In 1885 kroonde Leopold II zichzelf tot koning van Kongo-Vrijstaat. Na lange diplomatieke onderhandelingen kreeg hij daarvoor de toestemming van de Verenigde Staten en de toenmalige Europese grootmachten. Het echte werk moest echter nog beginnen: het innemen van Congo, een kolonie ter grootte van West-Europa. Stap voor stap verkenden en bezetten militaire expedities het toen nog grotendeels onbekende territorium. Dat ging gepaard met zware gevechten. Niet alle lokale heersers bogen vrijwillig het hoofd voor de kolonisator. De veroveringsoorlogen maakten veel slachtoffers aan beide kanten.

De bekendste oorlog is die van de Vrijstaat tegen de Swahili. Aanvankelijk had de pasgeboren Vrijstaat had nog niet de middelen om heel Oost-Congo te veroveren en te besturen. Daarom sloot Leopold een bondgenootschap met ivoor- en slavenhandelaars aan de Swahilikust. Zij controleerden het oostelijke deel van Congo. De koning benoemde een van hun leiders, Tippo Tip, tot gouverneur van Oost-Congo. Het duurde niet lang voor de relatie tussen de Vrijstaat en de Swahili verzuurde. Van 1892 tot 1894 voerden de twee partijen een bloedige strijd. Leopolds troepen zegevierden. Tienduizenden soldaten en burgers sneuvelden.

Niet alleen het strijdgewoel eiste mensenlevens. Leopolds veroveringsexpedities bestonden uit een handvol blanke officieren en een paar honderd Congolese soldaten. In hun kielzog volgden soms wel een duizendtal dragers die het proviand, de wapens en de uitrusting van de militaire colonne vervoerden. Overal waar ze doortrokken, richtten de oorlogskaravanen enorme schade aan. Het waren plundermachines met een onstilbare honger naar voedsel en oorlogsbuit - vaak ivoor. Ze namen met geweld wat ze nodig hadden, ook mensen. Dragers waren vaak slaven of krijgsgevangenen die onder dwang voor de Vrijstaat werkten. Dagenlang sleepten ze zware ladingen met zich mee. Als ze niet konden volgen, kregen ze zweepslagen of werden ze gedood. Velen stierven van uitputting.

De Force Publique trekt ten strijde tegen de Batetela. © HP.1952.62.60, collectie KMMA Tervuren; foto A. Doorme, s.d.

De oorlogen stopten nooit. De Force Publique - het koloniale leger - was voortdurend op pad om opstanden neer te slaan. Bovendien kwamen Leopolds slecht behandelde Afrikaanse soldaten geregeld in opstand. Gedeserteerde compagnieën trokken vervolgens plunderend door het land. Ook die tegenstand moest de kolonisator de kop indrukken. Zo duurde het bijvoorbeeld jaren voordat de Vrijstaat de zogenaamde Batetelarevolte onder controle kreeg. Tussen 1895 en 1898 rebelleerden duizenden soldaten van de Tetelaetnie. De muiters zetten heel Oost-Congo in rep en roer.

Terreur zaaien, rubber oogsten

Het verkennen en bezetten van Congo kostte fortuinen. Het immense rivierbekken besturen was nog veel kostelijker. De koning en zijn secretarissen deden er alles aan om de koloniale uitgaven tot een minimum te beperken. Tevergeefs. In de jaren 1890 moest de Vrijstaat zo snel mogelijk op zoek naar inkomsten. Leopold betaalde immers alles uit eigen zak en verdronk in de schulden.

Congo kende geen monetaire economie zoals in Europa. Mensen betaalden met schelpen, textiel of koperen ringen en kruisjes. Daar had de Vrijstaat niets aan. Leopold had franken, marken, guldens of ponden nodig om zijn koloniale administratie te doen draaien. Als oplossing inde de Vrijstaat een rubberbelasting. Elke Congolees moest een bepaalde hoeveelheid rubber betalen aan de koloniale overheid. Dat rubber verkocht de Vrijstaat aan groothandelaars in Antwerpen. Zo kwam er geld in het koloniale laatje.

Boven op de inkomsten van de rubberverkoop kon de koloniale schatkist rekenen op de jaarlijkse dividenden van concessiemaatschappijen. Leopold gaf een paar bedrijven het monopolie op de rubberhandel in reusachtige domeinen. Sommige concessies waren bijna zo groot als Frankrijk. Een rubbermonopolie betekende dat Congolezen enkel aan de concessiebedrijven rubber mochten verkopen. Als enige inkoper konden de maatschappijen veel te lage prijzen betalen aan de Congolese producenten. Daardoor maakten ze grote winsten. In ruil voor het rubbermonopolie stonden de maatschappijen de helft van hun winst af aan de Vrijstaat. Voor Leopold was dat een bijzonder voordelige situatie. Grote delen van zijn kolonie brachten veel geld op zonder dat zijn administratie er moeite voor hoefde te doen. De concessiebedrijven deden al het werk en droegen het merendeel van de kosten.

Rubber wordt afgetapt van lianen en moet daarna drogen. © AP.0.0.301, collectie KMMA Tervuren; foto F.L. Michel, 1897

Rubber oogsten was een bijzonder zware en tijdrovende taak. De Congolezen moesten diep de jungle in trekken op zoek naar rubberlianen. Ze moesten inkepingen maken in de planten, het sap opvangen en wachten tot het stolde tot rubber. Daarna moesten ze met hun zware oogst naar de dichtstbijzijnde staats- of bedrijfspost lopen, vaak tientallen kilometers verder. Tijdens het hele oogstproces waren ze blootgesteld aan alle gevaren van de jungle. Roofdieren en giftige insecten of reptielen maakten veel slachtoffers. Ondertussen kon de bevolking niet op het veld werken of vissen en jagen. Geen wonder dat weinig Congolezen vrijwillig een rubberbelasting betaalden aan de Vrijstaat. Ook voor een habbekrats je rubberoogst verkopen aan een concessiebedrijf was niet erg aantrekkelijk. Zeker als je bedenkt dat rubber door overexploitatie steeds schaarser werd.

Geketende gevangenen in Basoko. © Wikimedia Commons

Rubber oogsten was bijzonder onpopulair bij de Congolezen. De kolonisator moest geweld gebruiken om de bevolking te overtuigen. In praktijk ging dat als volgt. Een koloniale ambtenaar of werknemer van een concessiemaatschappij legde quota op aan de dorpen in de buurt van zijn post. Vaak konden de lokale inwoners niet op tijd voldoende rubber leveren. Een groep soldaten moest hen dan 'aan hun plicht herinneren'. Vaak werd een deel van de inwoners gekidnapt en pas vrijgelaten als hun dorpsgenoten een losgeld in rubber betaalden. Het platbranden van huizen en het executeren, folteren, verminken of verkrachten van mensen diende als waarschuwing voor anderen.

De Vrijstaat en de rubberbedrijven gebruikten op grote schaal geweld tegen de Congolese bevolking. Platgebrande dorpen, verkrachtingen, verminkingen, moordpartijen, razzia's, ... Alle middelen leken toegestaan om de koloniale honger naar rubber te stillen. Waren alle koloniale ambtenaren en concessieagenten dan sadisten? Het antwoord is complexer. Leopolds schatkist was leeg. De koning had zo snel mogelijk geld nodig. De rubberbedrijven wilden winst maken. Zowel de overheid als de rubbersector betaalden hun personeelsleden een provisie per kilogram rubber die ze ophaalden. Bovendien hingen promoties en overplaatsingen naar betere posten af van het behalen van rubberquota. Voor de ambtenaren en bedrijfswerknemers was er dus maar één ding van belang: zoveel mogelijk rubber innen. Bovendien zagen veel kolonialen de Congolezen als een minderwaardig en lui ras. Congolezen waren geen volwaardige mensen en konden daarom als beesten behandeld worden.

Cartoons klaagden het plunderbewind van Leopold II aan. © Wikimedia Commons

De lokale bevolking had niet alleen onder het geweld van koloniale ambtenaren en concessiewerknemers te lijden. Minstens even erg waren hun Congolese handlangers. De Vrijstaat en de rubbermaatschappijen hadden een tweehonderdtal posten langs de bevaarbare rivieren en hoofdwegen. In die stations zaten telkens een paar Europeanen met een tiental Afrikaanse soldaten. In hun eentje konden die kleine groepjes nooit de omliggende gebieden controleren. Daarom schakelden de Vrijstaat en de concessiebedrijven duizenden Congolese tussenpersonen in om rubber te oogsten. Vaak ging het om chefs, lokale krijgsheren of soldaten die tot de komst van de Europeanen actief waren geweest in de slavenhandel. In plaats van slaven te roven of op te eisen, persten ze voortaan rubber af in naam van de kolonisator. Hun gewelddadige technieken bleven hetzelfde.

Het einde van de gruwelen

Het geweld dat de Vrijstaat en de concessiemaatschappijen gebruikten om het oogsten van rubber af te dwingen, deed hen op lange termijn de das om. De Congolese bevolking verzette zich steeds heftiger tegen de koloniale uitbuiting. De ergste wandaden vonden plaats in de concessies van de Anglo-Belgian India Rubber Company en de Société anversoise du commerce au Congo, gelegen in het Mongala- en het Maringa-Lopori-bekken. Het is in de territoria van die twee bedrijven dat mensen de hand afgehakt werden als ze onvoldoende rubber oogstten. Steeds vaker kwam de bevolking in opstand. Met de hulp van de Force Publique smoorden de concessiemaatschappijen het verzet bloedig in de kiem. Na een decennium van wanpraktijken en plundering was de dreiging voor een algehele rebellie echter zo groot dat de Vrijstaat geen andere optie zag dan het bestuur in beide concessies over te nemen. Leopold zette de rubberproductie noodgedwongen stop.

Niet iedereen had het lef en de middelen om het op te nemen tegen de tot de tanden gewapende soldaten van de Vrijstaat en de rubberbedrijven. In plaats van te strijden voor hun vrijheid vluchtten veel Congolezen weg. Weg van de Vrijstaat en de concessiemaatschappijen. Vaak verscholen ze zich diep in de jungle. Anderen staken de grens over naar Engels, Frans, Portugees of Duits gebied. Het maakte niet uit. Overal waren ze veiliger. Het toenemende aantal vluchtelingen was op lange termijn catastrofaal voor het rubberregime van de Vrijstaat. Op veel plaatsen hadden de staat of de rubberbedrijven niemand meer die ze konden dwingen om rubber te oogsten.

Niet iedereen kon vechten of vluchten. De Congolezen die niet aan de kolonisator konden ontsnappen, waren bijzonder inventief. Vaak verwerkten ze zand en steentjes in het gedroogde rubber. Zo dreven ze het gewicht kunstmatig op en moesten ze minder rubber oogsten. Die praktijk was zo courant dat kopers in Antwerpen klaagden over de achteruitgang van de rubberkwaliteit. Veel Congolezen hakten ook de rubberlianen af. Zo konden ze sneller rubber oogsten maar vernietigden ze ook de plant. Daardoor was er in grote delen van Congo amper nog rubber te vinden aan het einde van Leopolds bewind.

In 1908 nam België de macht in Congo over. Van Leopolds kolonie schoot weinig over. Op veel plaatsen was de lokale bevolking in opstand gekomen. In andere gebieden was het grootste deel van de Congolezen gevlucht of dood. Het rubber was bijna op. De kwaliteit slecht. De productie werd steeds duurder. De overheid en de bedrijven moesten immers meer en meer soldaten inzetten en dat kostte tonnen geld. Het was duidelijk dat Leopolds plundersysteem geen lang leven meer was beschoren. Zodra de Belgische overheid aan het koloniale roer stond, probeerde ze het over een andere boeg te gooien.

Dit is het voorwoord van Congo - Meer dan een kolonie, een speciale uitgave van Knack Historia. Bestel de volledige editie hier.

In 1903 getuigt chef Moyo aan de Brit Roger Casement:

'Tien dagen hadden we nodig om twintig manden rubber te vullen. Als we te laat waren, werden we gedood. We moesten steeds dieper het bos in trekken om rubberlianen te vinden, zonder eten. Onze vrouwen moesten het verbouwen van onze velden en tuinen opgeven. Toen verhongerden we. Wilde dieren - de luipaarden - doodden sommigen onder ons als we werkten in het woud. Anderen stierven van ontbering en honger. We smeekten de blanken om ons met rust te laten ... Wanneer we faalden en niet genoeg rubber hadden, kwamen de soldaten naar onze dorpen en doodden ze ons. Velen werden doodgeschoten, sommigen werden de oren afgesneden, anderen werden vastgebonden en weggevoerd.'

Hoeveel slachtoffers heeft Leopold op zijn geweten?

Het is moeilijk om te schatten wat de exacte demografische impact was van decennia van koloniale oorlogen en rubberterreur. Er zijn momenteel geen betrouwbare cijfers over het aantal mensen dat in Kongo-Vrijstaat leefde voor de kolonisatie. We weten ook niet hoeveel mensen er stierven of uit Congo wegvluchtten door toedoen van Leopolds meedogenloze regime. Nog moeilijker te berekenen is het aantal kinderen dat niet geboren werd door de algehele crisis die de koloniale uitbuiting veroorzaakte. Hoewel enkele afgelegen regio's grotendeels gespaard bleven, was de omvang van de koloniale slachting zonder enige twijfel rampzalig. Leopolds regime liet reusachtige gebieden ontvolkt en vernield achter.