'Uiteindelijk heb ik toch liever contact met frisse lucht en levende mensen', zegt Charlotte Colman over haar aanvankelijke voornemen om forensisch patholoog te worden. 'Ik denk dat je met die job echt iets kunt betekenen voor de nabestaanden. Weten hoe iemand aan zijn einde is gekomen, is zo enorm belangrijk. Nu ja, misschien is het niet erg dat ik het nooit ben geworden.'
...

'Uiteindelijk heb ik toch liever contact met frisse lucht en levende mensen', zegt Charlotte Colman over haar aanvankelijke voornemen om forensisch patholoog te worden. 'Ik denk dat je met die job echt iets kunt betekenen voor de nabestaanden. Weten hoe iemand aan zijn einde is gekomen, is zo enorm belangrijk. Nu ja, misschien is het niet erg dat ik het nooit ben geworden.' Het werd dus criminologie, al dan niet toevallig die andere studierichting waarbij al eens een lijk de revue passeert. Onder de vleugels van de invloedrijke Brice De Ruyver doctoreerde ze over drugshandel. Een moeilijk onderwerp, en niet alleen omdat drugsbendes doorgaans een zekere discretie over hun levenswandel proberen te bewaren. Het is puzzelen, geeft Colman toe. 'We hebben natuurlijk politionele en gerechtelijke data, maar die gaan enkel over de criminaliteit die ontdékt wordt. Daarnaast spreek ik geregeld met speurders en magistraten, en natuurlijk ook met de dealers zelf.' 'Het belangrijkste bij zulke gesprekken', aldus Colman, 'is een vertrouwensband. Beide partijen moeten zich op hun gemak voelen. Als ik met iemand ga praten in de gevangenis, krijg ik vaak een noodknop waarop ik kan duwen als ik in gevaar ben. Ik leg die altijd meteen weg. Je zou ervan opkijken hoe graag zulke mensen willen praten.' Drugshandel en de bijbehorende veiligheidsproblemen staan eens te meer pijnlijk hoog op de politieke agenda. In Antwerpen ontploften de voorbije weken opnieuw granaten. Een autohandel in Wilrijk werd zelfs beschoten met een machinegeweer. Wij spreken Colman in het veilige Gent, op een boogscheut van de Universiteitsstraat, waar de Criminologie kantoor houdt. Hoe verklaart u de incidenten met granaten in Antwerpen? Charlotte Colman: Als er geweld is, wijst dat er meestal op dat de concurrentie op de drugsmarkt toeneemt. Daardoor gaan de bendes hun terrein verdedigen, vaak met geweld. Een tweede mogelijkheid is dat het om intimidatie gaat, bijvoorbeeld van personen die niet willen meewerken, of van bendeleden die eruit willen stappen. En er is natuurlijk ook de hypothese dat criminele organisaties iemand opzettelijk in het vizier van justitie en politie proberen te brengen. Op die manier kun je een vals spoor leggen, of een concurrent uitschakelen. Hoe hoog staan die Antwerpse bendes in de spreekwoordelijke voedselketen? Colman: Als het over de cocaïnehandel via België gaat, zitten de belangrijkste bendes in Nederland. België is in de cocaïnehandel een transitland: we hebben een fantastische internationale luchthaven en een enorme zeehaven, we liggen centraal in Europa, in het midden van de Schengenzone. Aanvankelijk zaten die Antwerpse bendes in wat we de detailhandel noemen: zeg maar het organiseren van de straatdealers. Tegenwoordig zijn veel Antwerpse bendes opgeklommen naar de zogenaamde tussenhandel: het versnijden en verdelen van de cocaïne. Vermoedelijk komt dat omdat de organisatoren van de invoer de Antwerpse bendes op een bepaald moment uitbetaalden in cocaïne. Daardoor konden ze zelf coke op de markt brengen. Moeten we niet gewoon strenger controleren in de Antwerpse haven?Colman: Dat is niet zo eenvoudig. Eerst en vooral komt er elke dag een enorme hoeveelheid containers de haven binnen. Die kun je onmogelijk allemaal controleren. Bovendien blijven controles niet zonder gevolg. Drugs zitten vaak in containers fruit. Als je die openmaakt, begint alles te rotten en is de hele lading om zeep. Je moet dus goed nadenken over de kosten en de baten van de controles. Bovendien wordt gesmokkelde cocaïne steeds moeilijker te traceren. Vandaag wordt cocaïne soms vloeibaar gemaakt en gedrenkt in kleren, waarna die er met een chemisch proces in zogenaamde 'cocaïnewasserijen' weer wordt uitgehaald. Het Stroomplan is een vorig jaar opgestart samenwerkingsverband tussen federale en lokale politie, parket en douane om de drugscriminaliteit in Antwerpen aan te pakken. Klopt het dat burgemeester Bart De Wever u gevraagd heeft om het te evalueren? Colman: Zoals het meestal gaat met onderzoeksprojecten, heb ik samen met mijn team deelgenomen aan een tender voor dat onderzoek, en zijn we uiteindelijk geselecteerd om de evaluatie van het Stroomplan uit te voeren. We gaan na welke voorgestelde maatregelen daadwerkelijk geïmplementeerd zijn. Meer kan ik er momenteel niet over vertellen. Wat is het voornaamste cliché over drugshandel dat u uit de wereld wilt helpen? Colman: Dat het een ver-van-ons-bedshow is. Mensen denken bij drugshandel spontaan aan gekke toestanden in Colombia of Mexico. Maar wij zijn, samen met Nederland, evenzeer een productieland. Meer nog: we zijn hét productieland voor synthetische drugs. Wij zijn in het buitenland niet alleen bekend voor onze chocolade en frieten, maar ook voor onze synthetische drugs. Hoe verklaart u dat? Colman: Die synthetische drugs zijn eigenlijk een Nederlands fenomeen, dat dateert uit de jaren zeventig. Het is een business die in handen is van autochtone Nederlanders, doorgaans zijn het van oorsprong woonwagenbewoners die uitgebreide familiebanden hebben. Dat die laboratoria nu ook opgezet worden in België, heeft vooral te maken met risicospreiding. In Zuid-Nederland zijn de controles ook aangescherpt, waardoor groeperingen hun heil elders in Nederland gaan zoeken. En dus gaan ze ook de grens over, zowel naar België als naar Duitsland. In Nederland gaan drugsbendes een stuk driester te werk. In september werd Derk Wiersum vermoord, als advocaat in een drugsproces. Colman: De drugsmarkt is inderdaad zichtbaarder in Nederland dan in België. In Nederland gebeurt het veel vaker dat burgemeesters of officieren van justitie worden geïntimideerd. Nederland wordt weleens een narcostaat genoemd. Colman: Ik snap de verleiding om die term te gebruiken, maar je kunt de situatie in Nederland niet vergelijken met die van bepaalde Zuid-Amerikaanse landen. Er zijn geen bendeoorlogen die duizenden slachtoffers veroorzaken in Nederland. Er is geen algehele infiltratie van de bestuurlijke wereld. Dat neemt niet weg dat de situatie in Nederland ernstig is. Met de moord op Wiersum is alweer een grens overschreden. Acht u het mogelijk dat we ook in België met dat geweld zullen worden geconfronteerd? Colman:(blaast) Dat kun je onmogelijk voorspellen. Het is natuurlijk wel zo dat Nederland daarop reageert. Ferdinand Grapperhaus, de minister van Justitie en Veiligheid, heeft honderd miljoen euro uitgetrokken voor maatregelen om ondermijning van de rechtsstaat tegen te gaan. Dat kan ook gevolgen hebben voor ons. Op welke manier? Colman: De Belgische en de Nederlandse drugsmarkt zijn communicerende vaten. Cru gesteld: als Nederland successen boekt in de strijd tegen de drugsbendes, gaan wij dat voelen. Dan kan een deel van de activiteiten in Nederland verschuiven naar België. We zullen dus bij de les moeten blijven. We mogen de aanpak van de drugshandel niet laten verwateren, zoals dat in Nederland is gebeurd. Hebben we enig idee hoe groot de drugsmarkt is? Colman: We stellen vast dat de drugsmarkt aan het vergroten is. Dat zie je bijvoorbeeld aan het aantal drugslabs dat we ontdekken. In 2011 waren dat er vijf, dit jaar zitten we al aan zeventien. Ook het aantal dumpingen is toegenomen. In 2011 waren dat er vier, dit jaar hebben we al dertig dumpplekken gevonden. Die dumpingen zijn een onderschat probleem. Voor een kilogram MDMA zit je al gauw aan zes à tien kilo zwaar toxisch afval. Voor een kilo amfetamines zit je aan dertig kilo. Al dat afval wordt massaal gedumpt en veroorzaakt een enorme vervuiling van het milieu en het grondwater. Uiteindelijk krijgen wij daar allemaal mee te maken. Hoe weet een drugsgebruiker eigenlijk wat hij neemt? Colman: Niet. Gebruikers blijken bijzonder slecht in het inschatten van wat ze nemen. Er wordt vandaag nagedacht over pill testing: een concept waarbij je gebruikers de mogelijkheid geeft om te testen wat ze innemen. Er bestaat alleen geen wettelijk kader voor. Bent u daar voorstander van? Colman: Ja. Ik vind dat we moeten nadenken hoe we dat juridisch kunnen invullen. Het is een interessante manier om aan harm reduction te doen. Tegenstanders zullen beweren dat u zo de strijd tegen drugs eigenlijk opgeeft. Colman: Het Belgische drugsbeleid is vrij duidelijk: wij doen aan repressie én aan preventie. Als we geconfronteerd worden met probleemgebruikers, zetten we in op hulpverlening. Als de daders handelen uit puur winstbejag, doen we aan repressie. Pill testing is, net zoals spuitenruil, een manier om te voorkomen dat gebruikers zichzelf schade toebrengen. Ik vind dat zoiets een plaats kan hebben in een drugsbeleid. Ligt de verhouding tussen repressie en preventie goed in het Belgische beleid? Colman: De jaarlijkse sociale kosten van het gebruik van legale en illegale drugs in ons land bedragen 4,63 miljard euro, omgerekend ongeveer 420 euro per inwoner. Het grootste deel van dat geld gaat naar hulpverlening, vooral voor alcohol- en tabaksverslaving. Het is dus niet zo dat het grootste deel van de kosten naar repressie gaat. Voeren wij dan geen war on drugs? Colman: Ik vind het een slecht gekozen term, omdat het zo lijkt alsof we in België enkel aan repressie doen. Er is geen war on drugs in België. De war on drugs stamt uit de tijd van president Richard Nixon. Je kunt die context gewoon niet vergelijken met vandaag. De misdaad zal de misdaadbestrijding altijd voor blijven. Is decriminalisering niet de enige manier om die misdaad echt te raken? Colman: Ik zou niet weten hoe decriminalisering van het bezit en de handel in pakweg cocaïne een oplossing is voor de criminaliteit die veroorzaakt wordt door de Antwerpse haven. De cocaïne die daar binnenkomt, wordt vooral geëxporteerd. Zelfs als we die in België zouden legaliseren, blijft cocaïnehandel een uiterst lucratieve industrie. Uw collega Tom Decorte pleit al jaren voor de legalisering van softdrugs. Steunt u dat pleidooi? Colman: Ik vind het een belangrijk debat. Alleen moeten we wel heel goed weten waarover we praten. Wat bedoelen we precies met legalisering? En hoe ga je de markt precies reguleren? Laat je de vrije markt zijn ding doen, of geef je een monopolie aan de overheid? Er is een hemelsbreed verschil tussen een commercieel model zoals in Colorado en het model in Uruguay, waarbij de overheid de markt controleert. Ik denk dat we heel goed moeten nadenken over de mogelijke gevolgen voor we het beleid aanpassen. Er bestaan verbazingwekkend weinig studies over welke impact zulke maatregelen hebben, en de conclusies van die studies zijn vaak dubbelzinnig. Om een voorbeeld te geven: er is onderzoek gedaan naar de impact van legalisering op geweld. Dat onderzoek laat zien dat legalisering in eerste instantie leidt tot een toename van het geweld, in tweede instantie tot een stabilisering. Daar is ook een logische verklaring voor. Legalisering verkleint de illegale markt, waardoor de concurrentiestrijd binnen die markt harder en gewelddadiger wordt. Alcohol is een harddrug die legaal is. Bewijst de afwezigheid van een gewelddadige alcoholmaffia niet het punt van de activisten die pleiten voor legaliseren? Colman: Maar net bij alcohol willen we strenger gaan optreden om vat te krijgen op het alcoholmisbruik, vooral bij jongeren. Het is toch schokkend dat we er in België niet in slagen een alcoholplan te realiseren, ondanks alle rapporten die de gezondheidsrisico's aangeven? De alcohollobby slaagt erin om alle aanbodbeperkende maatregelen te laten blokkeren. Belangrijke alcoholproducerende landen als België hebben het moeilijk om de volksgezondheid te laten voorgaan op puur economische belangen. Weten we of legalisering een impact heeft op het gebruik? Colman: Bij sommige groepen wel, bij andere niet. In elk geval kan je niet zomaar zeggen: legalisering werkt. Het is veel complexer, en er is ook gewoon te weinig studiemateriaal om een juiste keuze te kunnen maken. Dat laatste punt vind ik echt essentieel. Er is geen wetenschappelijke evidentie voor de stelling dat legalisering criminaliteit doet verdwijnen. Het is correcter om te zeggen: we weten het niet. Drugshandel bestaat uiteraard maar bij de gratie van de drugsgebruiker. Weten we wat werkt om mensen van de drugs af te houden? Colman: Ik heb mijn doctoraat geschreven over hoe mensen stoppen met drugs. Kort samengevat kun je zeggen dat ze de drugs doorgaans afzweren omdat ze in hun leven met een belangrijke gebeurtenis worden geconfronteerd. Ze worden vader, bijvoorbeeld. Aan de andere kant zie je dat het herstelproces vaak wordt bemoeilijkt door de maatschappij, en hoe die denkt over gebruikers en voormalige gebruikers. Onderzoek laat zien dat we daar hypocriet in zijn. Als maatschappij willen we heel graag dat mensen stoppen met gebruiken. Maar niemand wil naast zo'n voormalige gebruiker wonen. In feite maken mensen geen verschil tussen gebruikers en voormalige gebruikers. Het stigma blijft gewoon bestaan. Eens een drugsgebruiker, altijd een drugsgebruiker: dat idee hebben véél mensen. Valt daar iets aan te doen? Colman: Ik werk vandaag aan een project om het herstelproces te vergemakkelijken. Een van de hinderpalen is het feit dat er zedig over dat proces gezwegen wordt. We spreken niet over herstel, terwijl je het feit dat iemand uit de goot is gekropen ook als een soort wedergeboorte zou kunnen vieren. En misschien moeten we ook eens nadenken over het taalgebruik dat we hier hanteren. De term 'ex-drugsgebruiker' werkt stigmatiserend. Het zou beter zijn om zo iemand 'een persoon in herstel' te noemen. Dat klinkt voor jullie misschien kumbaya. Maar dat zou echt een verschil maken.