'Aan het einde van het secundair onderwijs voeren we een centraal examen in. Zo weet iedere leerling waar hij staat en krijgen we als samenleving een helder zicht op de investeringen in onderwijs.' Dat belooft de Open VLD in haar verkiezingsprogramma.
...

'Aan het einde van het secundair onderwijs voeren we een centraal examen in. Zo weet iedere leerling waar hij staat en krijgen we als samenleving een helder zicht op de investeringen in onderwijs.' Dat belooft de Open VLD in haar verkiezingsprogramma. 'Vandaag zijn we aangewezen op vergelijkende internationale studies, zoals de PISA-ranking, die met veel vertraging een indicatie geven van de kwaliteit van ons onderwijs', zegt partijvoorzitster Gwendolyn Rutten. 'Dat volstaat niet. We moeten constant de vinger aan de pols houden zodat we snel kunnen ingrijpen. Voor je het weet, ben je een hele generatie kwijt. Daarom pleiten we voor de invoering van centrale, gestandaardiseerde proeven.' Vandaag bestaan die toch al aan het eind van het zesde leerjaar? Gwendolyn Rutten: In het vrije onderwijs legt elke twaalfjarige inderdaad interdiocesane proeven af en de andere netten hebben iets soortgelijks. Uit die resultaten zouden we kunnen afleiden hoe het met ons basisonderwijs is gesteld. Alleen worden ze niet vrijgegeven. Scholen weten wel hoe hun leerlingen hebben gescoord, maar de overheid krijgt het globale resultaat niet te zien. Onvoorstelbaar vind ik dat. U wilt dat de resultaten van de proeven worden vrijgegeven? Rutten: Dat zou een eerste stap zijn. Geanonimiseerd uiteraard. Maar eigenlijk hebben we gestandaardiseerde proeven voor alle leerlingen nodig, ongeacht het onderwijsnet. Niet alleen in het zesde leerjaar, maar ook na de eerste, tweede en derde graad van het secundair onderwijs. Vandaag bestaan er nog geen gestandaardiseerde proeven voor leerlingen van het zesde middelbaar. Het gevolg is dat veel jonge mensen pas weten waar ze staan als ze naar een hogeschool of universiteit gaan. Soms blijkt dan dat ze helemaal niet gewapend zijn voor de opleiding die ze hebben gekozen. Zijn leerkrachten niet het best geplaatst om hun leerlingen te evalueren? Rutten: Het klopt dat zij hen het best kennen en dus is hun evaluatie zeker waardevol. Maar als je als leerkracht zwaar in leerlingen hebt geïnvesteerd, heb je er alle belang bij om objectief te laten vaststellen wat ze hebben geleerd. Tegenstanders wijzen op het risico van teaching to the test: leerkrachten zouden hun lessen helemaal op dat centrale examen kunnen afstemmen. Rutten: Dat gevaar bestaat vandaag toch ook al? Alleen zijn er nu heel veel verschillende tests. Gestandaardiseerde proeven moeten natuurlijk wel onafhankelijk en wetenschappelijk worden opgesteld en op verschillende manieren peilen naar wat leerlingen echt kennen en kunnen. Hoe snel wilt u zulke centrale proeven invoeren? Rutten: Vanaf 1 september 2019 worden er nieuwe eindtermen ingevoerd voor de eerste graad van het secundair onderwijs. Het lijkt me logisch om daar aan het eind van het tweede jaar een centrale test aan te verbinden. De kans is toch groot dat er een ranking van Vlaamse scholen ontstaat?Rutten: Een school zal nooit worden beoordeeld op basis van de resultaten van één enkel examen. Elke school biedt verschillende richtingen of studiedomeinen aan waarvoor aparte tests moeten worden gemaakt. Ik zie het dus niet gebeuren dat er een algemene ranking van scholen wordt opgesteld, maar we zullen wel zicht krijgen op de pijnpunten. Alleen zo kunnen we ervoor zorgen dat de kwaliteit van álle scholen omhooggaat. 'Een centraal examen is niet het juiste instrument om de onderwijskwaliteit te meten', zegt afscheidnemend Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V). 'Het risico is veel te groot dat leerkrachten hun lessen volledig op die proef zullen afstemmen. Bovendien heeft het weinig zin om jongeren helemaal aan het eind van hun schoolloopbaan te testen, zoals de Open VLD voorstelt, want dan is het te laat om nog iets bij te sturen. Wel is mijn partij voorstander van schooloverstijgende toetsen na het tweede middelbaar.' Waarom net dan? Hilde Crevits: Omdat leerlingen dan een studierichting moeten kiezen. In de eerste graad van het secundair onderwijs krijgt iedereen een stevige basisvorming, aangevuld met een aantal keuze-uren. Dan is het niet zo moeilijk om een schooloverstijgende test voor alle leerlingen op te stellen. Zo kunnen we nagaan of ze wel allemaal over de lat raken. Scoort een leerling op een bepaald vlak niet goed genoeg, dan is er nog tijd om daar iets aan te doen. Dat is heel belangrijk. Uit het internationale PISA-onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat een op de vijf Vlaamse vijftienjarigen de basisgeletterdheid voor Nederlands niet haalt. Dat heeft grote gevolgen: wie de taal amper begrijpt, zal het heel moeilijk hebben in een eerder abstracte richting. Ook in het technisch onderwijs. Daarom is het essentieel dat we tijdig kunnen bijsturen. Zou zo'n proef ook de algemene onderwijskwaliteit kunnen meten? Crevits: Natuurlijk. Nu al organiseert de Vlaamse overheid voor sommige vakken peilingsproeven. Daar moet de komende jaren nog meer in worden geïnvesteerd. Zeker voor de basisvakken, zoals Nederlands en wiskunde. Alleen door vaak genoeg te peilen kunnen we zicht krijgen op de kwaliteit van ons onderwijs. Als we alle leerlingen op hun twaalfde testen, zoals nu al gebeurt, en twee jaar later nog eens, kunnen we zien of ze al dan niet vooruitgang hebben geboekt. Dan kunnen we ook nagaan waarom sommige scholen het goed doen en andere niet. Dat kan bijvoorbeeld aan de leermethode of de gebruikte handboeken liggen. Cruciaal is wel dat scholen ook echt iets met de resultaten doen. Scholen die op zo'n test niet goed scoren, zouden zich verplicht moeten laten begeleiden. Wie moet die schooloverstijgende proeven opstellen? Crevits: Wat mij betreft mogen de onderwijsnetten dat doen, zodat scholen tussen verschillende proeven kunnen kiezen. Zolang ze maar degelijk, wetenschappelijk onderbouwd en gelijkwaardig zijn. Nu is dat al zo aan het eind van het zesde leerjaar: basisscholen zijn verplicht hun leerlingen een schooloverstijgende proef te laten afleggen, maar ze mogen kiezen of ze de interdiocesane proeven van het katholiek onderwijs, de OVSG-test of de paralleltoetsen gebruiken. Vandaag al kunnen scholen hun resultaten met het Vlaamse gemiddelde vergelijken, maar ik zou willen dat ze in de toekomst ook zicht krijgen op de evolutie van hun eigen scores door de jaren. Kan de overheid niet beter één proef opstellen voor alle onderwijsnetten?Crevits: Dat zou de kwaliteit van ons onderwijs niet ten goede komen. Als overheid kunnen we alleen eisen dat leerlingen de door ons vastgelegde eindtermen kennen - anders zouden we wel erg inconsequent zijn. Maar die eindtermen zijn minimumdoelen: de lat waar iederéén over moet raken. Als alleen die basiskennis wordt gemeten, zou dat niet goed zijn voor de best presterende leerlingen. Zij zouden geneigd zijn om bij die laagste lat te blijven hangen. Daarom moeten de onderwijsnetten de vrijheid krijgen om - als ze dat willen - hogere eisen te stellen of bijkomende accenten te leggen. Zij maken de leerplannen en kunnen dus boven op de eindtermen ook andere dingen testen.