Duizenden afgedankte knuffeldieren bevolken het atelier van Charlemagne Palestine in de Brusselse gemeente Evere. Hij ziet er godheden in, of sjamanistische totemsculpturen. Tijdens concerten en performances gaan ze mee het podium op, in zijn installaties spelen ze de hoofdrol. Als we opmerken dat zijn godheden er eenzaam uitzien, ondanks hun overtal, reageert hij met een gekke lach. 'Zijn we niet allemaal een beetje eenzaam? Nu, die dieren zijn wat ze zijn. Ik neem er geen standpunt mee in. Ik heb geen credo. Ik doe wat ik doe.'
...

Duizenden afgedankte knuffeldieren bevolken het atelier van Charlemagne Palestine in de Brusselse gemeente Evere. Hij ziet er godheden in, of sjamanistische totemsculpturen. Tijdens concerten en performances gaan ze mee het podium op, in zijn installaties spelen ze de hoofdrol. Als we opmerken dat zijn godheden er eenzaam uitzien, ondanks hun overtal, reageert hij met een gekke lach. 'Zijn we niet allemaal een beetje eenzaam? Nu, die dieren zijn wat ze zijn. Ik neem er geen standpunt mee in. Ik heb geen credo. Ik doe wat ik doe.' Vanaf vrijdag 18 mei bezet Palestine, die in 1947 in Brooklyn ter wereld kwam als Chaim Moshe Tzadik Palestine, drie maanden lang de Brusselse kunsttempel. U zult zich er kunnen vergapen aan installaties met 's mans pluchen godheden, foto's, schilderijen, geluidsinstallaties, drie performances en zijn baanbrekende videokunstwerken. Maar durf die expo geen retrospectieve te noemen. 'Die zijn er voor artiesten die afgedaan hebben. Ik zie dat collega's als Marina Abramovic er een krijgen. Zij is misschien uitgezongen - maar ik nog niet! (lacht) Daarom heb ik voor Bozar de Engelse term ' a retrospective' een Jiddische draai gegeven en bizar gemaakt, door letters te verdubbelen. Het is nu AA SSCHMMETTRROOSSPPECCTIVVE. Dat woord suggereert hoogstens dat ik een beetje gek ben, niet dat mijn laatste hoofdstuk geschreven is.' Op vraag van striplegende Hergé pakte Palestine het Paleis voor Schone Kunsten (PSK) in 1974 al eens in. 'Voor hij zich wegens een bloedziekte terugtrok uit het openbaar leven, was Hergé een actieve kunstverzamelaar met een voorliefde voor performance en mediakunst. Hij en PSK-directeur Karel Geirlandt bezochten verschillende artiesten in New York, onder wie Dennis Oppenheim en mezelf. Ze vroegen of ik het nieuwe cultuurjaar in Brussel met een performance wilde inzetten. Ik kende Keulen en Parijs, en ik wist: Brussel ligt daartussenin. Meer niet. Van Kuifje had ik nog nooit gehoord.' Palestine: 'Ik overtuigde hen om me in de Hortahal te laten optreden, en niet in de Grote Zaal Henry Le Boeuf. In klassieke concertzalen komt mijn muziek niet tot zijn recht: ze hebben een te goede akoestiek en zijn te clean. En zo kwam het dat ik, in de Hortahal in '74, drie uur aan een stuk heb gespeeld. Jarenlang zijn mensen me over die performance blijven aanspreken. Zelf herinner ik me vooral dat de hoteluitbater toen gechoqueerd was omdat ik twee vriendinnen meenam naar mijn kamer - de hippietijd was nog niet helemaal voorbij.' Op zijn achtste zong Charlemagne Palestine in het koor van de synagoge in Brooklyn, als tiener bespeelde hij de beiaard van de Sint-Thomaskerk in Manhattan, naast het Museum of Modern Art. Tussen de hymnes door waagde hij zich er aan experimentele klanktapijten. Muzikant en cineast Tony Conrad wist niet wat hij hoorde en introduceerde de jongeling in de New Yorkse avant-gardescene. In de jaren zestig en zeventig begon Palestine een zoektocht naar de ultieme sound. Hij geselde de eerste synthesizers, vergreep zich aan beiaards en orgels, experimenteerde met magnetische banden en oscillatoren, en brutaliseerde de Imperial Bösendorfer, een piano die acht octaven bereikt. Met zijn zogenoemde strumming-muziek maakte hij al gauw furore. Hij bleef dezelfde twee noten herhalen tot de trance erop volgde. Tijdens urenlange concerten/performances zocht hij de uitputting op. Soms droop het bloed van zijn handen. 'Ik ben een body artist. Wat ik ook doe, het komt niet uit mijn brein of bewustzijn voort maar uit mijn lichaam.' Zijn radicaliteit en exuberantie onderscheiden hem van bevriende kunstenaars die ook experimenteren met repetitieve muziek, maar ze schrikken ook af. Minimalisten als Philip Glass zouden de avant-garde ontgroeien, Palestine deed dat niet. 'Ik wilde wel "uitverkopen", maar ik wist niet hoe', zegt hij lachend. 'Een groot deel van mijn leven heb ik financieel in de rats gezeten. Ik herinner me het nog g,oed: Paul Sharits (een experimentele filmmaker uit New York, nvdr.) en ik noemden elkaar "dingo's", omdat we een even waanzinnige blik hadden als die Australische wilde hond en even hongerig waren naar een stuk vlees.' Eind jaren negentig keerde het tij. 'Er kwam een nieuwe generatie curatoren en kunstenaars aan zet (onder wie de muzikanten van Sonic Youth, nvdr.) die me veel beter gezind was. Die generatie begrijpt me beter dan ik mezelf begrijp. Sindsdien krijg ik toegang tot plekken waar ze vroeger neerkeken op artiesten zoals ik. Ik prijs me gelukkig dat ik dit nog mag meemaken.' Charlemagne Palestine woont al bijna twintig jaar in Brussel. Hij is getrouwd met Aude Stoclet, een van de eigenaars van het Stocletpaleis, de door de Weense architect Josef Hoffman ontworpen villa die op de Werelderfgoedlijst van Unesco staat. 'Elf jaar geleden heeft Aude geholpen met de aankoop van deze loods.' Dat Palestine zou verbrusselen, voorspelde Fanny Rodwell, Hergé's weduwe, veertig jaar geleden al. 'Voor hij ziek werd kwam Hergé naar al mijn performances. Volgens Fanny had een ouijabord gezegd dat ik het goed had in België en dat dat zo zou blijven. Het bord zou gelijk krijgen. Ik ben al aan het onderhandelen over de graftombe voor mijn vrouw en ik. In navolging van Marcel Broodthaers wil ik die zelf ontwerpen; ze moet een plaats krijgen op het kerkhof van Elsene. Aan de Joodse begraafplaats in New York, waar mijn familie rust, moet je een halfuur aanschuiven voor een schamele koffie of een hamburger. Het kerkhof van Elsene wordt geflankeerd door gezellige restaurants zoals La Mirabelle en La Bastoche. Na mijn dood, als geest, zal ik maar over het hek hoeven te klimmen om daar aan mijn trekken te komen. Wie had gedacht dat deze jongen uit Brooklyn de eeuwigheid in Brussel zou doorbrengen?'