Vorig jaar bracht het International Panel on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) zijn eerste Global Assessment Report uit. De conclusie was ontluisterend. Eén miljoen soorten planten en dieren zijn met uitsterven bedreigd. Talrijke soorten verdwijnen, enkele breiden uit. Onder die laatste een groeiend aantal pathogenen, zoals coronavirussen. De belangrijkste oorzaken van beide trends zijn verandering in landgebruik, directe exploitatie van organismen, klimaatverandering, invasieve soorten en verontreiniging.

Door verandering in landgebruik, zoals ontbossing, krimpt het leefgebied van wilde dieren in die mate dat ze hun toevlucht moeten zoeken tot menselijke nederzettingen, als ze daar überhaupt kunnen overleven. Deze dieren dragen -zoals mensen overigens- een grote variatie aan micro-organismen in zich, ze zijn samen geëvolueerd tot specifieke ecologische systemen. Maar een micro-organisme dat nuttig of onschadelijk is voor de ene soort, kan pathogeen of zelfs dodelijk zijn voor een andere. Nabijheid tussen wilde dieren en mensen leidt onvermijdelijk tot overdracht van micro-organismen, inclusief pathogenen. 70 tot 75 procent van de infectieziekten die gedurende de laatste 30 jaar opdoken zijn van dierlijke afkomst, de meerderheid van wilde dieren.

Covid-19 is geen eenmalige tegenvaller: we moeten onze relatie met de natuur herzien.

In Indonesië leidde ontbossing voor palmolieplantages tot schaarste aan bosvruchten en een massale migratie van vruchtenetende vleerhonden naar Singapore, Maleisië, Bangladesh, India en zelfs Australië. De uitbraken van het Hendravirus in Australië en het Nipahvirus in Maleisië en Bangladesh, twee virussen waarvan de vleerhond drager is, staan hier mogelijk mee in verband. In Centraal- en West-Afrika worden ontbossing en vleerhonden gelinkt aan uitbraken van het Marburg- en het Ebolavirus. En in Madagaskar lijken uitbraken van de pest in verband te staan met ontbossing. Talrijke soorten knaagdieren, natuurlijke dragers van de pestbacterie, komen daardoor dichter bij de mens, die via vlooienbeten besmet raakt. Vleermuizen en knaagdieren zijn notoir, mede omdat ze in tegenstelling tot veel andere soorten niet met hun leefgebied mee verdwijnen, maar hun plek opeisen tussen de mensen.

Directe exploitatie van organismen, voor voedsel of andere toepassingen, is een tweede pad dat wilde dieren tussen de mensen brengt. Dat de Chinese wet markets met hun gamma aan wilde dieren tot de hot spots voor overdracht behoren, hebben SARS en Covid-19 ons ondertussen wel duidelijk gemaakt. Nota bene, België is een beruchte draaischijf van Afrikaans bushmeat op doortocht naar China. Los daarvan zijn het hier vooral de dierenwinkels en -markten die wilde dieren tussen de mensen brengen, zij het dan als huisdier. Ook internetplatformen dragen meer en meer bij. Niet alleen papegaaien en parkieten, maar ook slangen, gekko's, schildpadden, eekhoorns, zelfs vleermuizen en tal van knaagdieren vinden vlotjes hun weg naar Vlaamse huiskamers, inclusief een meute micro-organismen. Die laatsten hebben de mens nog geen rampen bezorgd, de natuur echter wel.

Een voorbeeld is de schimmel Batrachochytrium salamandrivorans, die meer dan waarschijnlijk naar Europa reisde met Zuidoost-Aziatische salamanders. In Nederlands-Limburg kwam de schimmel in de natuur terecht, misschien met het water van een aquarium. Op enkele jaren tijd bezweken daar zo goed als alle vuursalamanders aan deze schimmel. Die zet ondertussen zijn kruistocht voort door Nederland, België en Duitsland. Onlangs dook hij ook in Spanje op. Zijn sporen overleven dagen op de bosbodem, op de poten van vogels en uiteraard ook op onze schoenen. Gelijkaardige taferelen spelen zich ook elders in de wereld af. Een kikkerschimmel leidde tot het uitsterven van wel 200 soorten zeldzame en minder zeldzame kikkers. En in Noord-Amerika veroorzaakte het witneussyndroom de dood van miljoenen vleermuizen, het gevolg van een Europese schimmel die hier onschuldig lijkt.

Maar het zijn niet altijd wilde dieren, ook gedomesticeerde dieren wisselen micro-organismen uit met mensen. Vooral de industriële veehouderij met zijn opeengepakte dieren en vele transporten biedt pathogenen kansen. Dat industriële veehouderij, verwante soorten in de natuur en hoge bevolkingsdichtheden een explosieve mix vormen, heeft de vogelgriep ondertussen meermaals aangetoond.

Klimaatverandering faciliteert infectieziekten. In Afrika bleken de opeenvolgende Ebola-uitbraken samen te vallen met ongewoon droog weer. Daardoor waren er minder bosvruchten en zochten nog meer vleerhonden hun toevlucht tot menselijke nederzettingen. Daar viel de oogst tegen en trokken dorpelingen de bossen in op zoek naar voedsel, dikwijls diezelfde bosvruchten. Naarmate de temperatuur toeneemt breiden tropische pathogenen hun areaal uit. Zo kregen Frankrijk en Kroatië met tropische knokkelkoorts af te rekenen, en Italië en Frankrijk met Centraal- en Oost-Afrikaanse chikungunyakoorts. Verlengende zomerseizoenen zijn een andere troef voor pathogenen. Een langer tekenseizoen betekent meer risico op de ziekte van Lyme.

Ook invasieve soorten, een gevolg van onze doldraaiende globalisering, faciliteren infectieziekten. De uitbraken van tropische knokkelkoorts en chikungunyakoorts waren slechts mogelijk dankzij het opduiken van de Aziatische tijgermug in Europa, een mug die berucht is voor het verspreiden van ziekten, waaronder ook gele koorts, westnijlziekte, zikakoorts en verschillende vormen van encefalitis. De mug kwam hier hoogstwaarschijnlijk terecht als verstekeling in vocht in geïmporteerde autobanden. Invasieve soorten infecteren ook wilde dieren. De Amerikaanse stierkikker verspreidt mee de hierboven beschreven Aziatische salamanderschimmel. De Amerikaanse grijze eekhoorn brengt zijn parapokkenvirus over op onze rode eekhoorn, die daardoor uit grote delen van de UK verdween. En de Amerikaanse rivierkreeft bedreigt de Europese rivierkreeften met zijn kreeftenpest. De globalisering zorgt er overigens voor dat nieuwe infectieziekten zich razendsnel over de wereld kunnen verspreiden, zoals nu met Covid-19 gebeurt.

Ondertussen verzwakt zowel de menselijke als de ecologische veerkracht. Dat Covid-19 zoveel impact heeft in Chinese grootsteden en in West-Europa heeft ook met de slechte luchtkwaliteit te maken, die ons extra vatbaar maakt voor respiratoire ziekten. Binnen de natuur geldt overigens hetzelfde. 20% van de bomen in Vlaamse bossen zijn ziek. Door luchtverontreiniging en klimaatverandering werden ook zij extra vatbaar voor infectieziekten.

Laat één ding duidelijk zijn: Covid-19 is geen eenmalige tegenvaller. Het is één van de stuiptrekkingen van een systeem dat zijn limieten overschreden heeft, en die stuiptrekkingen worden steeds krachtiger. We bevinden ons op de Titanic en de ijsberg is zichtbaar. Het zal niet helpen om enkele wet markets te sluiten. We moeten onze relatie met de natuur grondig herzien, onze plek terugvinden als onderdeel van de natuur. Laat ons de krachtdadige aanpak van de Covid-19 crisis doortrekken naar de gehele biodiversiteits- en de klimaatcrisis, en nieuwe samenlevingen bouwen gericht op sociaal-ecologische veerkracht in plaats van competitie en consumptie. Het is hoogdringend, we spelen met vuur.

Myriam Dumortier doceert Bos- en natuurbeleid aan de UGent en is lid van de Denktank Oikos.

Vorig jaar bracht het International Panel on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) zijn eerste Global Assessment Report uit. De conclusie was ontluisterend. Eén miljoen soorten planten en dieren zijn met uitsterven bedreigd. Talrijke soorten verdwijnen, enkele breiden uit. Onder die laatste een groeiend aantal pathogenen, zoals coronavirussen. De belangrijkste oorzaken van beide trends zijn verandering in landgebruik, directe exploitatie van organismen, klimaatverandering, invasieve soorten en verontreiniging.Door verandering in landgebruik, zoals ontbossing, krimpt het leefgebied van wilde dieren in die mate dat ze hun toevlucht moeten zoeken tot menselijke nederzettingen, als ze daar überhaupt kunnen overleven. Deze dieren dragen -zoals mensen overigens- een grote variatie aan micro-organismen in zich, ze zijn samen geëvolueerd tot specifieke ecologische systemen. Maar een micro-organisme dat nuttig of onschadelijk is voor de ene soort, kan pathogeen of zelfs dodelijk zijn voor een andere. Nabijheid tussen wilde dieren en mensen leidt onvermijdelijk tot overdracht van micro-organismen, inclusief pathogenen. 70 tot 75 procent van de infectieziekten die gedurende de laatste 30 jaar opdoken zijn van dierlijke afkomst, de meerderheid van wilde dieren. In Indonesië leidde ontbossing voor palmolieplantages tot schaarste aan bosvruchten en een massale migratie van vruchtenetende vleerhonden naar Singapore, Maleisië, Bangladesh, India en zelfs Australië. De uitbraken van het Hendravirus in Australië en het Nipahvirus in Maleisië en Bangladesh, twee virussen waarvan de vleerhond drager is, staan hier mogelijk mee in verband. In Centraal- en West-Afrika worden ontbossing en vleerhonden gelinkt aan uitbraken van het Marburg- en het Ebolavirus. En in Madagaskar lijken uitbraken van de pest in verband te staan met ontbossing. Talrijke soorten knaagdieren, natuurlijke dragers van de pestbacterie, komen daardoor dichter bij de mens, die via vlooienbeten besmet raakt. Vleermuizen en knaagdieren zijn notoir, mede omdat ze in tegenstelling tot veel andere soorten niet met hun leefgebied mee verdwijnen, maar hun plek opeisen tussen de mensen.Directe exploitatie van organismen, voor voedsel of andere toepassingen, is een tweede pad dat wilde dieren tussen de mensen brengt. Dat de Chinese wet markets met hun gamma aan wilde dieren tot de hot spots voor overdracht behoren, hebben SARS en Covid-19 ons ondertussen wel duidelijk gemaakt. Nota bene, België is een beruchte draaischijf van Afrikaans bushmeat op doortocht naar China. Los daarvan zijn het hier vooral de dierenwinkels en -markten die wilde dieren tussen de mensen brengen, zij het dan als huisdier. Ook internetplatformen dragen meer en meer bij. Niet alleen papegaaien en parkieten, maar ook slangen, gekko's, schildpadden, eekhoorns, zelfs vleermuizen en tal van knaagdieren vinden vlotjes hun weg naar Vlaamse huiskamers, inclusief een meute micro-organismen. Die laatsten hebben de mens nog geen rampen bezorgd, de natuur echter wel. Een voorbeeld is de schimmel Batrachochytrium salamandrivorans, die meer dan waarschijnlijk naar Europa reisde met Zuidoost-Aziatische salamanders. In Nederlands-Limburg kwam de schimmel in de natuur terecht, misschien met het water van een aquarium. Op enkele jaren tijd bezweken daar zo goed als alle vuursalamanders aan deze schimmel. Die zet ondertussen zijn kruistocht voort door Nederland, België en Duitsland. Onlangs dook hij ook in Spanje op. Zijn sporen overleven dagen op de bosbodem, op de poten van vogels en uiteraard ook op onze schoenen. Gelijkaardige taferelen spelen zich ook elders in de wereld af. Een kikkerschimmel leidde tot het uitsterven van wel 200 soorten zeldzame en minder zeldzame kikkers. En in Noord-Amerika veroorzaakte het witneussyndroom de dood van miljoenen vleermuizen, het gevolg van een Europese schimmel die hier onschuldig lijkt.Maar het zijn niet altijd wilde dieren, ook gedomesticeerde dieren wisselen micro-organismen uit met mensen. Vooral de industriële veehouderij met zijn opeengepakte dieren en vele transporten biedt pathogenen kansen. Dat industriële veehouderij, verwante soorten in de natuur en hoge bevolkingsdichtheden een explosieve mix vormen, heeft de vogelgriep ondertussen meermaals aangetoond. Klimaatverandering faciliteert infectieziekten. In Afrika bleken de opeenvolgende Ebola-uitbraken samen te vallen met ongewoon droog weer. Daardoor waren er minder bosvruchten en zochten nog meer vleerhonden hun toevlucht tot menselijke nederzettingen. Daar viel de oogst tegen en trokken dorpelingen de bossen in op zoek naar voedsel, dikwijls diezelfde bosvruchten. Naarmate de temperatuur toeneemt breiden tropische pathogenen hun areaal uit. Zo kregen Frankrijk en Kroatië met tropische knokkelkoorts af te rekenen, en Italië en Frankrijk met Centraal- en Oost-Afrikaanse chikungunyakoorts. Verlengende zomerseizoenen zijn een andere troef voor pathogenen. Een langer tekenseizoen betekent meer risico op de ziekte van Lyme.Ook invasieve soorten, een gevolg van onze doldraaiende globalisering, faciliteren infectieziekten. De uitbraken van tropische knokkelkoorts en chikungunyakoorts waren slechts mogelijk dankzij het opduiken van de Aziatische tijgermug in Europa, een mug die berucht is voor het verspreiden van ziekten, waaronder ook gele koorts, westnijlziekte, zikakoorts en verschillende vormen van encefalitis. De mug kwam hier hoogstwaarschijnlijk terecht als verstekeling in vocht in geïmporteerde autobanden. Invasieve soorten infecteren ook wilde dieren. De Amerikaanse stierkikker verspreidt mee de hierboven beschreven Aziatische salamanderschimmel. De Amerikaanse grijze eekhoorn brengt zijn parapokkenvirus over op onze rode eekhoorn, die daardoor uit grote delen van de UK verdween. En de Amerikaanse rivierkreeft bedreigt de Europese rivierkreeften met zijn kreeftenpest. De globalisering zorgt er overigens voor dat nieuwe infectieziekten zich razendsnel over de wereld kunnen verspreiden, zoals nu met Covid-19 gebeurt.Ondertussen verzwakt zowel de menselijke als de ecologische veerkracht. Dat Covid-19 zoveel impact heeft in Chinese grootsteden en in West-Europa heeft ook met de slechte luchtkwaliteit te maken, die ons extra vatbaar maakt voor respiratoire ziekten. Binnen de natuur geldt overigens hetzelfde. 20% van de bomen in Vlaamse bossen zijn ziek. Door luchtverontreiniging en klimaatverandering werden ook zij extra vatbaar voor infectieziekten.Laat één ding duidelijk zijn: Covid-19 is geen eenmalige tegenvaller. Het is één van de stuiptrekkingen van een systeem dat zijn limieten overschreden heeft, en die stuiptrekkingen worden steeds krachtiger. We bevinden ons op de Titanic en de ijsberg is zichtbaar. Het zal niet helpen om enkele wet markets te sluiten. We moeten onze relatie met de natuur grondig herzien, onze plek terugvinden als onderdeel van de natuur. Laat ons de krachtdadige aanpak van de Covid-19 crisis doortrekken naar de gehele biodiversiteits- en de klimaatcrisis, en nieuwe samenlevingen bouwen gericht op sociaal-ecologische veerkracht in plaats van competitie en consumptie. Het is hoogdringend, we spelen met vuur. Myriam Dumortier doceert Bos- en natuurbeleid aan de UGent en is lid van de Denktank Oikos.