Het is typerend voor de status van Daniil Trifonov: zijn vierde plaat voor het prestigieuze label Deutsche Grammophon, die Chopin Evocations heet en nu in de winkel ligt, werd begin augustus voorgesteld tijdens de Salzburger Festspiele. Knack was er te gast voor een exclusieve showcase en een gesprek met de Rus.
...

Het is typerend voor de status van Daniil Trifonov: zijn vierde plaat voor het prestigieuze label Deutsche Grammophon, die Chopin Evocations heet en nu in de winkel ligt, werd begin augustus voorgesteld tijdens de Salzburger Festspiele. Knack was er te gast voor een exclusieve showcase en een gesprek met de Rus. De titel van de nieuwe dubbelaar klinkt halfzacht maar dekt de lading beter dan je zou denken. Trifonof speelt zowel werken van Frédéric Chopin, waaronder de twee pianoconcerto's, als van componisten die de geest van de negentiende-eeuwse Poolse meester oproepen, zoals Robert Schumann, Peter Tsjaikovski, Federico Mompou en Samuel Barber - ze doen dat duidelijk, aandoenlijk, maar in zekere zin tevergeefs: alleen Chopin kende het DNA van zijn eigen muziek en de uitwerking ervan op de luisteraar. Zelfs de concerto's zijn enigszins evocatief: Chopins orkestpartijen, die iets minder dan geniaal waren, zijn herschreven door Trifonofs landgenoot Mikhail Pletnev, die ook dirigeert. De omstandigheden van de showcase vloeken met die fijne, moeilijke muziek. Men stelle zich voor: een kamer ter grootte van een living, in een historisch pand waarin een hippe galeriehouder zijn nering heeft ondergebracht. Net nu exposeert hij mild pornografische foto's: boven Trifonovs piano hangt er één van een blonde cowgirl die, gezeten op een omheining, in een fraaie boog aan het plassen is. En dan is er nog het voortdurende geschuifel met camera's en geklik van fototoestellen. Te midden van dat alles vloeien de razend moeilijke Chopin-variaties van Mompou uit Trifonovs vingers. Virtuoos, maar nog meer dan zijn spel imponeert, in deze setting, zijn onberijpelijke concentratie. Als ik hem daags erna onder vier ogen te spreken krijg, kom ik eerst terug op dat bevreemdende miniconcert. Het was choquerend, dat contrast tussen de sensitiviteit die van u verwacht wordt en het gebrek aan aandacht dat u omringde. Toch had ik niet de indruk dat u het erg vond. Daniil Trifonov: Meestal vind ik dat geen probleem, nee. Bij elk concert gaat het vooral om emotionele voorbereiding. Of het nu een showcase is of niet: ik verbreek het contact met de rest van de wereld helemaal. Ik concentreer me louter en alleen op de muziek. Maar muziek is toch ook - en velen zullen zeggen: vooral - communicatie? Trifonov: Ik richt me in elk geval niet tot de concrete mensen in een zaal. (denkt lang na) Wanneer ik speel, zelfs als ik studeer, neem ik zélf de rol van toeschouwer aan. En dat creëert een zekere empathie met uw publiek, toch? Trifonov: Dat zou ik zo niet stellen. Ik zie eerder een omgekeerde beweging: niet van mij naar de toeschouwers maar van de toeschouwers naar mij. Dat de muziek tot mij spreekt, en dat ze emoties en ideeën bij me oproept: daarmee kunnen zij zich allicht identificeren. Doordat ik mijn eigen eerste toeschouwer ben, ontstaat er ondertussen ruimte voor spontane ideeën, voor experiment in realtime. Hoe of wanneer besef je, als weliswaar zeer getalenteerde jongen, dat je als pianist nog een verschil kunt maken in een wereld die al bulkt van de pianisten? Trifonov: Daar heb ik eigenlijk nooit bij stilgestaan. Van kindsbeen af genoot ik gewoon van muziek beluisteren en pianospelen - gaandeweg ook op een podium. Ik geloof dat het de taak is van muzikanten om mensen te laten bekomen van het alledaagse en het wereldlijke. Van de materiële, banale, ja zelfs primitieve kanten van het leven. Kunst biedt je een 'andere plaats' waar je je toevlucht tot kunt zoeken. En wij, artiesten, kunnen mensen door dat Land van het Onbekende gidsen. Wat zijn volgens u de voornaamste kwaliteiten die een goede pianist moet hebben? Trifonov: Ik ben altijd van de muziek zelf vertrokken. Als je aan de piano zit en iets wérkt niet helemaal, is de reden daarvoor meestal in je eigen geest te vinden. In de manier waarop je de muziek opvat, in het pad dat je bewandelt om haar te decoderen. Je moet gevoelig zijn voor plotse veranderingen in de muziek. En je moet jezelf toestaan om veranderd te worden door wat je speelt. Zeker in technisch moeilijke stukken kom je al snel in een situatie van sterke zelfcontrole terecht. Je creëert daardoor een soort bedrieglijke comfortzone. Dat houdt het gevaar in dat je je eigen regels aan de muziek gaat opleggen. Je hoeft jezelf natuurlijk niet weg te cijferen: je mag als mens tegenover de muziek staan. Maar dat is iets anders dan jezelf eraan opdringen. Ik vergelijk pianospelen met surfen. Je bent vrij, maar je moet wél op de golf blijven. Verzet je je tegen de stroming, dan lukt het niet. Op uw nieuwe plaat speelt u een rondo van Chopin voor twee piano's samen met uw laatste leraar, Sergei Babayan. Een eerbetoon aan hem, neem ik aan? Trifonov: Met Babayan werken was fantastisch, dat klopt, maar ik ben ik ál mijn leraars dankbaar. Eerst heb ik drie jaar gestudeerd in mijn geboortestad, Nizjny Novgorod. Dan is mijn hele familie naar Moskou verhuisd, zodat Tatjana Zelikman me onder haar hoede kon nemen. Acht jaar later heeft zij me bij Babayan aanbevolen en ben ik naar Cleveland vertrokken, waar ik vijf jaar bij hem in de leer ben geweest. Nu is hij een geliefde collega. We spelen geregeld samen. U wordt gezien als een recente vertegenwoordiger van de roemrijke Russische pianoschool. Grigory Sokolov, een van de grootste exponenten van die school, zei me ooit: 'Er zijn geen scholen, er zijn alleen persoonlijkheden.' Bent u het daarmee eens? Trifonov: Niet helemaal. Er is wel degelijk een Russische school, alleen wordt ze door zulke uiteenlopende persoonlijkheden vertegenwoordigd dat ze geen homogeen geheel vormt. Veel heeft ermee te maken dat ze in de negentiende eeuw gecreëerd is door immigranten: Poolse en Hongaarse muzikanten, leerlingen van Franz Liszt of John Field, noem maar op. Hun identiteit vermengde zich met die van de Russische componisten. Eind negentiende eeuw was de Russische pianoschool echt wel een solide instituut. Al is de term 'instituut' eigenlijk misleidend: het piano-onderricht was sterk rond individuele leraars gecentreerd. Ze waren een soort goeroe, of beter: een sensei, zoals in de Japanse gevechtskunst, bij wie leerlingen bijvoorbeeld ook inwoonden. Door de grote nadruk op individualiteit zie je de meest uiteenlopende stijlen bij de exponenten van de Russische school, zelfs als ze dezelfde leraar hebben gehad. Het verschil tussen Sergej Rachmaninov en Aleksandr Skrjabin had bijvoorbeeld niet groter kunnen zijn, terwijl ze allebei gevormd zijn door Nikolaj Zverev. Volgens de Georgische pianiste Elisso Virsaladze kan alleen een goed mens echt goed musiceren. Ze verbindt artistieke met ethische kwaliteiten. Zegt u dat iets? Trifonov: Hoe meer je jezelf met de muziek verbindt, hoe meer je jezelf moet blootgeven. Er is inderdaad muziek die van haar uitvoerder waarachtigheid, dienstbaarheid, zelfs onmiskenbaar altruïsme vraagt. Natuurlijk helpt het dan als je die kwaliteiten niet alleen herkent maar ook hébt. Is er aan je spel ook maar een spatje fake, dan straft Chopins muziek dat bijvoorbeeld genadeloos af. Hoeveel succes u ook hebt, u werkt in een niche: vindt u het jammer dat u geen breder publiek door het Land van het Onbekende kunt gidsen? Trifonov: Nee. De meerderheid van de mensen geeft niets om sommige van de hoogste verwezenlijkingen van de mensheid. Dat is nooit anders geweest. Maar een minderheid begrijpt ons wél, of streeft er in elk geval naar om te genieten van wat wij doen. En die groep mensen maakt alles voor mij de moeite meer dan waard.