Zanger Joe Jackson sneerde het al in 1986: 'And all the hippies work for IBM / or take control / of faster ways to sell you food that isn't really whole.'

Het is een van de hardnekkigste clichés over 68: zodra de revolterende jongeren het grote geld roken of hun een luxueuze bestuurderszetel werd aangeboden, zouden ze hun idealen snel achter zich hebben gelaten. Het is een versie van de feiten die perfect aansluit bij de cynische jaren van het neoliberalisme. En ze speelt bovenal dat grote geld en de status quo in de kaart. Immers: hoe zou er ooit iets kunnen veranderen als zelfs de meest idealistische generatie van de twintigste eeuw daar niet in is geslaagd? Alleen: het cliché klopt niet. Het klopte toen niet en vandaag nog altijd niet.

Deze generatie leefde wel degelijk voor haar idealen en ze betaalde daar een concrete prijs voor.

In de zomer van 1970 stuurde The New York Times een journalist naar een dozijn jongeren dat in de vroege jaren zestig de legendarische studentenbeweging van Berkeley in Californië had vormgegeven. Hoe bourgeois waren ze intussen geworden? Niet, zo bleek. Ze waren veelal afgestudeerd of aan het promoveren en hadden, gewoon, een gezin gesticht. Maar ook diegenen die carrière maakten aan de universiteit, bleven activistisch en geëngageerd: onderwijshervormingen, de vredesbeweging, het lot van jongeren in stedelijke getto's - hun aandacht ging onverminderd uit naar urgente maatschappelijke kwesties. En hun haar was er alleen maar langer op geworden.

Dit anekdotische bewijs is onlangs voor de Franse soixante-huitards op indrukwekkende schaal wetenschappelijk gestaafd. In Changer le monde, changer sa vie (Actes Sud), een sociologische studie van ruim elfhonderd pagina's, toont een team van meer dan dertig onderzoekers na vijf jaar werk op basis van de zorgvuldig gereconstrueerde levensverhalen van 366 feministen, syndicalisten en andere linkse militanten (geboren tussen 1942 en 1957) wat er met deze anonieme activisten, ver weg van Parijs, is gebeurd sinds mei 1968.

Slechts vijf procent, voornamelijk mannen, werd kaderlid in een bedrijf. En hoewel de beeldvorming van hun generatie tot vandaag wordt bepaald door bekende journalisten, artiesten en mediafiguren, bouwde nauwelijks drie procent (en opnieuw vooral mannen) een carrière uit in deze sectoren. Het gros der 68'ers koos allerminst voor de macht of het grote geld en vooral de feministen zagen, tijdens de economische crisis van de jaren zeventig en tachtig, hun levensstandaard verhoudingsgewijs meer achteruitgaan dan het Franse gemiddelde. Deze generatie leefde dus wel degelijk voor haar idealen en ze betaalde daar een concrete prijs voor. Maar die hadden deze activisten ervoor over: geen geest- of zieldodende arbeid voor hen, maar werk dat zin gaf aan hun eigen leven en het lot van vrouwen, migranten, vluchtelingen of mensen in de derde wereld verbeterde.

Bijna twee derde militeerde al langer, in de beweging die de onafhankelijkheid van Algerije steunde of in de strijd tegen de oorlog in Vietnam

Wat uiteraard niet betekent dat ze nooit carrière maakten. Sommigen volgden het devies van hun Duitse generatiegenoot Rudi Dutschke, hun 'lange mars door de instituties' bracht hun op belangrijke beleidsposten, tot in het Europees Parlement toe. Maar ook daar bleven de onderwerpen die hun tot activisme hadden gebracht (vrouwenrechten, bijvoorbeeld) hun centrale aandachtspunt. Als straathoekwerker, onderwijzer of sociaal assistent konden ze hun boterham verdienen en bovendien de achtergestelde groepen helpen om wie het hen te doen was.

Hun affectieve leven had minder te lijden onder hun engagement dan het cynische cliché - 'Mama kan geen boterhammen smeren, want ze moet op de barricade staan' - doet geloven, ook al hadden ze gemiddeld iets minder kinderen en kenden ze net iets meer echtscheidingen. Maar dat maakt hen nog niet tot de boemannen van het Franse gemeenschapsleven. Veel minder dan gedacht voerden ze een generatiestrijd. Integendeel zelfs, hun militantisme was vaak gevoed door ervaringen van ouders en grootouders tijdens de Spaanse Burgeroorlog, de bezetting of de dekolonisatiestrijd. Ook het katholicisme speelde een inspirerende rol: het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), de snel groeiende aandacht van de kerk voor de derde wereld en hun socialisering in christelijke jeugdbewegingen vormden een rijke voedingsbodem voor de jongeren.

Hun relaas relativeert ook het belang van de eigenlijke contestatieweken in mei en juni 1968. Bijna twee derde militeerde al langer, in de beweging die de onafhankelijkheid van Algerije steunde of in de strijd tegen de oorlog in Vietnam. Voor de feministen was, halverwege de jaren zeventig, de strijd voor de legalisering van abortus de centrale kwestie.

Achtenzestig was zeer zeker een sociologisch fenomeen, maar om het goed te begrijpen, moet het in perspectief worden geplaatst: de revolte kwam niet uit de lucht gevallen en in tegenstelling tot echte revoluties bleek ze niet de neiging te hebben haar eigen kinderen op te eten. Misschien waren haar tanden minder scherp dan vaak is gedacht.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Zanger Joe Jackson sneerde het al in 1986: 'And all the hippies work for IBM / or take control / of faster ways to sell you food that isn't really whole.'Het is een van de hardnekkigste clichés over 68: zodra de revolterende jongeren het grote geld roken of hun een luxueuze bestuurderszetel werd aangeboden, zouden ze hun idealen snel achter zich hebben gelaten. Het is een versie van de feiten die perfect aansluit bij de cynische jaren van het neoliberalisme. En ze speelt bovenal dat grote geld en de status quo in de kaart. Immers: hoe zou er ooit iets kunnen veranderen als zelfs de meest idealistische generatie van de twintigste eeuw daar niet in is geslaagd? Alleen: het cliché klopt niet. Het klopte toen niet en vandaag nog altijd niet. In de zomer van 1970 stuurde The New York Times een journalist naar een dozijn jongeren dat in de vroege jaren zestig de legendarische studentenbeweging van Berkeley in Californië had vormgegeven. Hoe bourgeois waren ze intussen geworden? Niet, zo bleek. Ze waren veelal afgestudeerd of aan het promoveren en hadden, gewoon, een gezin gesticht. Maar ook diegenen die carrière maakten aan de universiteit, bleven activistisch en geëngageerd: onderwijshervormingen, de vredesbeweging, het lot van jongeren in stedelijke getto's - hun aandacht ging onverminderd uit naar urgente maatschappelijke kwesties. En hun haar was er alleen maar langer op geworden. Dit anekdotische bewijs is onlangs voor de Franse soixante-huitards op indrukwekkende schaal wetenschappelijk gestaafd. In Changer le monde, changer sa vie (Actes Sud), een sociologische studie van ruim elfhonderd pagina's, toont een team van meer dan dertig onderzoekers na vijf jaar werk op basis van de zorgvuldig gereconstrueerde levensverhalen van 366 feministen, syndicalisten en andere linkse militanten (geboren tussen 1942 en 1957) wat er met deze anonieme activisten, ver weg van Parijs, is gebeurd sinds mei 1968. Slechts vijf procent, voornamelijk mannen, werd kaderlid in een bedrijf. En hoewel de beeldvorming van hun generatie tot vandaag wordt bepaald door bekende journalisten, artiesten en mediafiguren, bouwde nauwelijks drie procent (en opnieuw vooral mannen) een carrière uit in deze sectoren. Het gros der 68'ers koos allerminst voor de macht of het grote geld en vooral de feministen zagen, tijdens de economische crisis van de jaren zeventig en tachtig, hun levensstandaard verhoudingsgewijs meer achteruitgaan dan het Franse gemiddelde. Deze generatie leefde dus wel degelijk voor haar idealen en ze betaalde daar een concrete prijs voor. Maar die hadden deze activisten ervoor over: geen geest- of zieldodende arbeid voor hen, maar werk dat zin gaf aan hun eigen leven en het lot van vrouwen, migranten, vluchtelingen of mensen in de derde wereld verbeterde. Wat uiteraard niet betekent dat ze nooit carrière maakten. Sommigen volgden het devies van hun Duitse generatiegenoot Rudi Dutschke, hun 'lange mars door de instituties' bracht hun op belangrijke beleidsposten, tot in het Europees Parlement toe. Maar ook daar bleven de onderwerpen die hun tot activisme hadden gebracht (vrouwenrechten, bijvoorbeeld) hun centrale aandachtspunt. Als straathoekwerker, onderwijzer of sociaal assistent konden ze hun boterham verdienen en bovendien de achtergestelde groepen helpen om wie het hen te doen was. Hun affectieve leven had minder te lijden onder hun engagement dan het cynische cliché - 'Mama kan geen boterhammen smeren, want ze moet op de barricade staan' - doet geloven, ook al hadden ze gemiddeld iets minder kinderen en kenden ze net iets meer echtscheidingen. Maar dat maakt hen nog niet tot de boemannen van het Franse gemeenschapsleven. Veel minder dan gedacht voerden ze een generatiestrijd. Integendeel zelfs, hun militantisme was vaak gevoed door ervaringen van ouders en grootouders tijdens de Spaanse Burgeroorlog, de bezetting of de dekolonisatiestrijd. Ook het katholicisme speelde een inspirerende rol: het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), de snel groeiende aandacht van de kerk voor de derde wereld en hun socialisering in christelijke jeugdbewegingen vormden een rijke voedingsbodem voor de jongeren. Hun relaas relativeert ook het belang van de eigenlijke contestatieweken in mei en juni 1968. Bijna twee derde militeerde al langer, in de beweging die de onafhankelijkheid van Algerije steunde of in de strijd tegen de oorlog in Vietnam. Voor de feministen was, halverwege de jaren zeventig, de strijd voor de legalisering van abortus de centrale kwestie. Achtenzestig was zeer zeker een sociologisch fenomeen, maar om het goed te begrijpen, moet het in perspectief worden geplaatst: de revolte kwam niet uit de lucht gevallen en in tegenstelling tot echte revoluties bleek ze niet de neiging te hebben haar eigen kinderen op te eten. Misschien waren haar tanden minder scherp dan vaak is gedacht.