De tocht van de groep Afghanen in Idomeni is moeilijk verlopen. Ze zijn vertrokken met 110, onder wie 30 kinderen. Ze trokken over Pakistan, Iran, Turkije, om dan met een bootje aan te komen in Griekenland. Ze zijn bestolen en bedreigd door de bevolking van Pakistan en Iran. In Iran moesten ze al hun geld en juwelen afgeven aan lokale mensen die het slecht men hen voor hadden. Ze hebben daar anderhalve maand geblokkeerd gezeten tot andere landgenoten aankwamen met geld zodat ze hun tocht verder kunnen zetten.
...

De tocht van de groep Afghanen in Idomeni is moeilijk verlopen. Ze zijn vertrokken met 110, onder wie 30 kinderen. Ze trokken over Pakistan, Iran, Turkije, om dan met een bootje aan te komen in Griekenland. Ze zijn bestolen en bedreigd door de bevolking van Pakistan en Iran. In Iran moesten ze al hun geld en juwelen afgeven aan lokale mensen die het slecht men hen voor hadden. Ze hebben daar anderhalve maand geblokkeerd gezeten tot andere landgenoten aankwamen met geld zodat ze hun tocht verder kunnen zetten.Toen ze aankwamen in Griekenland kregen ze een document als identiteitsbewijs en het bevel om het land te verlaten. Voor hen geen probleem, integendeel. Op naar Idomeni en naar Macedonië! Eens ze hier waren aangekomen, mochten ze niet door de grenscontrole. Anderen kregen voorrang: Syriërs, maar ook Irakezen, Iraniërs... Enkele dagen later ging de grens potdicht. 'En nu meneer, wanneer gaan de grenzen weer open? Wanneer mogen we verder? Is er nog een kans? Wil je het eens gaan vragen? Ze jagen ons weg als we daarover iets durven te vragen.' Even ben ik uit mijn lood geslagen. Een oudere man voelt dat aan en geeft me een schouderklopje. Hij zegt iets onverstaanbaars, maar een man die Engels kan, vertaalt zijn woorden: 'Hij zegt dat je een goede jongen bent.' Iedereen knikt. Ik vraag hen of ik een foto mag nemen van hun tenten, maar ik de plaats daarvan mag ik henzelf fotograferen. Trots poseren ze voor de camera. Wanneer ik wegga vragen ze mij of ik nog terugkom. ''Ja', zeg ik, en dit is meteen mijn eerste belofte tijdens mijn verblijf. Normaal beloof ik nooit iets, omdat ik nooit zeker ben of ik een belofte kan inlossen. Als je een belofte tegenover deze mensen breekt, komt dit voor hen veel zwaarder aan, en zijn hun ontgoochelde reacties terecht. Er zijn verscheidene vrijwilligers die met de beste bedoelingen iets hebben beloofd maar dan niets kunnen doen. Jammer. Vandaar: nooit beloven, steeds proberen.Tijdens een verkenningstochtje langsheen de grens ontdek ik twee jongens van achttien. Ze hebben me gezien en ik zwaai. Ze willen weglopen, maar ik roep dat alles safe is dat ze niet bang hoeven te zijn. We maken kennis en ik vraag de jongemannen wat ze aan het doen waren. 'Niets speciaals', zegt de ene terwijl de andere er wat zenuwachting bij staat. Ze hebben een pallet en een boomstam over de prikkeldraad kunnen leggen. De mannen merken dat ik begrijp wat ze aan het doen zijn. Ze vertellen me dat ze naar Macedonië willen en daar op deze manier naartoe kunnen gaan. 'Kom, ik zal het je tonen.' De jongens stappen de grens over en bevinden zich in de neutrale zone. 'Pas op voor de soldaten, straks zijn ze daar', zeg ik. 'Geen probleem, ze zitten aan de ingang van het kamp zo'n drie kilometer verderop.' Nu moeten de twee avonturiers nog de tweede hindernis van de grens aan de Macedonische kant overwinnen. Dat blijkt moeilijker te gaan. De ene probeert, maar raakt in het prikkeldraad verstrikt. Ze zullen het anders moeten aanpakken. Ze zullen drie meter water moeten trotseren. Erin en eruit, langsheen de oever. Niet de beelden zoals we ze zagen in het journaal, die massa die de rivier schuin overstak. Daarom hebben deze twee meer kans op slagen. 'Eenvoudig', zegt de jongen. 'Het gras is hoog, de zomer is op komst. De struiken en bomen staan in volle bloei. De kans dat ze ons zien is veel kleiner.' Morgen gaan de jongens de ultieme poging wagen. Wat gaan ze doen in Macedonië? Ze weten het nog niet, maar het is wel een stap dichter naar hun vrijheid. Deze twee Syriërs waren daarnet dus al in Macedonië, maar ze kwamen terug en verstopten hun materiaal. Ze gaan morgen opnieuw, met een derde persoon, een vriend. Dit gaat mijn petje te boven. Ze hebben hun doel bereikt, hebben de grens overgestoken en toch maken ze rechtsomkeert. Zijn ze zó zeker dat het morgen opnieuw zal lukken? Ik besluit om morgen vroeg op te staan om de overtocht van de drie kerels te volgen. Persoonlijk hoop ik dat ze slagen. In elk geval zijn de jongens gelukkig met de gedachte alleen al. Op de terugweg naar het kamp zingen ze liederen. Onderweg vroeg ik hun wat hun ultieme wens is. 'Samen slapen met mijn familie.' Het wordt even stil, maar voor ik kan reageren zijn ze alweer aan het zingen.Onderweg vraag ik hoe hun route tot Idomeni is verlopen. Goed, zeggen ze. Ze zijn gekomen zonder smokkelaars, het kostte hen 1300 euro per persoon. 'We verkochten onze iPhone om rond te komen', vertelt een van hen. De jongens maakten de reis alleen, er was geen geld genoeg om met de hele familie te vluchten.Er zijn verschillende organisaties die eten bereiden voor de vluchtelingen, op diverse plaatsen. Het is zielig om te aanschouwen hoe de mensen dringen en drummen voor een maaltijd, al is het wél grappig om te zien hoe kinderen erin slagen meerdere maaltijden te bemachtigen. Twee woorden komen bij de bedelingen altijd van pas. Als iemand uit de rij loopt of als iemand wil voorkruipen, dan zeggen de wachtenden vol overtuiging 'One line'. En wie uiteindelijk aan de beurt komt, zegt steeds 'Family, family'. Dit doen ze om meerdere porties te krijgen. Vele kleine kinderen staan in de rij voor een maaltijd. Ze kunnen ze nog niet deftig dragen, en het eten valt op de grond. Mijn hart breekt dan. Als ik dat zie gebeuren, neem ik altijd de kleine in mijn armen en ga ik een nieuwe maaltijd vragen. Sommige hulpverleners vinden dat niet kunnen. Dan maar een leugentje: 'Mag ik een andere maaltijd voor dat kind alstublieft, ik heb het omvergelopen.' Zo, probleem opgelost, iedereen tevreden.Er zijn ook families die zelf koken. Ze maken traditionele gerechten uit hun land van herkomst. Ze blijven liever in hun tent want ze kunnen de vernedering niet aan om in de rij te moeten staan voor voedselhulp. De mannen zijn de vuurstokers van dienst. Zij zorgen dat er gekookt kan worden. Daarna verdwijnen de kookpotten en gebruikt men het vuur voor warmte en gezelligheid. Iedere keer dat ik terugkom uit het kamp heb ik de geur van houtvuurtjes in de kleren. Ik ben dan net een wandelende barbecue. Er zijn ook ondernemende vluchtelingen die hun eigen eetstandje openhouden. We hebben bakkers en een Iraanse keuken. De bakkers bakken een soort broodpannenkoeken. Zes stuks voor een euro. De Iraanse kok maakt falafel, een vegetarisch gerecht, klaar, ook voor een euro. Zo verschijnen er elke dag nog standjes in het kampbeeld. En het smaakt! In de verte zie ik een man aanrollen, in een rolstoel die wordt voortgeduwd door een jongen. Het is zijn zoon. Ze zijn afkomstig van Irak. Tijdens een bombardement kreeg de vader een muur op zijn rug. Sindsdien is hij aan zijn rolstoel gekluisterd. De man is in die aanval ook zijn vrouw verloren, waarna hij samen met zijn zoon is gevlucht. Ook zij zijn in Idomeni gestrand, met zijn tweeën, zonder hulp van familie of vrienden. Hun moed is ver te zoeken. Vader zegt geen woord meer, behalve wanneer zijn zoon iets verkeerd zegt. Ik voel aan dat ze verder willen, want het gaat regenen. De vader knikt nederig, de zoon schudt me de hand, en we gaan onze eigen weg. Dat afscheid voelt aan als een koude douche. Ik ben machteloos. Ik kan niets doen, behalve alles met lede ogen aanzien.De volgende dagen ga ik nog een paar keer langs bij het tweetal, om te checken of ze min of meer 'comfortabel' zitten. Mijn respect voor de tienerzoon is groot. Hij doet alles voor zijn vader. Hij wast hem, brengt zijn kleren in de tent, gaat eten halen, wast zijn kleren... Ze zijn altijd samen, maar echt veel komen ze niet buiten. 'We hadden het vroeger zo goed', zegt de zoon zonder te verpinken. Voor mij is het een zoveelste harde confrontatie met een werkelijkheid die steeds gruwelijker wordt.De ouders van het kindje met het hersenletsel blijven voortdurend een beroep op me doen. Er is altijd wel een vraag, over het verblijf in het ziekenhuis, over een hotelkamer die ze zouden krijgen dicht bij het ziekenhuis. Samen met de moeder en Mike de tolk gaan we naar Artsen zonder Grenzen om informatie vragen. Daar krijgen we het antwoord dat ik eigenlijk al zag aankomen: neen. Ik heb er een dubbel gevoel bij. Enerzijds heeft Artsen zonder Grenzen gelijk: ze kunnen niet de vervoerskosten voor het hele gezin dekken. Anderzijds is het voor hen maar een kleine moeite om met zijn vieren op en af naar het ziekenhuis te gaan. Maar niemand weet hoelang het kind daar zou moeten verblijven. Het vermoeden rijst dat het gezin van deze situatie gebruik wil maken om in hotel te kunnen verblijven. De man vraagt of ik hem wil begeleiden in het ziekenhuis, maar ik ga daar niet op in. Ze zijn immers in goede handen bij Artsen zonder Grenzen. Dat ik het kind in een tent vond, wil niet zeggen dat ik hier verder in moet meegaan. Een derde partij maakt het alleen moeilijker. Ik heb mijn deel gedaan.Intussen komt het kindje aangerend met de speciale schoenen die ik voor hem vervaardigde, en het omhelst me meteen. Plots krijg ik een tik op mijn schouder. Het is de vader, die zijn dankbaarheid betuigt. Het lopen gaat vlot, en daarom overleg ik met Artsen zonder Grenzen of zij het goed vinden dat ik nog twee extra paar dergelijke schoenen vervaardig. Want die kinderen ravotten hier nogal wat af. Zij zien er geen graten in.We houden een koffiepauze in het dorpje Polikastro, op de terugweg naar Thessaloniki, en komen er een oude bekende tegen. Alaa Kassab is cultural mediator - een tolk die ook als tussenpersoon optreedt - bij Artsen zonder Grenzen. Ik trakteer hem op een koffie. Er volgt een tof gesprek. Hij is een Syriër die in Denemarken woont en hier in Griekenland in het kamp van Idomeni werkt. Hij vertelt aan Mike, mijn vriend tolk, dat er veel werk is voor tolken. Mike is meteen supergemotiveerd. Bovendien is Alaa ook kunstenaar, zoals ik. Een gelukkig toeval. We hebben een leuke babbel over hulpverlening en natuurlijk ook over kunst. We spreken af om samen een Deens-Belgisch project op te starten en prijzen onszelf gelukkig met onze vrouwen, van wie we dit alles mogen en kunnen realiseren. Zoveel ruimte en vrijheid, dat is speciaal, toch?