beest zou doodkloppen. Maar ik heb het opgepakt en buitengezet. "Dat beestje leeft ook maar een keer", zei ik tegen mijn studenten.' Sander Goedhart noemden ze Evrard op een studentenrevue in de Minardschouwburg. 'Al kwam dat ook omdat ik bijna nooit studenten buisde. (lacht) Zij die ik ooit minder dan tien op twintig gegeven heb, kan ik nog altijd op een hand tellen: die kenden werkelijk niets van de materie.' In 1989 ging hij met emeritaat, maar hij komt nog altijd graag in zijn alma mater. Tien jaar geleden lag hij er wel onder vuur, nadat hij in een lezersbrief aan het blad Snep homoseksualiteit 'een afwijking' had genoemd. De toenmalige rector van de UGent, Paul Van Cauwenberge, distantieerde zich van Evrard. 'Ik ben toen helemaal verkeerd begrepen', zegt hij vandaag. 'Ik ben een kind van mijn tijd. Vroeger bekeek de wetenschap homoseksualiteit als een perversie. Ouders kwamen mij vragen: "Onze zoon is homo. Kunt u hem genezen, professor?" Natuurlijk kon ik dat niet. Iedereen is wie hij is. Ik heb dus helemaal niets tegen homo's. Het spreekt voor zich dat zij evenveel rechten moeten krijgen als hetero's. Maar vanuit wetenschappelijk oogpunt kan ik niet anders dan homoseksualiteit een afwijking van de biologische norm noemen. Als er morgen alleen maar homo's zouden zijn, sterft onze soort gewoon uit.' Hij gaat zitten - eindelijk, na twee uur. Ik kijk naar een groot portret dat aan de muur hangt. 'Wie is die koning?' vraag ik. Zijn ogen glimmen. 'Willem I.' 'Ik ben een republikein', zegt hij. 'Maar alleen voor Willem I zou ik willen vechten. Vijftien jaar heeft hij geregeerd over onze contreien, tussen 1815 en 1830. Hij hield van Gent en heeft ontzettend veel voor deze stad gedaan: de universiteit opgericht, het kanaal Gent-Terneuzen laten uitgraven, en hij heeft van Gent dé textielstad gemaakt. Het Manchester van het vasteland. Zijn koets werd in deze stad letterlijk op handen gedragen, zo geliefd was hij. Maar daarna is hij in de vergetelheid beland. Of hij werd bespot: de noorderduivel noemden ze hem in mijn jonge jaren op het Sint-Barbaracollege. Later, toen ik doctoreerde in Leiden, trok ik naar de grafkelder van de Oranje-Nassau's in de Nieuwe Kerk in Delft. Daar, op het graf van Willem I, heb ik gezworen: "Ik zorg ervoor dat u eerherstel krijgt in mijn stad."' Evrard hield woord. Aan de Bisdomkaai in Gent werd in 2018 een standbeeld onthuld voor Willem I. Merkwaardig was het wel: een koning uit de negentiende eeuw die in deze tijden nog in brons vereeuwigd wordt. 'Jaren heb ik overal spreekbeurten gegeven over Willem I', zegt Evrard. 'Gratis, al liet ik wel een envelop rondgaan voor wie een bijdrage wilde geven voor het standbeeld. "Over ons lijk", zeiden ze eerst op de gemeenteraad van Gent. "Er komt geen standbeeld." Maar ze zijn gelukkig van mening veranderd, met dank aan professor Herman Balthazar. Hij heeft zijn goede vriend, toenmalig burgemeester Daniël Termont, kunnen overtuigen. Uiteindelijk heeft zelfs de oppositie het standbeeld goedgekeurd. Onlangs kwam ik historicus Bruno De Wever tegen. "Meneer Evrard," zei hij, "hoe is het in godsnaam mogelijk? Een standbeeld oprichten voor zo'n autoritaire autocraat?" "Al een geluk dat hij zo autoritair was," antwoordde ik, "anders had hij nooit zo veel kunnen realiseren." Trouwens, elke leider was zo in die jaren. Willem I heeft maar één fout gemaakt: toen in 1830 in Brussel de onlusten uitbraken, stuurde hij zijn zonen. Dat was een strategische blunder. Was hij maar zelf gekomen. Dan was alles wellicht anders gelopen.' Naast het schilderij van Willem I hangt een foto van zijn eigen zoon, Dirk. 'Hij is verongelukt op zijn vijfentwintigste', zegt de professor. 'Het is meer dan veertig jaar geleden, maar nog elke dag denk ik aan hem. Ook omdat ik me schuldig voel. De dag voordat hij stierf, belde een van zijn beste vrienden. "Morgen is het Jazz Bilzen. Wil je dat tegen Dirk zeggen? Hij zal het vergeten zijn." Ik heb het gezegd, en hij is naar Jazz Bilzen gegaan. Op de terugweg, ergens tussen Lokeren en Zele, is hij in slaap gevallen en tegen een verlichtingspaal gereden. Ik heb hem niet willen identificeren. Ik wilde hem herinneren zoals hij was: guitig, roekeloos soms. Dirk was niet alleen kunstenaar en muzikant, maar ook klinisch psycholoog. Net als ik was hij bezig met schizofrenen. Ik zag hem als mijn opvolger.' Een kind verliezen, dat verdriet slijt nooit, zegt hij. 'Dat is het ergste wat je kunt meemaken in een leven.' In zijn kelder veegt hij nog elke dag het stof van de verzamelingen van zijn zoon: zijn kandelaars, zijn kruisbeelden, zijn schilderijen. 'Af en toe schilder ik ook', zegt hij. 'Een stilleven of een landschap.' Maar zijn grootste kunstwerk ligt twaalf kilometer hiervandaan: aan de Heidestraat in Laarne. 'Vijfenveertig jaar geleden heb ik daar een stuk landbouwgrond van drie hectare gekocht. Ik heb er bomen geplant, en vandaag is het een echt bos. Tot vorig jaar ging ik er regelmatig zaaien, rooien en werken. Ik heb het geschonken aan Natuurpunt, want op mijn 98e lukt het niet meer om dat te onderhouden. Maar ik ben er nog altijd trots op: dat bos is mijn erfenis voor de wereld. Anders had de gemeente dat stuk grond allang verkaveld. Mijn zoon schreef ooit in zijn dagboek: "Indien er een schepper bestaat, dan kunnen we hem alleen maar eren door zijn schepping te respecteren."' Die zin staat nu in de memoires van zijn vader. Net als een citaat van de Zwitserse schrijver Hermann Hesse uit Siddhartha: 'Een wetende kan ik mij niet noemen. Ik was een zoekende en ik ben het nog.' 'Daarover had ik vaak discussies met filosoof Etienne Vermeersch', zegt Evrard. 'Hij was ervan overtuigd dat er niets was. "Maar beste collega Etienne," begon ik dan, "je hebt de kerk verlaten omdat je het zo moeilijk had met al die dogma's. En nu omarm je de dogma's van het atheïsme. Waarom noem je jezelf geen agnost, die oprecht toegeeft dat hij het niet weet?"' 's Nachts gaat hij soms op zijn koer staan, zegt hij. 'En dan kijk ik naar al die sterren. Naar de machtige Melkweg, die ongelooflijke oerkracht. Dan zou ik wel kunnen knielen, al weet ik ook niet goed voor wie of voor wat. Als we dat zouden weten, zouden we allemaal atheïst of gelovige zijn.' 'Lukt het nog om op uw leeftijd te knielen?' vraag ik hem. Hij lacht. 'Dat valt tegen. Iedereen wil oud worden. Maar oud zijn, dat is toch iets anders. Als je valt, breek je meteen iets. Ik heb veel aan de raad van de wijze, oude oosterling Lao-Tse: "Godsdienst is een stok om op te steunen, niet om mee te slaan." Die Gedanken sind frei, hè . We zijn maar even op deze aardbol. Laten we het elkaar niet te moeilijk maken.'