De coronacrisis toont nogmaals de belangrijke stabiliserende rol van de overheid. Maar ook los daarvan creëert de publieke sector elke dag waarde voor mens en maatschappij.

Het coronavirus deelde enorm zware klappen uit aan de economische activiteit. In 2020 kromp de wereldwijde economische activiteit met meer dan 3%. Intussen voorspelt het IMF voor dit en volgend jaar een economische groei van respectievelijk 6% en 4,4%. Deze cijfers wachten natuurlijk op bevestiging. En daarnaast is er sprake van grote economische heterogeniteit tussen en binnen landen.

De coronacrisis toont nogmaals de belangrijke stabiliserende rol van de overheid.

Toch zou een heropleving van die omvang a priori ondenkbaar zijn zonder de massale inzet van publieke steunmaatregelen. Die zorgen ervoor dat de herstelkracht van het marktsysteem in belangrijke mate wordt gevrijwaard. Sommigen beseffen het niet, anderen vinden het normaal ('ik betaal tenslotte veel belastingen'). En net zoals tien jaar geleden zijn er ook nu weer (inter)nationale waarnemers met een enge focus op de 'onbetaalbare' toename van de publieke schuld en de 'waanzinnige' acties van centrale banken. Dat verbaast niet gegeven het gemak waarmee ze de publieke sector - het gaat hier niet specifiek over België - vaak afschilderen als inefficiënt, onproductief en soms zelfs destructief. Een positievere benadering is mogelijk en nodig.

Polyvalent

Zo verschaft de overheid goederen en diensten die niet of nauwelijks splitsbaar zijn in individueel leverbare eenheden, waardoor ze moeilijk te vermarkten zijn. Toch zijn ze essentieel. Denk aan openbare orde, defensie of straatverlichting. Een ruimere opvatting omhelst ook verkeersinfrastructuur en parken. Er zijn ook goederen en diensten waarvan we niet willen dat mensen er geen of onvoldoende toegang toe hebben, omwille van hun groot maatschappelijk nut. Hiertoe rekenen we gezondheidszorg, onderwijs en cultuur. Deze zijn perfect vermarktbaar maar een louter marktgewijze voorziening resulteert in een hogere prijs en onderconsumptie.

Dan is er de rol van stabilisator, zoals nu tijdens de coronacrisis. Enkel een zeer krachtig anticyclisch begrotingsbeleid en een ongezien soepel geldbeleid kan het economische weefsel zo intact mogelijk houden. Het is dan ook op zijn zachtst gezegd merkwaardig dat sommige waarnemers sinds het begin van de pandemie zoveel belang hechten aan de Schumpeteriaanse creatieve destructie. Efficiëntie en aanpassingsvermogen zijn uiteraard waardevol. Maar deze beginselen mogen nooit worden verafgood, zeker niet in tijden van crisis.

Naast de rol van stabilisator is er de rol van investeerder, niet alleen in fysieke en digitale infrastructuur maar ook in menselijk kapitaal. Je kan de overheid zelfs zien als innovator en katalysator, zoals ook de econome Mariana Mazzucato stelt. Biotech, nanotech en cleantech konden zich maar ontwikkelen dankzij de voortrekkersrol van de overheid. Nokia had nooit zo succesvol kunnen zijn zonder het innovatiefonds van de Finse overheid. Het Google algoritme werd gefinancierd door overheidsgeld. Er zijn vele andere voorbeelden waarbij de pioniersrol van de overheid resulteert in toegevoegde waarde.

De overheid neemt evenzeer de rol van herverdeler op zich, via de organisatie van het belastingsysteem en de sociale zekerheid. Door allerlei transfers - van gezonde naar zieke mensen, van grootverdieners naar laagverdieners, van werkenden naar werkzoekenden en gepensioneerden - vermindert het niveau van ongelijkheid in de samenleving. En dat is van groot belang want te veel ongelijkheid kan onder meer de sociale cohesie, de sociale mobiliteit, de politieke stabiliteit, het algemeen welzijn en de economische groei ondermijnen.

Niet omnipotent

We kunnen doorgaan. Er is ook nog de rol van regulator om bijvoorbeeld monopolievorming tegen te gaan. Want dat leidt tot hogere prijzen, minder investeringen en minder tewerkstelling. Er is de rol van beschermer van eigendomsrechten. Er is de rol van coöperator in grote grensoverschrijdende vraagstukken zoals klimaatopwarming, globalisering, migratie, criminaliteit en terrorisme. De markteconomie zorgt niet spontaan voor de bescherming van het leefmilieu en staat in wezen onverschillig ten aanzien van ongelijkheid en armoede. De arbeidsmarkt zal ook niet snel op eigen houtje terugkeren naar volledige tewerkstelling. En wie gelooft nog in het inherent stabiele en aldoor rationele karakter van financiële markten? Kortom, vanuit macro-economisch standpunt is er lang niet altijd sprake van een zelfregulerend mechanisme. Het individuele en collectieve belang kan sterk uiteenlopen.

Je zou denken dat dit algemene parate kennis is. Toch hoor je nog regelmatig dat de overheid 'enkel de randvoorwaarden mag creëren', 'als een bedrijf moet gerund worden', 'fors boven haar stand leeft', of nog 'het kapitalisme vernietigt en een nieuwe planeconomie installeert'.

Bij vlagen krijg je de indruk dat sommigen de welvaartstaat willen inruilen voor de nachtwakersstaat van de negentiende eeuw. Het is misschien enigszins ironisch dat net een negentiende-eeuwse econoom, de Duitser Adolph Wagner, zou zeggen dat de taken van de overheid verruimen en verdiepen naarmate samenlevingen welvarender en complexer worden. De Britse economen Peacock en Wiseman zouden daaraan toevoegen dat de expansie van de publieke sector schoksgewijs verloopt. Vooral bij crisissen - denk aan economische schokken, oorlog, sociale onrust en natuurrampen - zijn er extra middelen nodig. Nadien krimpen de overheidsuitgaven terug, maar minder dan de initiële stijging.

Natuurlijk, zoals ook de geschiedenis leert, de publieke sector is allesbehalve omnipotent. De politieke vertegenwoordigers van de overheid kunnen veel schade aanrichten. Het is ook belangrijk de publieke uitgaven te onderwerpen aan de efficiëntietoets. En de welvaartstaat veronderstelt actieve participatie. Het marktsysteem en het maatschappelijke middenveld zijn even cruciale bronnen van welvaart en welzijn. Ze vullen elkaar aan zonder dat er sprake mag zijn van rangorde. Een ruimer besef zorgt vast voor meer nuance in het maatschappelijke en politieke debat.

De coronacrisis toont nogmaals de belangrijke stabiliserende rol van de overheid. Maar ook los daarvan creëert de publieke sector elke dag waarde voor mens en maatschappij.Het coronavirus deelde enorm zware klappen uit aan de economische activiteit. In 2020 kromp de wereldwijde economische activiteit met meer dan 3%. Intussen voorspelt het IMF voor dit en volgend jaar een economische groei van respectievelijk 6% en 4,4%. Deze cijfers wachten natuurlijk op bevestiging. En daarnaast is er sprake van grote economische heterogeniteit tussen en binnen landen. Toch zou een heropleving van die omvang a priori ondenkbaar zijn zonder de massale inzet van publieke steunmaatregelen. Die zorgen ervoor dat de herstelkracht van het marktsysteem in belangrijke mate wordt gevrijwaard. Sommigen beseffen het niet, anderen vinden het normaal ('ik betaal tenslotte veel belastingen'). En net zoals tien jaar geleden zijn er ook nu weer (inter)nationale waarnemers met een enge focus op de 'onbetaalbare' toename van de publieke schuld en de 'waanzinnige' acties van centrale banken. Dat verbaast niet gegeven het gemak waarmee ze de publieke sector - het gaat hier niet specifiek over België - vaak afschilderen als inefficiënt, onproductief en soms zelfs destructief. Een positievere benadering is mogelijk en nodig. Zo verschaft de overheid goederen en diensten die niet of nauwelijks splitsbaar zijn in individueel leverbare eenheden, waardoor ze moeilijk te vermarkten zijn. Toch zijn ze essentieel. Denk aan openbare orde, defensie of straatverlichting. Een ruimere opvatting omhelst ook verkeersinfrastructuur en parken. Er zijn ook goederen en diensten waarvan we niet willen dat mensen er geen of onvoldoende toegang toe hebben, omwille van hun groot maatschappelijk nut. Hiertoe rekenen we gezondheidszorg, onderwijs en cultuur. Deze zijn perfect vermarktbaar maar een louter marktgewijze voorziening resulteert in een hogere prijs en onderconsumptie. Dan is er de rol van stabilisator, zoals nu tijdens de coronacrisis. Enkel een zeer krachtig anticyclisch begrotingsbeleid en een ongezien soepel geldbeleid kan het economische weefsel zo intact mogelijk houden. Het is dan ook op zijn zachtst gezegd merkwaardig dat sommige waarnemers sinds het begin van de pandemie zoveel belang hechten aan de Schumpeteriaanse creatieve destructie. Efficiëntie en aanpassingsvermogen zijn uiteraard waardevol. Maar deze beginselen mogen nooit worden verafgood, zeker niet in tijden van crisis. Naast de rol van stabilisator is er de rol van investeerder, niet alleen in fysieke en digitale infrastructuur maar ook in menselijk kapitaal. Je kan de overheid zelfs zien als innovator en katalysator, zoals ook de econome Mariana Mazzucato stelt. Biotech, nanotech en cleantech konden zich maar ontwikkelen dankzij de voortrekkersrol van de overheid. Nokia had nooit zo succesvol kunnen zijn zonder het innovatiefonds van de Finse overheid. Het Google algoritme werd gefinancierd door overheidsgeld. Er zijn vele andere voorbeelden waarbij de pioniersrol van de overheid resulteert in toegevoegde waarde. De overheid neemt evenzeer de rol van herverdeler op zich, via de organisatie van het belastingsysteem en de sociale zekerheid. Door allerlei transfers - van gezonde naar zieke mensen, van grootverdieners naar laagverdieners, van werkenden naar werkzoekenden en gepensioneerden - vermindert het niveau van ongelijkheid in de samenleving. En dat is van groot belang want te veel ongelijkheid kan onder meer de sociale cohesie, de sociale mobiliteit, de politieke stabiliteit, het algemeen welzijn en de economische groei ondermijnen. We kunnen doorgaan. Er is ook nog de rol van regulator om bijvoorbeeld monopolievorming tegen te gaan. Want dat leidt tot hogere prijzen, minder investeringen en minder tewerkstelling. Er is de rol van beschermer van eigendomsrechten. Er is de rol van coöperator in grote grensoverschrijdende vraagstukken zoals klimaatopwarming, globalisering, migratie, criminaliteit en terrorisme. De markteconomie zorgt niet spontaan voor de bescherming van het leefmilieu en staat in wezen onverschillig ten aanzien van ongelijkheid en armoede. De arbeidsmarkt zal ook niet snel op eigen houtje terugkeren naar volledige tewerkstelling. En wie gelooft nog in het inherent stabiele en aldoor rationele karakter van financiële markten? Kortom, vanuit macro-economisch standpunt is er lang niet altijd sprake van een zelfregulerend mechanisme. Het individuele en collectieve belang kan sterk uiteenlopen. Je zou denken dat dit algemene parate kennis is. Toch hoor je nog regelmatig dat de overheid 'enkel de randvoorwaarden mag creëren', 'als een bedrijf moet gerund worden', 'fors boven haar stand leeft', of nog 'het kapitalisme vernietigt en een nieuwe planeconomie installeert'. Bij vlagen krijg je de indruk dat sommigen de welvaartstaat willen inruilen voor de nachtwakersstaat van de negentiende eeuw. Het is misschien enigszins ironisch dat net een negentiende-eeuwse econoom, de Duitser Adolph Wagner, zou zeggen dat de taken van de overheid verruimen en verdiepen naarmate samenlevingen welvarender en complexer worden. De Britse economen Peacock en Wiseman zouden daaraan toevoegen dat de expansie van de publieke sector schoksgewijs verloopt. Vooral bij crisissen - denk aan economische schokken, oorlog, sociale onrust en natuurrampen - zijn er extra middelen nodig. Nadien krimpen de overheidsuitgaven terug, maar minder dan de initiële stijging. Natuurlijk, zoals ook de geschiedenis leert, de publieke sector is allesbehalve omnipotent. De politieke vertegenwoordigers van de overheid kunnen veel schade aanrichten. Het is ook belangrijk de publieke uitgaven te onderwerpen aan de efficiëntietoets. En de welvaartstaat veronderstelt actieve participatie. Het marktsysteem en het maatschappelijke middenveld zijn even cruciale bronnen van welvaart en welzijn. Ze vullen elkaar aan zonder dat er sprake mag zijn van rangorde. Een ruimer besef zorgt vast voor meer nuance in het maatschappelijke en politieke debat.