Voor alle 100 jobs die er in de EU-28 waren in 2007, waren er nog 97,5 in 2013. Voor elke 100 werkuren die er waren in 2007, waren er in 2013 nog zo'n 95. Het aantal werkuren is dus, relatief gezien, sterker gedaald dan het aantal jobs na de crisis van 2008. En dat verschil heeft zich doorgezet in het herstel. Rond 2015 zat de EU terug op het 2007 niveau qua jobs. Maar in termen van werkuren zaten we pas in 2018 op het niveau van 2007.

Wat wil dit zeggen? Dat er na de financiële crisis van 2008 een serieuze oefening in werkherverdeling is gebeurd. Gemiddeld gezien worden er minder uren per job gewerkt. Of anders gezegd, met hetzelfde aantal gewerkte uren bestonden er in 2018 een stuk meer jobs dan in 2007.

De kortere werkweek komt er, de vraag is enkel hoe?

De kans is groot dat we in de nasleep van de coronacrisis eenzelfde scenario zullen zien. Momenteel is er nog maar een beperkte stijging van de werkloosheid omdat de systemen van tijdelijke werkloosheid overuren draaien. Maar dat een stijging eraan zit te komen, lijkt een vaststaand gegeven. Vele bedrijven hebben al herstructureringen aangekondigd en vele andere gebruiken de zomer om de plannen concreet uit te werken. De Nationale Bank voorspelt een stijging van de Belgische werkloosheidsgraad van 5,4% in 2019 naar 8,3% in 2021. Qua werkgelegenheid dreigt de herfst bloedrood te gaan kleuren.

Daarnaast kan de coronacrisis zorgen voor een grote sprong voorwaarts in de digitalisering. De technologie is klaar en het massale thuiswerk, de groei in de e-commerce en de nood aan het houden van een fysieke afstand is een veel grotere 'disruptie' dan Uber, Airbnb, Deliveroo en Amazon tot nu toe samen hebben kunnen waarmaken.

Het lijkt dus waarschijnlijk dat we opnieuw zullen zien wat we in 2008 hebben gezien: het uit elkaar groeien van de curve 'werkgelegenheid' en de curve 'arbeidsuren'. Je mag er voor of tegen zijn, maar een arbeidsherverdeling en arbeidsduurvermindering lijkt in de sterren te staan geschreven.

Laten begaan of richting geven?

De vraag is dus niet óf de arbeidsduur gaat verminderen, maar wel hoe. En of we moeten laten begaan of vorm moeten geven aan de herverdeling.

De eerste optie is wat we gezien hebben in de nasleep van de 2008 crisis: laten begaan. Dat betekent een gemiddelde daling van de werkweek die vooral te verklaren is door een stijging van het aantal deeltijds werkenden. Tussen 2005 en 2019 steeg het aandeel deeltijds werkenden in de EU-28 met 2 procentpunten en in de EU-15 met 3 procentpunten.

Is dat een probleem? In principe zou dat geen probleem zijn als deeltijds werk op alle vlakken evenwaardig is met voltijds werk en uitgaat van een duidelijke keuze van de werknemer. Dat is helaas niet het geval. Deeltijds werk gaat samen met gemiddeld lagere lonen (zowel omdat er minder uren gewerkt worden, maar het loon per gewerkt uur ligt ook gemiddeld lager), minder carrièrekansen en minder zekere jobs en minder opbouw van pensioenrechten. Ongeveer een vierde van de deeltijds werkenden doet het omdat ze geen voltijdse job hebben kunnen vinden, en een nog veel grotere groep omdat ze zorgtaken hebben die hen beletten om een voltijdse job aan te nemen.

En als kers op de taart is er een duidelijk genderonevenwicht in de opname van deeltijdse jobs. Van alle vrouwen die werken in de EU-28 doet een derde dat in een deeltijdse betrekking in vergelijking met minder dan 10% van alle mannen.

Met (g)een beleid van laten begaan dreigt de onvermijdelijke arbeidsduurvermindering dus bestaande ongelijkheden te vergroten, eerder dan ze te verminderen. Mooi is anders.

Dus moeten we denken aan een organisatie van de arbeidsduurvermindering. Dat kan via verschillende strategieën. Die sectoren die voor langere termijn de gevolgen van de corona crisis dreigen te voelen (denk aan toerisme, luchtvaart en horeca) kunnen denken aan het op sector or ondernemingsniveau defensief invoeren van arbeidsduurverminderingen om ontslagen te vermijden. Ontsla de uren, niet de mensen. In overleg, met de nodige compensaties en nadat alternatieven zoals tijdelijke werkloosheid zijn uitgeput.

In andere sectoren waarin digitalisering ervoor zorgt dat veel meer kan gebeuren met minder mensen moeten, in de lijn met ons sociaal contract, de productiviteitswinsten verdeeld worden over werkgevers en werknemers. Sectoraal onderhandelde arbeidsduurverminderingen zijn hier aan de orde en in het buitenland ook gerealiseerd.

In die sectoren waarin een voltijdse werkweek ofwel onhaalbaar is (denk aan de schoonmaaksector) of ernstige gezondheidsrisico's inhoudt (denk aan de veiligheidssector) moet er ook nagedacht worden over arbeidsweken op mensenmaat. Aangezien deze diensten moeilijk te delokaliseren vallen kunnen daar op sectorniveau afspraken rond gemaakt worden zoals in Nederland.

Over alle sectoren heen moet een verlaging van de arbeidstijd als een neutralere keuze gezien worden. Momenteel worden werknemers vooral ervaren als minder gemotiveerd als ze kiezen om hun uren naar beneden te halen. In het buitenland wordt druk geëxperimenteerd met het collectief geven van de keuze aan werknemers tussen een loonsverhoging of een (al of niet) evenredige vermindering van de arbeidsuren. Zo zou je om de zoveel jaren moeten kiezen: enkele procenten extra loon, of een beetje minder werken per week, of enkele vakantiedagen extra. Door deze keuze collectief aan te bieden, gedekt door een collectieve arbeidsovereenkomst zou je kunnen hopen dat er meer evenredig gebruikt van gemaakt wordt en de bijwerkingen beperkt blijven.

Als de huidige 'grootste crisis sinds' iets kan leren van de vorige 'grootste crisis sinds', dan is het wel dat een arbeidsherverdeling en arbeidsduurvermindering in de sterren geschreven lijken te staan. In plaats van te laten begaan, moeten we de vermindering proberen te organiseren om een eerlijkere verdeling te krijgen van het werk en al de voordelen die daarmee gepaard gaan. De vraag die zich opdringt is of we die vermindering gaan aangrijpen om bestaande ongelijkheden te verminderen, of dat we zullen laten begaan met het risico ongelijkheden te versterken.

Stan De Spiegelaere is senior researcheraan het Europees Vakbondsinstituut (ETUI), gastprofessor aan de UGent en kernlid van denktank Minerva.

Voor alle 100 jobs die er in de EU-28 waren in 2007, waren er nog 97,5 in 2013. Voor elke 100 werkuren die er waren in 2007, waren er in 2013 nog zo'n 95. Het aantal werkuren is dus, relatief gezien, sterker gedaald dan het aantal jobs na de crisis van 2008. En dat verschil heeft zich doorgezet in het herstel. Rond 2015 zat de EU terug op het 2007 niveau qua jobs. Maar in termen van werkuren zaten we pas in 2018 op het niveau van 2007. Wat wil dit zeggen? Dat er na de financiële crisis van 2008 een serieuze oefening in werkherverdeling is gebeurd. Gemiddeld gezien worden er minder uren per job gewerkt. Of anders gezegd, met hetzelfde aantal gewerkte uren bestonden er in 2018 een stuk meer jobs dan in 2007. De kans is groot dat we in de nasleep van de coronacrisis eenzelfde scenario zullen zien. Momenteel is er nog maar een beperkte stijging van de werkloosheid omdat de systemen van tijdelijke werkloosheid overuren draaien. Maar dat een stijging eraan zit te komen, lijkt een vaststaand gegeven. Vele bedrijven hebben al herstructureringen aangekondigd en vele andere gebruiken de zomer om de plannen concreet uit te werken. De Nationale Bank voorspelt een stijging van de Belgische werkloosheidsgraad van 5,4% in 2019 naar 8,3% in 2021. Qua werkgelegenheid dreigt de herfst bloedrood te gaan kleuren.Daarnaast kan de coronacrisis zorgen voor een grote sprong voorwaarts in de digitalisering. De technologie is klaar en het massale thuiswerk, de groei in de e-commerce en de nood aan het houden van een fysieke afstand is een veel grotere 'disruptie' dan Uber, Airbnb, Deliveroo en Amazon tot nu toe samen hebben kunnen waarmaken.Het lijkt dus waarschijnlijk dat we opnieuw zullen zien wat we in 2008 hebben gezien: het uit elkaar groeien van de curve 'werkgelegenheid' en de curve 'arbeidsuren'. Je mag er voor of tegen zijn, maar een arbeidsherverdeling en arbeidsduurvermindering lijkt in de sterren te staan geschreven.De vraag is dus niet óf de arbeidsduur gaat verminderen, maar wel hoe. En of we moeten laten begaan of vorm moeten geven aan de herverdeling. De eerste optie is wat we gezien hebben in de nasleep van de 2008 crisis: laten begaan. Dat betekent een gemiddelde daling van de werkweek die vooral te verklaren is door een stijging van het aantal deeltijds werkenden. Tussen 2005 en 2019 steeg het aandeel deeltijds werkenden in de EU-28 met 2 procentpunten en in de EU-15 met 3 procentpunten. Is dat een probleem? In principe zou dat geen probleem zijn als deeltijds werk op alle vlakken evenwaardig is met voltijds werk en uitgaat van een duidelijke keuze van de werknemer. Dat is helaas niet het geval. Deeltijds werk gaat samen met gemiddeld lagere lonen (zowel omdat er minder uren gewerkt worden, maar het loon per gewerkt uur ligt ook gemiddeld lager), minder carrièrekansen en minder zekere jobs en minder opbouw van pensioenrechten. Ongeveer een vierde van de deeltijds werkenden doet het omdat ze geen voltijdse job hebben kunnen vinden, en een nog veel grotere groep omdat ze zorgtaken hebben die hen beletten om een voltijdse job aan te nemen. En als kers op de taart is er een duidelijk genderonevenwicht in de opname van deeltijdse jobs. Van alle vrouwen die werken in de EU-28 doet een derde dat in een deeltijdse betrekking in vergelijking met minder dan 10% van alle mannen.Met (g)een beleid van laten begaan dreigt de onvermijdelijke arbeidsduurvermindering dus bestaande ongelijkheden te vergroten, eerder dan ze te verminderen. Mooi is anders.Dus moeten we denken aan een organisatie van de arbeidsduurvermindering. Dat kan via verschillende strategieën. Die sectoren die voor langere termijn de gevolgen van de corona crisis dreigen te voelen (denk aan toerisme, luchtvaart en horeca) kunnen denken aan het op sector or ondernemingsniveau defensief invoeren van arbeidsduurverminderingen om ontslagen te vermijden. Ontsla de uren, niet de mensen. In overleg, met de nodige compensaties en nadat alternatieven zoals tijdelijke werkloosheid zijn uitgeput.In andere sectoren waarin digitalisering ervoor zorgt dat veel meer kan gebeuren met minder mensen moeten, in de lijn met ons sociaal contract, de productiviteitswinsten verdeeld worden over werkgevers en werknemers. Sectoraal onderhandelde arbeidsduurverminderingen zijn hier aan de orde en in het buitenland ook gerealiseerd. In die sectoren waarin een voltijdse werkweek ofwel onhaalbaar is (denk aan de schoonmaaksector) of ernstige gezondheidsrisico's inhoudt (denk aan de veiligheidssector) moet er ook nagedacht worden over arbeidsweken op mensenmaat. Aangezien deze diensten moeilijk te delokaliseren vallen kunnen daar op sectorniveau afspraken rond gemaakt worden zoals in Nederland.Over alle sectoren heen moet een verlaging van de arbeidstijd als een neutralere keuze gezien worden. Momenteel worden werknemers vooral ervaren als minder gemotiveerd als ze kiezen om hun uren naar beneden te halen. In het buitenland wordt druk geëxperimenteerd met het collectief geven van de keuze aan werknemers tussen een loonsverhoging of een (al of niet) evenredige vermindering van de arbeidsuren. Zo zou je om de zoveel jaren moeten kiezen: enkele procenten extra loon, of een beetje minder werken per week, of enkele vakantiedagen extra. Door deze keuze collectief aan te bieden, gedekt door een collectieve arbeidsovereenkomst zou je kunnen hopen dat er meer evenredig gebruikt van gemaakt wordt en de bijwerkingen beperkt blijven. Als de huidige 'grootste crisis sinds' iets kan leren van de vorige 'grootste crisis sinds', dan is het wel dat een arbeidsherverdeling en arbeidsduurvermindering in de sterren geschreven lijken te staan. In plaats van te laten begaan, moeten we de vermindering proberen te organiseren om een eerlijkere verdeling te krijgen van het werk en al de voordelen die daarmee gepaard gaan. De vraag die zich opdringt is of we die vermindering gaan aangrijpen om bestaande ongelijkheden te verminderen, of dat we zullen laten begaan met het risico ongelijkheden te versterken. Stan De Spiegelaere is senior researcheraan het Europees Vakbondsinstituut (ETUI), gastprofessor aan de UGent en kernlid van denktank Minerva.