Zo'n zestig boeken heeft hij in zijn rijke loopbaan al geschreven. En deze week rolt alweer nieuw onderzoek van de gerespecteerde criminoloog van de persen - een boek over de opkomst van georganiseerde misdaad in Rotterdam. 'Ik ben al sinds 2011 met emeritaat, maar ik ben niet dood', lacht de Nederlander Cyrille Fijnaut (74), voormalig hoogleraar criminologie en strafrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, de KU Leuven en de Universiteit van Tilburg. Knack sprak met de man in de tuin van zijn huis in Tilburg. 'Hier schreef ik de voorbije jaren de boeken waar ik geen tijd voor had toen ik nog hoogleraar was.'
...

Zo'n zestig boeken heeft hij in zijn rijke loopbaan al geschreven. En deze week rolt alweer nieuw onderzoek van de gerespecteerde criminoloog van de persen - een boek over de opkomst van georganiseerde misdaad in Rotterdam. 'Ik ben al sinds 2011 met emeritaat, maar ik ben niet dood', lacht de Nederlander Cyrille Fijnaut (74), voormalig hoogleraar criminologie en strafrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, de KU Leuven en de Universiteit van Tilburg. Knack sprak met de man in de tuin van zijn huis in Tilburg. 'Hier schreef ik de voorbije jaren de boeken waar ik geen tijd voor had toen ik nog hoogleraar was.' Fijnauts nieuwste werk, De recherche en de zware misdaad in Rotterdam 1966-1996, bouwt voort op onderzoek dat hij eind jaren tachtig deed, toen Nederland zich afvroeg of er wel een probleem van georganiseerde misdaad was. Het is gebaseerd op interviews met 40 rechercheurs, geheime jaarverslagen van het politiekorps in Rotterdam en duizenden krantenberichten. Is dat 'oude' misdaadonderzoek vandaag nog relevant? Wat kunnen we eruit leren? Cyrille Fijnaut: Sommigen denken dat georganiseerde misdaad - inclusief geweld, corruptie en infiltratie in de samenleving - een vrij nieuw fenomeen is. Maar al vanaf eind jaren zestig zag je in Nederland en België de opkomst van georganiseerde misdaad. We hebben dus te maken met een probleem dat ruim een halve eeuw in ons midden is. En dat alleen maar grootschaliger is geworden. Voor een stuk is het ook gewelddadiger geworden, en meer en meer ingebed geraakt in de samenleving. Om het weer beheersbaar te maken, is een strategie op de lange termijn nodig. Helaas heeft de overheid verzuimd een gericht beleid te voeren toen het probleem zichtbaar aan het worden was. Hoe moet je de georganiseerde misdaad dan wel aanpakken? Fijnaut: Je moet zorgen voor een krachtdadige strafrechtelijke aanpak van de sleutelfiguren. Dat is cruciaal. Maar die strafrechtelijke aanpak moet aan de ene kant geflankeerd worden door financiële en fiscale maatregelen. Aan de andere kant moet je bestuurlijke maatregelen nemen om te voorkomen dat men met criminele opbrengsten infrastructuur kan opbouwen in horeca, vastgoed, transportbedrijven enzovoorts. Waarom speelde de horeca een belangrijke rol in de ontwikkeling van de georganiseerde misdaad in Rotterdam? Fijnaut: Je kunt via de horeca relatief gemakkelijk criminele opbrengsten witwassen. Als je op die manier controle krijgt over horecapanden, heb je bovendien plekken waar je mensen in dienst kunt nemen. En waar je met anderen kunt samenkomen om in het geniep de dingen te bespreken. Recente acties tegen de Italiaanse maffia in Nederland, België en het Verenigd Koninkrijk toonden dat pizzeria's ook fungeren als transport- en verdeelplekken. Dus je moet wel uitkijken waar je gaat eten. (lacht)In uw boek staat dat in 1988 in Rotterdam naar schatting 700 tot 800 horecazaken direct of indirect in verband werden gebracht met de georganiseerde misdaad. Fijnaut: Dat is in elk geval wat de rechercheurs beweerden. Spijtig genoeg heeft men uitgerekend in die periode de centrale recherche in Nederland voor een groot deel afgebroken. Terwijl men ze eigenlijk had moeten versterken. Ook in België zijn de centrale diensten van de federale politie afgebouwd. Foute beslissing? Fijnaut: Ik denk het wel. In een land als België is een sterke, gecentraliseerde recherche nodig, die ook regionaal over voldoende gekwalificeerde mensen en middelen beschikt. Natuurlijk is de samenwerking met de lokale politie belangrijk, maar een performante topstructuur is cruciaal voor de internationale contacten. De federale politie is in de financiële crisis haast kapot bezuinigd. Gelukkig wordt er sinds de vorige regering opnieuw in geïnvesteerd. De federale gerechtelijke politie moet haar fiscale, financiële kant versterken en, meer dan nu het geval is, verbinding zoeken met de lokale besturen in de grote steden. Zodat een burgemeester van Antwerpen weet wat er uit strafrechtelijke onderzoeken naar voren komt. En hij in aansluiting daarop bijvoorbeeld vergunningen kan weigeren of panden kan sluiten. Nooit werd in Antwerpen en Rotterdam zo veel cocaïne onderschept als de voorbije twee jaar. In 1982 werd in Rotterdam amper 8 kilo coke in beslag genomen. Waar is het misgegaan? Fijnaut: Het heeft lang geduurd voor men cocaïne is beginnen te problematiseren. Aan de gebruikerskant is cocaïne lange tijd gezien als een drug die misschien wel individueel schade kan aanrichten, maar niet zozeer maatschappelijk. Moet je je daar dan zo druk over maken? Ondertussen is die consumptiemarkt wel gaan boomen. Aan de andere kant: de luitjes die in Zuid-Amerika in de productie zitten, die hebben natuurlijk die vraag zien groeien. Die zijn op steeds grotere schaal gaan aanbieden. Antwerps burgemeester Bart De Wever (N-VA) wijst met de term 'yogasnuivers' naar de recreatieve weekendgebruikers. Heeft hij een punt? Fijnaut: Ik denk het wel, ja. Er is een grote consumptie gegroeid bij mensen die zich cocaïne kunnen permitteren. Ik weet niet of het yogasnuivers zijn, maar er is een breed publiek voor cocaïne, anders kan het niet verklaard worden. U schrijft: 'Door het gevoerde drugsbeleid kon georganiseerde misdaad zich diep nestelen in de Nederlandse samenleving.' Wat bedoelt u precies? Fijnaut: Het Nederlandse drugsbeleid - een gedoogbeleid - was heel erg gebruikersgericht. Maar daardoor werd onvoldoende aandacht besteed aan het feit dat er ook wel een grote productiecapaciteit werd opgebouwd. Eind jaren negentig werden de cannabisplantages en drugslabs in Nederland almaar groter. Toen waarschuwde ik dat Nederland zoals Colombia aan het worden was. Want drugsproductie legt een enorm beslag op de samenleving. Dan heb je locaties nodig, mensen die kunnen produceren, productiemiddelen én transport. Dat heeft men in Nederland te lang onderschat. Waardoor het probleem heel groot is geworden. Zegt u: 'België, legaliseer niet'? Fijnaut: Met wijlen Brice De Ruyver heb ik in 2014 een boek geschreven, De derde weg: een pleidooi voor een evenwichtig cannabisbeleid. Boodschap: op een gegeven moment zal in Europa een situatie ontstaan waarin wij ons moeten afvragen of we niet moeten overgaan tot een legalisering van cannabis. En als je het doet, dan het best in EU-verband én onder een aantal voorwaarden. Je hebt nog altijd een krachtdadige politie en justitie nodig om de zwarte markt onder controle te houden. Bestcasescenario is dus een Europese oplossing: legaliseer weed in heel de Europese Unie? Fijnaut: Dat is de beste oplossing, ja. Kijk naar wat er gebeurt in Amerika en Canada. Op een gegeven moment ligt het thema toch op tafel. Daarom pleit ik ervoor om de discussie op gang te brengen in Brussel. Maar spijtig genoeg: ook in het laatste drugsbeleid van de Europese Commissie staat géén woord over deze ontwikkelingen. Dat vind ik echt helemaal verkeerd, want we staan aan de vooravond van een vrij stevig debat over die legalisering. U hebt intussen ruim zestig boeken op uw palmares. Volgen er nog? Fijnaut: Mijn volgende grote boekproject blikt terug op de voorbije kwarteeuw misdaadbestrijding in Nederland. En vervolgens hoop ik de geschiedenis van de Belgische politie te kunnen schrijven. Ik heb veel energie. En nieuwsgierigheid is mijn drijfveer.