'De politisering is terug', zegt Rudi Laermans wanneer we elkaar in de Brusselse Sint-Hubertusgalerij spreken. 'We hoeven maar te kijken naar wat er gebeurt bij de VRT, waar politici weer actief op de voorgrond treden. Het Toneelhuis is een ander voorbeeld van hetzelfde mechanisme. De raad van bestuur heeft daar een onafhankelijke aanwervingscommissie buitenspel gezet voor de zoektocht naar een artistiek directeur. Dat hebben we in jaren niet meer gezien.'
...

'De politisering is terug', zegt Rudi Laermans wanneer we elkaar in de Brusselse Sint-Hubertusgalerij spreken. 'We hoeven maar te kijken naar wat er gebeurt bij de VRT, waar politici weer actief op de voorgrond treden. Het Toneelhuis is een ander voorbeeld van hetzelfde mechanisme. De raad van bestuur heeft daar een onafhankelijke aanwervingscommissie buitenspel gezet voor de zoektocht naar een artistiek directeur. Dat hebben we in jaren niet meer gezien.' Laermans is misschien wel de belangrijkste cultuursocioloog van Vlaanderen en is dus uitermate geschikt om samen met Knack het Vlaamse cultuurlandschap te overzien. In 2002 publiceerde hij daarover ook al Het cultureel regiem, toen Bert Anciaux nog minister van Cultuur was. Hoewel Anciaux ooit in dezelfde partij zat als de huidige minister van Cultuur, Jan Jambon (N-VA), zijn de tijden niet te vergelijken. Laermans maakt zich dan ook zorgen: de politiek is terug van weggeweest. Rudi Laermans: Wat we bij de VRT en Het Toneelhuis zien, is een slecht voorteken. De regering-Jambon heeft aangekondigd dat ze meer cultuurhuizen als grote instellingen wil erkennen, zoals de grote stadstheaters of bijvoorbeeld deSingel, de Vooruit en Concertgebouw Brugge dat vandaag al zijn. Dat moet meer financiële zekerheid bieden, maar een belangrijk gevolg daarvan is dat die instellingen een raad van bestuur krijgen die is samengesteld volgens de politieke verhoudingen in het Vlaams Parlement, zoals het cultuurpact dicteert. Vroeger was de AB een vzw, en mochten zij bij wijze van spreken eender wie in de raad van bestuur zetten. Nu zitten daar vertegenwoordigers van politieke partijen in. Dat zal dus voor meer instellingen gaan gelden. Het centralisme dat daaruit spreekt is heel Waals en Frans geïnspireerd, en staat veraf van het belang dat de N-VA doorgaans hecht aan concurrentie en vrijheid. Zijn de producties van die grote instellingen dan echt braver dan van makers die onafhankelijker werken? Laermans: De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat de politisering tot nu toe beperkt bleef, ook al kennen we niet altijd het fijne van alle beslissingen. Soms is de invloed onzichtbaar, als het gaat over beslissingen om iets niet te doen, of ergens niet op in te zetten. Ik wil daar geen samenzweringstheorieën over ontvouwen, maar het risico bestaat wel. Daarbij komt dat de N-VA cultuur tot nu toe niet als een prioriteit zag, terwijl ze nu, met de hete adem van het Vlaams Belang in haar nek, haar macht overal wil consolideren. De N-VA heeft de cultuurportefeuille ook geclaimd. Het eerste gevolg was meteen bekend: Vlaanderen heeft géén minister van Cultuur meer. Minister-president Jan Jambon nam die bevoegdheid er net bij omdat hij ze zo belangrijk vond, beweert hij. Laermans: Een onafhankelijke minister kan op tafel slaan om zijn sector te verdedigen, terwijl cultuur de komende jaren vooral ingepast zal worden in het algemene beleid van de Vlaamse regering. Het culturele erfgoed zal dat het meest voelen: enerzijds wordt dat ingezet om de Vlaamse identiteit te versterken, anderzijds wordt het geïnstrumentaliseerd om het toerisme aan te zwengelen en onze zichtbaarheid in het buitenland te vergroten. Dat zijn andere prioriteiten dan degene die een cultuurminister te horen zou krijgen als hij met de sector zou gaan praten. Na voorgangers Joke Schauvliege van CD&V en Open VLD'er Sven Gatz is Jan Jambon aan de derde besparingsronde begonnen. Wordt de cultuursector uitgehongerd? Laermans: In absolute cijfers ging er nooit méér geld naar cultuur dan in 2019. Onder Sven Gatz is er uit het cultuurbudget nochtans een flink deel verdwenen dat eerst was gereserveerd voor culturele centra en bibliotheken, en nu rechtstreeks in het Gemeentefonds wordt gestort.In relatieve cijfers ziet het beeld er helemaal anders uit. In 2004 ging 2 procent van de Vlaamse begroting naar cultuur. Sinds 2009 is dat beginnen te dalen, en nu gaat het nog maar om 1,12 procent. Natuurlijk, door de bevoegdheidsoverdrachten na de laatste staatshervorming is het hele budget van de Vlaamse regering ook serieus gegroeid. Wordt er dan onterecht veel geklaagd door kunstenaars? Laermans: Dat denk ik niet. Kunstenaars blijven vaak in zeer precaire omstandigheden werken. De top verdient goed, terwijl de meerderheid weinig tot zeer weinig verdient, en soms zelfs onder de armoedegrens leeft. De vraag is of er een kunstenaarsbeleid of een kunstenorganisatiebeleid gevoerd wordt. Veel van die organisaties zijn goed geprofessionaliseerd, en het is moeilijk om op hun werking en personeelsbestand te besparen. De nieuwe besparingen zullen dus vooral de kunstenaars treffen. Zij verdienen vaak minder dan de programmatoren en de curatoren met wie ze samenwerken. Bert Anciaux heeft als minister van Cultuur het budget verdubbeld, maar de beste maatregel voor kunstenaars is het zogenaamde kunstenaarsstatuut dat op het federale niveau door Yasmine Kherbache is uitgewerkt, toen ze op het kabinet van minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke (SP.A) werkte. Mensen die als kunstenaar actief zijn, kunnen na een aantal gewerkte dagen rekenen op een onbeperkte uitkering tijdens de periodes dat ze geen opdrachten hebben. Het systeem is wel serieus verstrengd, maar dat statuut is nog altijd een zeer belangrijke vorm van indirecte subsidiëring. Deelt u ook de kritiek van de sector op de forse besparingen op projectsubsidies voor veelal jonge kunstenaars? Laermans: Ja. In het verleden hebben we al vaker gezien dat de pot voor projectsubsidies met enkele miljoenen werd verkleind. Dat was in jaren dat ook de grote huizen en organisaties een subsidieronde hadden, en daarvoor geld werd gezocht. Dat is nu niet het geval, het is echt een politieke keuze. Men investeert blijkbaar liever in excellentie aan de top, hoe leeg dat begrip ook is. Waarom is 'excellentie' een leeg begrip? Laermans: Cultuurbeleid hoort niet alleen te gaan over de grootste huizen waarmee we in het buitenland kunnen uitpakken, of waarmee we buitenlandse producties kunnen aantrekken. Overal in Vlaanderen moeten mensen aan cultuur kunnen doen. Die spreiding is belangrijk, tenzij men wil dat net als in de beeldende kunsten in alle sectoren het winner takes all-principe geldt. Ik vraag me soms af wat er met het emancipatoire cultuurflamingantisme van de N-VA is gebeurd. Is iets echt alleen nog maar de moeite als buitenlandse liefhebbers ervoor naar Vlaanderen willen komen? Peter De Roover gaf in november in De afspraak op vrijdag te verstaan wat hij belangrijk vindt in de kunsten: schoonheid. Hij werd daarmee uitgelachen, terwijl veel mensen het misschien wel met hem eens zijn. Laermans: Uit onderzoek blijkt dat de meeste toeschouwers niet op zoek zijn naar schoonheid maar naar ontroering. Dat is ook een romantische opvatting van de kunsten, maar het zijn wel twee verschillende begrippen. Milo Rau maakt geen schoon theater bij NTGent, maar hij weet wel veel mensen te ontroeren met zijn voorstellingen. Daar is een breed publiek voor. Er wordt trouwens zo veel mooie, poëtische kunst gemaakt, en in die zin etaleerde De Roover vooral zijn gebrek aan kennis. Kijk naar wat Luc Tuymans schildert: dat is vaak erg kritisch, terwijl het ook gewoon mooi is. Voorstellingen van Rosas zien er ook prachtig uit, ik ben een fan. Dat geldt soms niet voor het geëngageerde theater dat vandaag populair is, maar de lelijke realiteit waarmee zulke makers werken, kunnen ze moeilijk mooier voorstellen dan ze is. De N-VA wil vanuit de Vlaamse regering ook een culturele canon samenstellen, of laten samenstellen door wetenschappers. Zou u daaraan meewerken? Laermans: Nee. Het debat over de canon is belangrijk, maar het is niet aan de overheid om haar conclusies op te leggen. We hebben echt geen uitgebreide canon nodig voor ons literatuuronderwijs, of voor onze musea. Ik wil wel discussiëren over wat we uit het verleden moeten meenemen. Dat debat wordt vandaag misschien zelfs te weinig gevoerd. In de podiumkunsten wordt repertoire nogal snel aan de kant geschoven als gedateerd. Misschien zijn we daardoor wel teksten vergeten die de moeite zijn om te worden herlezen en zelfs bewerkt. Die discussie moet elke dag opnieuw gevoerd worden, en het is niet aan de minister om ze af te kloppen. Laten we het nog eens de oervraag stellen: waarom moet de overheid cultuur subsidiëren? Er zijn zo veel problemen, zoals kinderarmoede en gehandicaptenzorg, waar vandaag niet genoeg geld voor is. Laermans: Er zijn zo veel argumenten voor cultuursubsidies. Zo heeft onze samenleving een ruimte nodig waar sociale problemen op een directere, verbeeldende manier getoond worden. Als socioloog kan ik alle studies en dikke boeken over armoede van mijn collega's lezen en alle cijfers uit het hoofd leren, maar ik weet dan nog altijd niet helemaal wat het betekent om arm te zijn zonder een film van de broers Dardenne te hebben gezien. Ik kan me wel inlezen in het fenomeen van transgenders, maar ik kan me er pas echt iets bij voorstellen als ik Girl van Lukas Dhont heb bekeken. U merkt dat ik filmmakers als voorbeelden geef. Het gaat in discussies over cultuursubsidies veel te vaak over theater. Het moet minstens ook over film en literatuur gaan. Maar kunnen makers zonder subsidies zulke problemen niet op de agenda zetten? Laermans: Met minder autonomie. Al gebeurt het soms wel. Zo zijn stand-upcomedians vaak uitstekende publieke debaters, maar die autonomie is belangrijk. Een democratie is het aan zichzelf verplicht om kritiek op zichzelf te faciliteren. Kunnen kunstenaars wel echt kritisch zijn als ze, dixit Peter De Roover, 'aan de subsidieslurf' hangen? Laermans: Dat is een vals argument, want wat is het alternatief? Private fondsen die winstgericht zijn zullen niet de vrijheid brengen waar De Roover misschien van droomt. Eens te meer bewijst hij niet te weten waarover hij spreekt. Hij verzwijgt ook dat de meeste cultuurhuizen al veel middelen uit eigen inkomsten halen, al verschilt dat per sector. De podiumkunsten ontvangen 45 à 50 procent van het Vlaamse kunstenbudget, maar dat heeft met de loonkosten te maken. Die kun je niet onbeperkt drukken. Het kost nu eenmaal veel tijd om een tekst van William Shakespeare of de partituur van een symfonie in te studeren. Kunnen bezoekers dan niet gewoon de volle prijs betalen? Laermans: Dan krijgen we prijzen zoals in het Verenigd Koninkrijk of de VS. Daar zijn het vooral rijke, private donateurs die uitmaken wat het aanbod is. Zulke collectioneurs zitten in de raad van bestuur van musea als het Tate Modern, en bepalen op die manier het aankoopbeleid. De symfonieorkesten die door hen gesponsord worden zullen ook niet veel twintigste-eeuwse avant-garde meer brengen, laat staan nieuwe opdrachten geven aan hedendaagse componisten. Ze wonen ook allemaal in dezelfde grote steden, dus alleen daar is er nog een levendig cultuuraanbod. Weet u trouwens dat die donateurs belastingvermindering krijgen voor hun schenkingen? Een studie uit de jaren negentig liet zien dat daarmee het belastinggeld dat in de VS indirect naar cultuur ging helemaal niet zoveel verschilde van wat er hier aan werd uitgegeven. Maar het maakt een groot verschil uit of private donateurs dan wel publieke actoren beslissen waar het geld naartoe gaat. Schrijfster Saskia De Coster pleitte onlangs in Knack voor het mecenaat. Ze vond dat daar nog altijd onterecht een 'zweem van collaboratie' rond hangt. Laermans: Maar dat bestaat al. Zeker in Vlaanderen hebben wij geëngageerde collectioneurs die kunstenaars langdurig volgen en hun in het begin een duw in de rug geven. Ik ben ook blij met de kunstkoopregeling van Sven Gatz, zodat mensen een renteloze lening kunnen aangaan om kunst te kopen. De taxshelter voor film en podiumkunsten is evengoed een succes. Het gaat er niet om dat je ergens voor of tegen bent. We hebben een heel breed kunstenlandschap, en veel verschillende bronnen van financiering zijn daarbinnen complementair. Dus u bent ook gelukkig als u leest dat Fernand Huts een museum opent? Laermans: Ik hoop niet dat de hele kunstenwereld gedomineerd zal worden door ondernemers als Huts of Bernard Arnault, maar zij zijn helaas de enigen die nog echte topwerken kunnen kopen. Het meestgehoorde argument voor kunstensubsidies was het terugverdieneffect: cultuur levert de economie meer op dan de overheid erin steekt. Een echt wervend verhaal was dat niet. Laermans: Dat is een heel gevaarlijk argument, dat in De Morgen terecht werd ontmaskerd door econoom Paul De Grauwe. Dat terugverdieneffect geldt voor veel subsidies. Misschien steekt de overheid haar geld dan beter in wetenschappelijk onderzoek naar geneesmiddelen, want in de farma valt toch meer te verdienen dan met theater? Zo'n argument is aardig om duidelijk te maken dat subsidies niet in een bodemloze put worden gestort, maar daarmee had het mogen ophouden. De gebrekkige participatie van laagopgeleiden maakt dat cultuursubsidies weleens subsidies van arm naar rijk worden genoemd. Klopt dat? Laermans: Statistieken bewijzen dat misschien, maar ik vind dat de werkelijkheid genuanceerder is. Stel dat acht op de tien van de mensen in een zaal hoogopgeleid zijn, dat zou best kunnen. Dat is dan de overduidelijke meerderheid, maar twee op de tien is dus niet hoogopgeleid. It makes a difference. Ik weet waarover ik het heb, want ik kom zelf uit een cultuurarm gezin. Ik had gelukkig een bevlogen leraar Nederlands die mij warm maakte voor de schoonheid van Paul van Ostaijen, al weet ik niet of meneer De Roover dat onder schoonheid verstaat. Ik heb nog les gehad van Herman Deleeck (econoom en CVP-politicus, nvdr). Hij benadrukte het belang van zowel de efficiëntie als de legitimiteit van de verzorgingsstaat. Je kunt van goed verdienende mensen geen bijdragen blijven vragen zonder hen er iets voor terug te geven. Dat is de reden waarom ouders kindergeld krijgen, maar dat geldt ook voor cultuursubsidies. Zelfs al komen ze vooral de hogere klasse ten goede, ze zorgen wel mee voor de legitimiteit van het héle systeem. Maar waarom lukt het niet om meer mensen te laten participeren? De pogingen onder Bert Anciaux zijn mislukt. Laermans: De cultuursector kan daar niet voor zorgen. Het getuigt zelfs van veel pretentie om te denken dat die dat wel zou kunnen. Cultuurparticipatie hangt samen met opleidingsniveau. In de eerste plaats is het gezin waar iemand uit komt bepalend, in de tweede plaats is het onderwijs van belang. Wie denkt dat cultuurhuizen daarvoor kunnen zorgen, begrijpt niets van sociale ongelijkheid. Als het over allochtonen gaat, vind ik het soms zelfs iets neokolonalistisch hebben. Moeten we per se ons best doen om mensen met Afrikaanse roots in de opera of de klassieke concertzaal te krijgen? Dat zijn genres waar zij vaak helemaal niets mee hebben.Het echte drama is trouwens dat het scholingsniveau de afgelopen decennia sterk is gestegen, terwijl de cultuurparticipatie niet navenant is toegenomen. Hoogopgeleiden zetten vroeger de stap naar hoge cultuur, nu blijven ze vaak hangen in alternatieve, populaire cultuur. Ze kopen geen kaartjes meer voor de opera, maar voor een duur concert van Nick Cave. Daar is toch niets mis mee? Laermans: Nee, maar het gesubsidieerde aanbod verliest daardoor aan draagvlak. Jongeren maken van dat aanbod steeds minder gebruik.De laatste jaren worden makers en hun werk vaker afgerekend op hun geslacht, afkomst en huidskleur. Hoe diverser de makers, hoe beter het werk. Vindt u dat een probleem? Laermans: Ja, zeker als die sociale criteria dominant worden. Je kunt geen kwaliteitsoordeel vellen op basis van een quotasysteem. We moeten ons bewust zijn van het belang van diversiteit, maar dat gaat vooral over de personeelsbezetting van cultuurhuizen en gelijke artistieke kansen. Het artistieke eindresultaat moet toch niet naast die lat gelegd worden? Mensen met een migratieachtergrond vertellen toch heel andere verhalen dan autochtonen? Laermans: Dat is waar. Rachida Lamrabet is daar een goed voorbeeld van. Door haar achtergrond heeft ze een unieke stem, maar haar werk is gewoon echt goed.Tot slot: in 2014 schreef u de toekomstige kabinetschef voor cultuur een brief. Een van uw suggesties was dat elke minister van Cultuur 10 procent van zijn budget mag uitgeven volgens zijn persoonlijke smaak. Jan Jambon kreeg kritiek omdat hij het orkest van Jan Caeyers ondanks een negatief advies toch subsidie gaf. Vindt u dat nog altijd een goed idee? Laermans: Zeker, op voorwaarde dat de resterende 90 procent op een transparante manier worden verdeeld. Maar als Jambon die 10 procent aan de opera wil geven, omdat hij daar zo graag komt, moet dat kunnen. We moeten dan maar hopen dat de volgende minister een jazzliefhebber zal zijn. (lacht)