Er zijn mensen die zich afvragen of de drastische lockdown- en andere maatregelen om het coronavirus onder de knoet te krijgen wel verantwoord waren. Want er is toch veel economische schade en andere collateral damage? Er zijn er zelfs die durfden te opperen dat het niet zeker is of de lockdown überhaupt een effect had op het aantal zieken en doden. Misschien is het allemaal voor niets geweest, heet het.
...

Er zijn mensen die zich afvragen of de drastische lockdown- en andere maatregelen om het coronavirus onder de knoet te krijgen wel verantwoord waren. Want er is toch veel economische schade en andere collateral damage? Er zijn er zelfs die durfden te opperen dat het niet zeker is of de lockdown überhaupt een effect had op het aantal zieken en doden. Misschien is het allemaal voor niets geweest, heet het. De twijfelaars kunnen gerust zijn: het is niet voor niets geweest. Een doorwrochte statistische analyse voor elf Europese landen, waaronder België, in het wetenschappelijk topvakblad Nature heeft uitgewezen dat de lockdown tot begin mei in de betrokken landen 3,1 miljoen levens redde. Het virus besmette in totaal tussen de 12 en de 15 miljoen personen (of 3,2 à 4 procent van de bevolking). Het succes van de lockdown schuilt in het feit dat hij het gemiddelde aantal personen dat iemand besmette verminderde van 3,8 tot 0,7 - een wereld van verschil. Studies uit China wijzen uit dat het aantal mensen dat iemand in lockdown ontmoet met een factor acht afneemt ten opzichte van de normale situatie. Zonder lockdown en andere interventies verdubbelde het aantal besmettingen er elke twee dagen. Het artikel presenteert afzonderlijke gegevens voor België: begin mei hadden de lockdownmaatregelen voor ons land al 110.000 doden vermeden. Van de elf onderzochte landen had België de minst goede gegevens uit het begin van de epidemie. We bleven begin mei ook zitten met het hoogste aantal personen dat iemand gemiddeld besmette: 0,8. Dat zou kunnen betekenen dat we niet uitmunten in het opvolgen van de maatregelen. De cijfers sluiten mooi aan bij een studie over België die biostatisticus Geert Molenberghs (UHasselt en KU Leuven) en zijn collega's maakten - een manuscript over hun werk is ingediend bij een vakblad. 'Onze analyses klokten af op 60.000 extra doden als er geen lockdown was geweest, maar het kon oplopen tot 240.000 als onze ziekenhuizen overweldigd zouden zijn geweest door het aantal slachtoffers', legt Molenberghs uit. 'De cijfers van Nature vallen daar midden in, dus dat geeft vertrouwen. Maar zelfs mét de lockdown was de voorbije maand april de dodelijkste maand sinds de Tweede Wereldoorlog. Vooral in de tweede week lag het aantal sterfgevallen dubbel zo hoog als gemiddeld. Alleen januari 1951 en februari 1960 kenden een vergelijkbare sterfte - dat was een gevolg van griepepidemieën. We konden ook concluderen dat zo goed als alle extra doden de voorbije maanden slachtoffers van het coronavirus waren. Het heeft dus lelijk huisgehouden.' De eerste golf van het virus zal in ons land zo'n 10.000 doden maken. Dat waren vooral oudere mensen - onder de 45 jaar was de sterfte zo goed als nul. Mannen werden makkelijker het slachtoffer van het virus dan vrouwen. Twee derde van de sterfgevallen werd opgetekend in woonzorgcentra. 'Dat zijn in feite grote collectieve huishoudens die gevoelig zijn voor onverwachte virusdragers, in casu zorgverleners, en aan clusteruitbraken', zegt Molenberghs. 'Ons land is het slachtoffer geworden van onze uitstekende gezondheidszorg voor een relatief oude maar fragiele populatie. De kans om besmet te worden in een woonzorgcentrum was niet groter dan erbuiten, maar de kans om te sterven wel. Buiten het rusthuis stierf één besmette persoon op de 160, in een rusthuis was dat 1 besmette persoon op de 3. Zelfs oude mensen die nog thuis wonen, waren beter af dan hun leeftijdsgenoten in een rusthuis.' Op 9 mei registreerde ons land 764 doden per miljoen inwoners, waarmee we wereldrecordhouder waren. Dat was geen cijfer waar onze overheden graag mee te koop liepen. Zonder de woonzorgcentra zou het echter 'slechts' 262 geweest zijn, wat naar internationale normen 'bescheiden' zou zijn geweest. Aangezien veel landen de gegevens uit de woonzorgcentra niet of maar gedeeltelijk in hun statistieken opnamen, zouden we kunnen besluiten dat onze overheid en wetenschappers eerlijker - en in ieder geval vollediger - waren dan hun collega's elders. Een interessant gegeven uit de Nature-paper is dat ons land met 8 procent de hoogste groepsimmuniteit heeft van de elf onderzochte landen: 8 procent van onze bevolking zou al antistoffen tegen het virus in het bloed hebben. Dat is goed nieuws, want het kan betekenen dat mensen zo weerstand tegen een eventuele nieuwe aanval van het virus hebben opgebouwd en de ziekte niet meer kunnen doorgeven. Ter vergelijking: in Noorwegen en Duitsland had op het moment van de studie respectievelijk slechts 0,5 en 0,85 procent van de bevolking antistoffen tegen het virus - hoewel er in Duitsland sterke regionale verschillen bestaan. De regel lijkt te zijn: hoe efficiënter de social distancing en andere maatregelen, hoe lager de opgebouwde groepsimmuniteit. 'Onze berekeningen gaven voor ons land 7 procent, maar daar zit een betrouwbaarheidsmarge van 4 tot 9 procent op, dus veel verschil met de 8 procent van Nature is er niet', stelt Geert Molenberghs. 'De bloedbankanalyses van Sciensano, ons federaal instituut voor volksgezondheid, geven als resultaat 5 procent mensen met antistoffen, maar dat kan een onderschatting zijn, omdat personen die wat hoesten en snotteren minder gemakkelijk bloed gaan geven. Er zit uiteraard speling op de resultaten afhankelijk van de leeftijdsgroep. Als je uitsluitend niet-gepensioneerden neemt, kom je uit bij 6 procent. Bij 85-plussers is het 13 procent - dat is mee een effect van verblijf in woonzorgcentra. Maar voor 65- tot 75-plussers is het amper 4 procent. Dat zijn mensen die meestal nog thuis wonen, maar beseffen dat ze extra risico lopen en dus strikter de lockdownregels volgen, waardoor ze minder kans op een besmetting hebben.' Het slechte nieuws van de besmettingspercentages is dat we overal nog mijlenver verwijderd zijn van de 60 tot 70 procent die nodig is om zo'n hoge groepsimmuniteit te hebben dat het virus zal uitsterven. In Science verscheen een ontnuchterend artikel dat besloot dat we nog minstens tot in 2022 social distancing nodig zullen hebben om het virus geen nieuwe kansen te geven en te vermijden dat ziekenhuizen opnieuw onder druk komen te staan. We zullen het virus tot minstens 2024 moeten blijven monitoren. We zijn er nog niet vanaf. 'De scenario's van Science hebben betrekking op situaties zonder geneesmiddelen en zonder werkzaam vaccin', analyseert Molenberghs. 'Zodra er een werkzaam vaccin is, is het afgelopen met het coronavirus. Maar als er geen vaccin komt, wat niet uitgesloten is, zitten we met een ander verhaal. Dan duiken er twee grote onzekerheden in de modellen op. De eerste is dat we niet weten of er een seizoenseffect op de activiteit van het virus is - zoals bij onze griepvirussen, die vooral in de winter toeslaan. Zo dachten de gezondheidsautoriteiten in de Amerikaanse staat Arizona, waar het bloedheet kan zijn, dat zij minder last van het virus zouden hebben, maar dat was niet het geval. Mogelijk heeft het zich daar vooral via de airco verspreid. We moeten dus afwachten wat het virus zal doen in de herfst.' Een tweede grote onzekerheid is dat niet bekend is hoelang de weerstand die iemand tegen het virus opbouwt van kracht zal zijn. Het relaas in Science ging daar in detail op in: als volledige immuniteit tegen het virus niet permanent is, zoals met griepvirussen het geval is, zal ook dit coronavirus deel gaan uitmaken van ons dagelijkse bestaan. Als de afweer lang zou aanhouden, kan het virus voor minstens vijf jaar uit ons systeem verdwijnen. Maar het kan ook dat de immuniteit tegen het virus zich geleidelijk opbouwt, waardoor het na een jaar of twee uitgestorven lijkt te zijn maar nog eens twee jaar later weer de kop opsteekt. We weten het gewoon niet. 'Misschien zal het iets worden zoals een gewoon verkoudheidsvirus, waar je de eerste keer veel last van hebt maar waar je nadien aan gewend raakt', oppert Geert Molenberghs. 'Daarnaast kan de ingewikkelde factor van de kruisimmuniteit tegen andere coronavirussen spelen. Er circuleren nu al vier coronavirussen in de mensenpopulatie, die verkoudheden veroorzaken en die, anders dan griep, niet specifiek aan de winter gebonden zijn. Het is niet uitgesloten dat die meebepalen hoe ons lichaam op de besmetting met het nieuwe coronavirus reageert. Het is zelfs mogelijk dat er interferentie komt met griepvirussen waar we de volgende winter mee te maken zullen krijgen.' Molenberghs geeft het voorbeeld van de Spaanse griep die lelijk huishield in 1918, in de naweeën van de Eerste Wereldoorlog: 'Besmette 25-jarigen bleken veel gemakkelijker te sterven aan de gevolgen van een overdreven reactie van hun immuunsysteem op het virus, mogelijk omdat hun lichaam ervan uitging dat ze besmet waren met een coronavirus waar ze als kind op het einde van de negentiende eeuw mee te maken hadden gekregen. Dat kan een effect hebben gehad op de ontwikkeling van hun afweer. Een foute inschatting van de afweer kan fatale gevolgen hebben. Besmette 15- en 45-jarigen overleefden toen gemakkelijker, omdat ze minder leden aan de gevolgen van kruisimmuniteit, want hun afweer was als kind niet gefocust geraakt op dat oorspronkelijke coronavirus.' Kruisimmuniteit tegen andere coronavirussen kan er nu eventueel toe leiden dat de groepsimmuniteit tegen het nieuwe coronavirus laag blijft, want er hoeven dan geen speciale antistoffen tegen het nieuwe virus ontwikkeld te worden. Maar het is ook mogelijk dat de verspreiding van het virus veel sterker dan aangenomen afhangt van zogenaamde superverspreiders die verhoudingsgewijs veel mensen besmetten, waardoor de ziekte geclusterd voorkomt. Een overzichtsartikel in Science wees op die mogelijkheid. Veruit de meeste besmette personen besmetten niemand anders. Ongeveer 10 procent van de besmette mensen zou 80 procent van de nieuwe besmettingen veroorzaken. Het grootste deel van de besmettingen gebeurt binnen: liefst 19 keer meer dan buiten. Mogelijk zijn verschillen in de individuele besmettingscapaciteit mee toe te schrijven aan de manier van ademhalen, waardoor sommigen meer virusdeeltjes uitblazen dan anderen. 'Biologische processen vallen sowieso moeilijk te voorspellen', stelt Molenberghs. 'We weten wel dat veel epidemieën in cyclussen van twee of vier tot zeven jaren komen, dus dat kan ook nu het geval zijn. Omdat we het nog niet weten, moeten we proberen zo veel mogelijk winst te puren uit eenvoudige en relatief pijnloze maatregelen. Het dragen van mondmaskers buitenshuis kan helpen om de verspreiding van het virus te beperken. Gedragsveranderingen zoals blijvend voldoende afstand van elkaar houden en geen handen of kussen meer geven bij een ontmoeting, kunnen een groot verschil maken.' Het virus verspreidt zich gestaag over de wereld. Ondanks de goede resultaten in delen van Azië en Europa blijft het aantal besmettingen globaal stijgen. Het brandpunt van de pandemie ligt nu in Amerika. In de Verenigde Staten, met hun chaotische bestuur, zullen er op het einde van de zomer meer dan 200.000 coronadoden te betreuren zijn. Maar vooral Brazilië stevent af op een regelrechte ramp, omdat er mogelijk nog slechter wordt bestuurd dan in de VS. Er zijn signalen dat de situatie ook in India desastreus wordt. In Afrika blijft het effect vooralsnog bescheiden. Een klein maar goed georganiseerd land als Rwanda heeft dankzij strenge maatregelen vanaf het begin nog geen enkele coronadode te betreuren. Molenberghs waarschuwt ervoor dat er niet uitsluitend naar het aantal vermeden doden mag worden gekeken om het effect van de maatregelen te evalueren: 'Veel patiënten die de virale aanval overleefden, zullen hun leven lang afhankelijk blijven van medische zorg. Sommigen zullen nieuwe longen nodig hebben of niet meer zonder nierdialyse kunnen. Ik verwacht momenteel trouwens meer heil van efficiënte geneesmiddelen dan van een vaccin. Als je met medicatie kunt vermijden dat zieke mensen op de afdeling intensieve zorg terechtkomen, kun je veel leed vermijden dat anders grotendeels verborgen zou blijven door de sterke focus op het verminderen van het aantal overlijdens. Vermijden dat mensen zwaar ziek worden is even belangrijk als vermijden dat mensen sterven.' Her en der in de wereld, van de Chinese hoofdstad Peking tot Amerikaanse staten zoals Florida, duiken nieuwe golven van het virus op. Het gebeurt vooral op plekken waar het in eerste instantie onder controle was gebracht, maar waar al snel laksheid tegenover de eenvoudige maatregelen optrad - wat ook bij ons al merkbaar is. 'Gewoon doen zoals vroeger impliceert dat het virus weer de kop kan opsteken', benadrukt Molenberghs. 'We hebben geen enkele garantie dat het ergste leed geleden is.' Molenberghs ziet heil in aparte beslissingen voor aparte generaties: 'We zullen dat systeem niet per se hoeven op te leggen, maar we zullen er toch op mogen rekenen dat mensen zichzelf beschermen op basis van de risico's die ze zelf denken te lopen. Dat moeten we goed uitleggen. Mensen stellen zich doorgaans voorzichtiger op als ze ouder zijn, of onderliggende aandoeningen hebben die de kans op complicaties na een besmetting met het coronavirus bevorderen. Het helpt natuurlijk als anderen daar rekening mee houden. Een achttienjarige zal het best geen te intens contact met zijn of haar oma hebben. Veel van wat er op ons afkomt, zal afhangen van het gezond verstand van de mensen.'