Is privacy passé? Mag alles, en zijn we gewend geraakt aan gulzige, data-hongerige computers? Wat blijft er nog over van onze privacy in de covidcrisis? Staten zetten overal ter wereld legers, politie, ambtenaren en drones in om de openbare ruimte te controleren, zowel fysiek als digitaal. Profiteren overheden van deze crisis om surveillance of massacontrole op hele bevolkingsgroepen te normaliseren? Wat als deze maatregelen permanent worden zodra de pandemie is verdwenen? Hoe zorgen we ervoor dat covid-19 geen nieuwe 9/11 wordt, een mijlpaal voor autoritaire staten en nieuwsgierige bedrijven?

Het zijn springlevende vragen die velen onder ons bezig houden. Recent verscheen nog een open brief van Egbert Lachaert en Patrick Dewael in De Morgen met een pleidooi voor een doordachte pandemiewet, het is een mooi signaal dat onze privacycultuur leeft. Gelukkig maar. In ons land pleit alvast geen enkele politieke partij expliciet tégen de privacy.

Eigenlijk verbaast dat nauwelijks. Onze privacyvrijheid ('Scherm ik me af of niet?', 'Leg ik contact met deze gelijkgestemde of niet?', 'Hoe vul ik mijn dagen in?') is veel te stevig verankerd in onze samenleving. Het begrip privacy werd door Engelstaligen in de negentiende eeuw geïnjecteerd in ons vocabularium, maar de geschiedenis van het begrip hoe we het vandaag kennen, gaat al eerder terug.

De eeuwenoude scheiding tussen de publieke en private ruimte staat op het spel.

In het meest primitieve menselijke gedrag zitten gedragselementen die met de nood aan privacy, afzondering en selectiviteit in verband kunnen gebracht worden. Denken we maar aan omgaan met pijn en rouw en de behoefte om soms even alleen te zijn. We zouden dat 'biologische privacy' kunnen noemen. Culturele gegenereerde privacy is van een latere datum. Schrijvers als Yuval Harari als Alvin Toffler beklemtonen allebei dat de stap naar de agrarische landbouw (zo'n 8.000 jaar voor onze tijdsrekening) zijn weerslag heeft gehad op gezinscultuur en individualiteit. Grond en gezin werden afgebakende units; prikkeldraad, huismuren en monogamie zorgen voortaan voor mein und dein-begrenzing. Nieuwe identiteiten onstaan die niet noodzakelijk samenvallen met de groepsidenteit.

De optimistische Toffler zag in de informatisering van de 1970's nog een andere, minstens even belangrijke culturele veranderingsgolf voor het gezinsleven: dankzij de steeds handigere technologie kwam er nog meer ruimte voor creativiteit, eigen invulling van het leven en keuzevrijheid (ook binnen het gezin).

De optelsom van deze twee cultuurgolven, -aangevuld met factoren zoals schrift, handel en democratie-, bepaalt nog steeds wat we belangrijk vinden, en waar we de grens leggen tussen het publieke en private domein. Heel onze Facebook-pagina is volgens deze oude domeinlogica gestructuureerd. Ouders moeten beleefd vragen om toegang tot de pagina van dochterlief te krijgen en het antwoord is niet zelden negatief. Het heeft me dan ook nooit verbaasd dat Mark Zuckerberg na wat onozele uitspraken ('privacy bestaat niet meer'), zich uiteindelijk toch wat herpakt lijkt te hebben en vandaag het belang van privacykeuzes onderstreept.

Onze sterke indentificering met de groep heeft plaatsgemaakt voor meer individualisme. De mensenrechten passen perfect in die verschuiving. Zaken zoals privacyvrijheid, vrijheid van meningsuiting en een verbod op discriminatie, hangen samen met een samenleving die vertrekt vanuit het individu en niet op absolute wijze onderschikking aan de groep eist. De Canadese hoogleraar Michael Ignatieff spreekt in dat verband over het moreel individualisme.

Mensenrechten hebben weinig oog voor groeps- of collectieve verschillen, maar focussen en beschermen het individu, niet om zijn of haar huidskleur of groeplidmaatschap, maar om het individueel karakter en gedrag. In zijn boek 'De rechtenrevolutie' hangt Ignatieff een heel positief beeld op over de geschiedenis en toekomst van de mensenrechten. Het individu wordt steeds beter beschermd en kan zich steeds beter ontplooien.

Tegelijk heeft Foucault ons ook gewaarschuwd voor dit soort verleidelijke onderdrukkings- en bevrijdingsverhalen. Privacy komt met een bepaalde samenleving en onstaat in een bepaalde context. Een andere context kan verklaren waarom privacy minder aanwezig is. Verwacht daarom niet te veel moderne privacy bij de laatste jager-verzamelaars diep in de bossen van Afrika, Azië en Zuid-Amerika. Het individu kan in deze groepen geen eersterangsrol krijgen (en zal die ook niet vragen), want buiten de groep is er weinig kans op overleven.

Dat privacy niet overal is, maar het belang ervan wel toeneemt in bepaalde samenlevingen, werd al zeer vroeg gezien door Benjamin Constant (1767-1830). Deze Zwitserse denker die actief in de Franse politiek bracht in een belangrijke lezing uit 1806 geen hoera-verhaal over privacy, maar wel een verhaal waarin de onvermijdelijkheid van privacy in onze Westerse cultuur centraal stond. Hij stelde vast dat het burgerschapmodel in de Griekse stadstaat -alle bewoners participeerden aan de politieke macht- in onze moderne samenleving finaal voorbij is.

Onder invloed van handel, nijverheid en de verdere ontwikkeling van het schrift heeft dat oude samenlevingsmodel plaats gemaakt voor een nieuw model, het 'tijdperk van de individuen'. Burgers hebben een privésfeer, waarin ze zichzelf naar eigen inzicht kunnen ontplooien en mogen doen en zeggen wat ze willen, ook al betekent dat zich terugplooien op het eigen gezin en niet deelnemen aan de politiek. De antieke vrijheid is iets heel anders en betekende in de eerste plaats het recht om als burger mee te doen aan politieke besluitvorming. De vrijheid zich terug te trekken in een privésfeer bestond wel, maar werd niet belangrijk geacht.

Constant onderstreept de onvermijdelijkheid van deze ontwikkeling. We kunnen niet anders dan 'modern' zijn, de oude Griekse mindset is gewoonweg niet meer aanwezig.

We stellen dan ook vast dat de betekenis van het begrip privacy door de jaren heen verandert. Ook vandaag zien we hoe politici, virologen, popdiva's onze ideeën mee beïnvloeden, en zorgen voor nieuwe accenten en veranderingen in privacybeleving. Het succes van deze privacy influencers is relatief en afhankelijk van onze wil en bereidheid om mee te veranderen. 'Als alle Russen een baard hebben, is het tè gek om een verbod in te stellen op baardgroei', schreef Montesquieu ooit.

Vele traditionele covid-maatregelen (politiecontroles, covid-huiszoekingen, avondklokken, ...) vormen een uitdaging voor de mensenrechten en de privacy. Op dit punt verwacht ik evenwel weerbaarheid en een zegevierend gezond verstand. Het juridisch kader en ons waardenstelsel zijn immers sterk. Ook politici hebben een tuin en ook zij wensen geen drone van de buurman in de lucht.

Problematischer zijn ontwikkelingen naar meer transparantie door onzichtbare surveillance. Gaan we nog wakker liggen van drones als die hoger gaan vliegen en onttrokken worden aan het menselijk oog? Nog problematischer is de sporen-verzamelende incasso-maatschappij: overheden en bedrijven die via electronische sporen, dossiers, fiches en profielen iemands hele identiteit kunnen samen leggen. Denken we verder ook aan het ANPR-beleid (bijhouden van nummerplaten) van de vorige minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon, en aan het gebruik van Proximus-data om 'samenloop' van tien wandelaars in het Zonieënwoud te verijdelen. Niet meer gluren, maar gewoon opvragen. De Canadese criminoloog Jean-Paul Brodeur merkte al op dat Contstants nachtmerrie van de transparantiemaatschappij geleidelijk wordt aangevuld met een nachtmerrie die de slaap niet schijnt te storen.

De robuustheid van privacy staat hier duidelijk op het spel. Zonder een nieuw vocabularium dat ons alert maakt voor deze spoorverzameltechnieken (die hun doel bereiken zonder intrusie of confrontatie) wordt de eeuwenoude scheiding tussen de publieke en private ruimte onderuit gehaald.

Het is een nachtmerrie die mensen wakker zou moeten houden.

In mijn college voor de Universiteit van Vlaanderen bespreek ik in dit verband de rol van het geloof, de boekdrukkunst, de uitkomst van de mislukte godsdienstoorlogen (religieuze inzichten kan je met het zwaard niet veranderen), de veranderende biechtpraktijken en de tot standkoming van een reeks instituten en juridische waarborgen zoals de post en het briefgeheim. Alle deze zaken hebben een rol gespeeld in de geschiedenis van privacy.

Deze geschiedenis is verre van passé. We ontsnappen niet aan privacy, het kleeft aan ons, we kunnen niet zonder, en we kunnen ons ook niet (meer) voorstellen dat er een zonder is, alhoewel we sommige nachtmerries wat meer aandacht moeten geven.

Is privacy passé? Mag alles, en zijn we gewend geraakt aan gulzige, data-hongerige computers? Wat blijft er nog over van onze privacy in de covidcrisis? Staten zetten overal ter wereld legers, politie, ambtenaren en drones in om de openbare ruimte te controleren, zowel fysiek als digitaal. Profiteren overheden van deze crisis om surveillance of massacontrole op hele bevolkingsgroepen te normaliseren? Wat als deze maatregelen permanent worden zodra de pandemie is verdwenen? Hoe zorgen we ervoor dat covid-19 geen nieuwe 9/11 wordt, een mijlpaal voor autoritaire staten en nieuwsgierige bedrijven? Het zijn springlevende vragen die velen onder ons bezig houden. Recent verscheen nog een open brief van Egbert Lachaert en Patrick Dewael in De Morgen met een pleidooi voor een doordachte pandemiewet, het is een mooi signaal dat onze privacycultuur leeft. Gelukkig maar. In ons land pleit alvast geen enkele politieke partij expliciet tégen de privacy. Eigenlijk verbaast dat nauwelijks. Onze privacyvrijheid ('Scherm ik me af of niet?', 'Leg ik contact met deze gelijkgestemde of niet?', 'Hoe vul ik mijn dagen in?') is veel te stevig verankerd in onze samenleving. Het begrip privacy werd door Engelstaligen in de negentiende eeuw geïnjecteerd in ons vocabularium, maar de geschiedenis van het begrip hoe we het vandaag kennen, gaat al eerder terug. In het meest primitieve menselijke gedrag zitten gedragselementen die met de nood aan privacy, afzondering en selectiviteit in verband kunnen gebracht worden. Denken we maar aan omgaan met pijn en rouw en de behoefte om soms even alleen te zijn. We zouden dat 'biologische privacy' kunnen noemen. Culturele gegenereerde privacy is van een latere datum. Schrijvers als Yuval Harari als Alvin Toffler beklemtonen allebei dat de stap naar de agrarische landbouw (zo'n 8.000 jaar voor onze tijdsrekening) zijn weerslag heeft gehad op gezinscultuur en individualiteit. Grond en gezin werden afgebakende units; prikkeldraad, huismuren en monogamie zorgen voortaan voor mein und dein-begrenzing. Nieuwe identiteiten onstaan die niet noodzakelijk samenvallen met de groepsidenteit. De optimistische Toffler zag in de informatisering van de 1970's nog een andere, minstens even belangrijke culturele veranderingsgolf voor het gezinsleven: dankzij de steeds handigere technologie kwam er nog meer ruimte voor creativiteit, eigen invulling van het leven en keuzevrijheid (ook binnen het gezin).De optelsom van deze twee cultuurgolven, -aangevuld met factoren zoals schrift, handel en democratie-, bepaalt nog steeds wat we belangrijk vinden, en waar we de grens leggen tussen het publieke en private domein. Heel onze Facebook-pagina is volgens deze oude domeinlogica gestructuureerd. Ouders moeten beleefd vragen om toegang tot de pagina van dochterlief te krijgen en het antwoord is niet zelden negatief. Het heeft me dan ook nooit verbaasd dat Mark Zuckerberg na wat onozele uitspraken ('privacy bestaat niet meer'), zich uiteindelijk toch wat herpakt lijkt te hebben en vandaag het belang van privacykeuzes onderstreept.Onze sterke indentificering met de groep heeft plaatsgemaakt voor meer individualisme. De mensenrechten passen perfect in die verschuiving. Zaken zoals privacyvrijheid, vrijheid van meningsuiting en een verbod op discriminatie, hangen samen met een samenleving die vertrekt vanuit het individu en niet op absolute wijze onderschikking aan de groep eist. De Canadese hoogleraar Michael Ignatieff spreekt in dat verband over het moreel individualisme. Mensenrechten hebben weinig oog voor groeps- of collectieve verschillen, maar focussen en beschermen het individu, niet om zijn of haar huidskleur of groeplidmaatschap, maar om het individueel karakter en gedrag. In zijn boek 'De rechtenrevolutie' hangt Ignatieff een heel positief beeld op over de geschiedenis en toekomst van de mensenrechten. Het individu wordt steeds beter beschermd en kan zich steeds beter ontplooien. Tegelijk heeft Foucault ons ook gewaarschuwd voor dit soort verleidelijke onderdrukkings- en bevrijdingsverhalen. Privacy komt met een bepaalde samenleving en onstaat in een bepaalde context. Een andere context kan verklaren waarom privacy minder aanwezig is. Verwacht daarom niet te veel moderne privacy bij de laatste jager-verzamelaars diep in de bossen van Afrika, Azië en Zuid-Amerika. Het individu kan in deze groepen geen eersterangsrol krijgen (en zal die ook niet vragen), want buiten de groep is er weinig kans op overleven. Dat privacy niet overal is, maar het belang ervan wel toeneemt in bepaalde samenlevingen, werd al zeer vroeg gezien door Benjamin Constant (1767-1830). Deze Zwitserse denker die actief in de Franse politiek bracht in een belangrijke lezing uit 1806 geen hoera-verhaal over privacy, maar wel een verhaal waarin de onvermijdelijkheid van privacy in onze Westerse cultuur centraal stond. Hij stelde vast dat het burgerschapmodel in de Griekse stadstaat -alle bewoners participeerden aan de politieke macht- in onze moderne samenleving finaal voorbij is. Onder invloed van handel, nijverheid en de verdere ontwikkeling van het schrift heeft dat oude samenlevingsmodel plaats gemaakt voor een nieuw model, het 'tijdperk van de individuen'. Burgers hebben een privésfeer, waarin ze zichzelf naar eigen inzicht kunnen ontplooien en mogen doen en zeggen wat ze willen, ook al betekent dat zich terugplooien op het eigen gezin en niet deelnemen aan de politiek. De antieke vrijheid is iets heel anders en betekende in de eerste plaats het recht om als burger mee te doen aan politieke besluitvorming. De vrijheid zich terug te trekken in een privésfeer bestond wel, maar werd niet belangrijk geacht.Constant onderstreept de onvermijdelijkheid van deze ontwikkeling. We kunnen niet anders dan 'modern' zijn, de oude Griekse mindset is gewoonweg niet meer aanwezig. We stellen dan ook vast dat de betekenis van het begrip privacy door de jaren heen verandert. Ook vandaag zien we hoe politici, virologen, popdiva's onze ideeën mee beïnvloeden, en zorgen voor nieuwe accenten en veranderingen in privacybeleving. Het succes van deze privacy influencers is relatief en afhankelijk van onze wil en bereidheid om mee te veranderen. 'Als alle Russen een baard hebben, is het tè gek om een verbod in te stellen op baardgroei', schreef Montesquieu ooit. Vele traditionele covid-maatregelen (politiecontroles, covid-huiszoekingen, avondklokken, ...) vormen een uitdaging voor de mensenrechten en de privacy. Op dit punt verwacht ik evenwel weerbaarheid en een zegevierend gezond verstand. Het juridisch kader en ons waardenstelsel zijn immers sterk. Ook politici hebben een tuin en ook zij wensen geen drone van de buurman in de lucht.Problematischer zijn ontwikkelingen naar meer transparantie door onzichtbare surveillance. Gaan we nog wakker liggen van drones als die hoger gaan vliegen en onttrokken worden aan het menselijk oog? Nog problematischer is de sporen-verzamelende incasso-maatschappij: overheden en bedrijven die via electronische sporen, dossiers, fiches en profielen iemands hele identiteit kunnen samen leggen. Denken we verder ook aan het ANPR-beleid (bijhouden van nummerplaten) van de vorige minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon, en aan het gebruik van Proximus-data om 'samenloop' van tien wandelaars in het Zonieënwoud te verijdelen. Niet meer gluren, maar gewoon opvragen. De Canadese criminoloog Jean-Paul Brodeur merkte al op dat Contstants nachtmerrie van de transparantiemaatschappij geleidelijk wordt aangevuld met een nachtmerrie die de slaap niet schijnt te storen.De robuustheid van privacy staat hier duidelijk op het spel. Zonder een nieuw vocabularium dat ons alert maakt voor deze spoorverzameltechnieken (die hun doel bereiken zonder intrusie of confrontatie) wordt de eeuwenoude scheiding tussen de publieke en private ruimte onderuit gehaald. Het is een nachtmerrie die mensen wakker zou moeten houden. In mijn college voor de Universiteit van Vlaanderen bespreek ik in dit verband de rol van het geloof, de boekdrukkunst, de uitkomst van de mislukte godsdienstoorlogen (religieuze inzichten kan je met het zwaard niet veranderen), de veranderende biechtpraktijken en de tot standkoming van een reeks instituten en juridische waarborgen zoals de post en het briefgeheim. Alle deze zaken hebben een rol gespeeld in de geschiedenis van privacy. Deze geschiedenis is verre van passé. We ontsnappen niet aan privacy, het kleeft aan ons, we kunnen niet zonder, en we kunnen ons ook niet (meer) voorstellen dat er een zonder is, alhoewel we sommige nachtmerries wat meer aandacht moeten geven.