Dit verhaal vertellen is moeilijk. Christel (56) houdt er drie dagen hoofdpijn aan over. Maar ze wil en ze zal het doen. Misschien hebben lotgenoten er iets aan.
...

Dit verhaal vertellen is moeilijk. Christel (56) houdt er drie dagen hoofdpijn aan over. Maar ze wil en ze zal het doen. Misschien hebben lotgenoten er iets aan. Bij momenten slaat haar een verlammende angst om het hart. Het gebeurt de laatste tijd almaar vaker, hoezeer ze het gevoel ook probeert weg te drukken. Stel je voor dat dit het is, dat ik straks doodga zonder ooit geluk te hebben gekend.Al een heel leven lang bekwaamt ze zich in de kunst van het bagatelliseren. Mensen met kanker, kinderen die honger lijden, dát is pas erg. Noem het een overlevingsmechanisme, want veel keuze heeft ze nooit gehad. Haar eerste herinnering is een geweersalvo in de slaapkamer van haar ouders. Kapotgeschoten hoofdkussen, gaten in de bedsprei. Ze is een meisje van vier en zit met haar moeder op bed. Gillend. Met het schiettuig dat normaal aan de slaapkamermuur hangt, heeft vader getoond hoe het zit. Zo is hij niet altijd. Het is de drank die hem boos maakt. Christel kent hem als een buitenissige man die op de paarden wedt, champagne drinkt in het casino van Middelkerke en een hoerentent als vaste stek heeft. Ze is papa's meisje, het kind van minder dan een meter dat onder het gelach van de omstanders zijn sigaretten voor hem aansteekt. Haar moeder herinnert ze zich als een knappe, elegante vrouw, die houdt van dure spullen. Tot Christel tien is, wonen ze achter in de bakkerij, daarna verhuizen ze naar een villaatje. Kort nadat ze daar zijn ingetrokken, brengt vader een nieuw geweer mee. Het beste van het beste, pocht hij, met een vizier en een afgezaagde loop. Hij legt het op zolder, voor als hij het nodig zou hebben. Christels kindertijd is die van de getuige. Vader raast, tiert, slaat, gooit de tafel om als hij andermaal vermoedt dat zijn vrouw hem wil vergiftigen. Het is een verhaal van blauwe plekken, tranen en een zonnebril, zelfs bij slecht weer. Iedereen weet wat er gebeurt, maar niemand doet wat. Mensen bemoeien zich niet met andermans zaken. Ook op Christel bekoelt vader zijn woede. Hij raakt haar dan wel niet aan, hij breekt haar mentaal. Door cadeaus terug te eisen en te vernielen. Of te dreigen dat hij haar hondje zal verhangen. Augustus 1979. Christel ziet die avond nog voor zich. Veertien is ze, en ze is vast van plan om het huis uit te gaan. Voorgoed weg van dat vreselijke oord, met een eeuwig klagende, huilerige moeder, een kapotgeslagen badkamer, stukgesneden kleren. Bij haar vriendinnen gebeuren zulke dingen niet - daarom gaat ze er zo graag logeren. In de andere kamer hoort ze de zoveelste ruzie. Ze is boos, doet de slaapkamerdeur open. Op dat moment schiet hij. Christel ziet het lichaam van haar moeder op de grond vallen. De dag nadien wordt Christel bij haar oma geplaatst. 'Wanneer ga je naar het kerkhof?' vraagt die geregeld, als enige verwijzing naar wat er is gebeurd. Op het proces, twee jaar later, wordt vader veroordeeld tot een kwarteeuw cel. Elf jaar later is hij op vrije voeten. Christel gaat niet op bezoek. Een enkele keer beantwoordt ze een brief, maar als oma erachter komt, houdt het op. In 2015 ontmoeten vader en dochter elkaar - haar omgeving gelooft dat het goed voor haar zal zijn. Of ze wel weet, vraagt hij, wat het is om al die jaren achter de tralies te zitten? In de jaren tachtig trouwt Christel met haar jeugdvriend. Ze krijgt als jonge twintiger twee kinderen maar heeft hoe langer hoe meer het gevoel dat zij en haar echtgenoot niet op dezelfde golflengte zitten. Tien maanden na de scheiding ontmoet ze een andere man, een kerel met twee gezichten. De nuchtere, lieve partner versus het twistzieke, beschonken individu, dat altijd wel iets bij haar weet te breken. Haar neus, haar ribben, haar staartbeen. Een kwarteeuw lang is Christel met die man samen. Door de jaren heen volgen de bezoeken aan de politie en de spoedafdeling van het ziekenhuis elkaar op. De ene hulpverlener na de andere raadt haar aan te vertrekken, maar Christel blijft waar ze is. Tot haar beul er zelf genoeg van krijgt en verdwijnt. Zijn impact is niet gering: ze houdt er hyperventilatie, posttraumatisch stresssyndroom en chronische vermoeidheid aan over. Dingen die nooit meer helemaal overgaan. Ze kan zelf niet uitleggen waarom ze niet is vertrokken. Soms denkt ze dat ze altijd het kleine meisje is gebleven, dat op een dag alles kwijtraakte en geen afscheid kon nemen. Het kind ook dat permanent bang is. Bang om achtergelaten te worden en andermaal te verliezen. De psycholoog die haar al jaren behandelt, denkt dat ze bovenal zoekt wat ze kent: mannen zoals haar vader. In haar hele leven heeft Christel drie relaties gehad. Het is met de laatste, twee jaar geleden, nauwelijks beter geworden - ook die liefde is ondertussen voorbij. De mannen lijken in zekere zin op elkaar. Geen van hen heeft een normale jeugd gehad. Ze zitten vol zelfmedelijden, leven graag op grote voet, kampen met drankzucht, zijn agressief. Anno 2021 heeft Christel een schaars gemeubeld huis, een mooie moestuin, een poes en een lieve hond. Met haar kinderen onderhoudt ze een moeizame relatie, maar haar kleinzoon vindt haar geweldig. En omgekeerd. Als hij komt logeren, leeft ze helemaal op. Dan bestaat al de rest niet meer.