De eerste keer dat ik hielp bij het blussen van een grote brand op de Kalmthoutse Heide, was ik nog soldaat. We werden opgeroepen vanuit Brasschaat. Dat soort oproepen waren meestal oefeningen. We verzamelden dan met materiaal op het paradeplein, sprongen in de camions en reden door de poort. Daarna was het einde oefening. We vulden dus nooit onze drinkbussen, het was toch altijd maar voor een kort stukje. Maar deze keer moesten we écht gaan. We moesten achter de brandweer lopen om na te blussen, met schoppen en vuurzwepen.

Die zomer van 1976 was het echt bloedheet. En we hadden natuurlijk veel dorst. Het werd alleen maar erger. Op een bepaald moment kwam het Rode Kruis drinken brengen. Ze hadden er niets beters op gevonden dan er een smaakje aan toe te voegen. Goedbedoeld, maar het was een plakkerig goedje. Wij hadden een ander idee. De Rijkswacht had toen de PUMA-helikopter met een grote emmer eronder, om te blussen. Op het moment dat die zijn water loste, gingen wij normaal liggen. Zo'n hoeveelheid water kan heel hard aankomen. De eerste keer deden we dat dus, maar de tweede keer hielden we onze helmen ondersteboven en liepen ze vol met water. Zo konden we tenminste eens goed doordrinken en onszelf wat af koelen. Voor de rest maakte ik niet veel mee van die brand. We zijn er wel nog drie weken gebleven als brandwachten, om te zien of het vuur opnieuw opflakkerde.

In 1996 was het een heel ander scenario. Ik was sergeant in Kalmthout. Het was een zondag. In de loop van de namiddag werd ons korps opgeroepen voor een tuinbrand in de omgeving van de Heide. Hij was gemeld door de wachttoren. Mijn collega's vertrokken naar het adres en begonnen de tuin te blussen. Intussen kregen we ook bericht van de toren van Nederland. Ook zij hadden brand gezien. Vanuit Kalmthout liet men weten dat het een tuinbrand was en dat ze ermee bezig waren. Nederland was gerustgesteld, tot er een tijdje later opnieuw een oproep kwam van de toren: 'Hoe zit het daar? We blijven maar rook zien!' De wachter van Kalmthout was gefocust op de tuinbrand, maar toen zag hij ook rook van een andere plek komen, bijna op de grens.

Ineens werd het muisstil. We hoorden zelfs geen vogels fluiten.

Er waren dus twee branden tegelijk. Er werd groot alarm afgekondigd. De tuin was intussen wel geblust, dus mijn collega's vertrokken van daar naar de nieuwe locatie. Ze wilden door de Heide via de gemeentebossen richting Nederland rijden en vroegen aan mij om langs de andere kant te komen. We hebben meteen opgeschaald zodat onze naburige korpsen ook zouden komen: Kapellen, Wuustwezel en Essen. Toen we er plaatse kwamen, zijn we met de wagen een stuk in de Heide gereden. We kwamen aan een open vlakte, omringd door de gemeentebossen. Tussen de bomen aan de overkant kon ik het vuur al zien. Maar we konden daar niet geraken. Onze wagen geraakte er niet door. We zeiden over de radio tegen de andere korpsen dat ze langs de verbindingsweg moesten komen, anders konden we niets doen. Zelf reden we ook naar daar. De verbindingsweg was een lijn die we wilden houden. Het vuur moest daar stoppen. Op de weg kwamen we een brandweerwagen uit Wuustwezel tegen. Die reed achter ons en we positioneerden ons aan een zijweg die weer uitkwam op een open plek. Met onze ploeg van zes man reden we achteruit met de wagen een stukje op de zijweg, zodat we snel weg konden. We gingen de brand opwachten op de open plek. Er was nog niets te zien. We legden onze slangen af en wachtten op wat zou komen. In de wagen zat tweeduizend liter water. Meer was er voorlopig niet. In de Heide staan geen hydranten.

Ineens werd het muisstil. We hoorden zelfs geen vogels fluiten. Daarna werd het donker, alsof de nacht viel. En dan leek het alsof er een trein begon te rijden. Ik kan het diepe geluid niet anders omschrijven. Het begon traag, maar het ging steeds sneller en het werd almaar luider. De koude rillingen liepen over mijn lijf. We keken naar elkaar en wisten het zonder te spreken: het werd daar gevaarlijk. We zagen niets. Maar we wisten het. Ik gaf het bevel om terug te trekken. Het was daar niet te doen.

We reden terug naar de verbindingsweg en onze collega's van Wuustwezel. Ook zij hadden het idee dat er iets niet klopte. Het was niet veilig om in het bos te wachten. Omdat we door het asfalt van de weg een bredere strook zonder bomen hadden, besloten we ons daar op te stellen.

De 'trein' kwam dichter. Het werd steeds luider en donkerder. En dan kwam er een gigantische rookwolk op ons af. Daarin zaten de eerste brandende stukjes, naaldjes en andere dingen die met de wind meewaaiden. Vanaf toen ging het heel snel. We hielden de grond en het bos aan de overkant van de weg zo nat mogelijk zodat het vuur daar zou stoppen. We probeerden alle brandende stukjes die neervielen te blussen, maar we merkten al heel snel dat dat niet lukte. De rook werd nog dichter. Je kon niets meer zien. We moesten daar weg. Ik gaf het bevel en iedereen sprong in de wagen. We reden zo snel mogelijk rechtdoor. Het was superheet. De hitte straalde door de ramen van de camion. Lichten aan en sirene op. Een paar honderd meter achter ons zagen we het vuur overslaan naar de overkant van de weg. We hadden geen schijn van kans gemaakt.

Op zulke momenten zie je dat de natuur gewoon doet wat ze wil. Gelukkig werkte ze ook mee.

In totaal heeft dat allemaal misschien maar vijf minuten geduurd, maar het voelde voor mij alsof het uren waren. Toen ik me omdraaide en de gloed van de brand over de weg zag, kon ik alleen maar dankbaar zijn dat we op tijd weggeraakt waren. Iedereen zat veilig in de wagens.

Terwijl we bezig waren, was er een crisiscentrum opgericht. Van daaruit kregen we de opdracht dat iedereen uit de brandzone moest. De brand woedde nu op plaatsen waar we langs geen kanten aan konden. Er werd besloten om iedereen op te stellen aan het pompstation van Pidpa, op de Huybergsebaan. Intussen waren ook de kazernes van Stabroek, Brasschaat, Antwerpen en de Civiele Bescherming opgeroepen. Vanuit het crisiscentrum werd gezegd dat de brand niet over de spoorlijn mocht komen. Dat was onze nieuwe linie. Alles wat tussen daar en de verbindingsweg lag, werd opgegeven. Het ging om een groot stuk natuur en een aantal huizen.

We stonden daar met alle manschappen en materiaal dat we hadden, klaar om de brand tegen de houden. Tot we bericht kregen dat de wind draaide. Het was onze grote redding. Er waren zelfs nog geen gebouwen afgebrand en we moesten geen massa-evacuatie doen. De brand draaide zich helemaal om en ging terug naar de richting van waar hij kwam. Toen hebben we hem pas kunnen pakken. We liepen ineens achter de brand om hem te blussen. Het grootste deel ging gemakkelijk uit. Eerder staken de kruinen van de bomen elkaar aan. Ze zorgden voor veel brandlast en dus vuur. De bladeren en takken die vielen, staken het droge materiaal op de grond aan. Toen wij kwamen blussen, waren de meeste bomen al afgebrand. Er waren wel plekken met vuur, maar die kregen we gemakkelijk uit. De wind waaide ook veel minder hard dan voordien, waardoor de brand trager vooruitging. We hebben zo veel geluk gehad! Die eerste avond kwamen we rond tien uur samen met een aantal mensen. We keken naar de gloed over de gemeentebossen. De commandant stuurde mij en mijn collega-sergeant naar huis en zei dat hij ons om zes uur terug in de kazerne verwachtte. Uiteindelijk heeft het nog twee dagen geduurd voor we alles onder controle hadden.

Ik functioneerde die periode puur op adrenaline. Het voelde goed om een verschil te kunnen maken met kameraden onder elkaar. De ene vertrouwde de andere. Pas toen ik achteraf thuiskwam, dacht ik verder na over de gevaren. Ik heb veel respect voor de natuur. Op zulke momenten zie je dat ze gewoon doet wat ze wil. Gelukkig werkte ze ook mee met de wind. Als die niet gedraaid en afgenomen was, dan was er veel meer schade geweest aan gebouwen, materiaal, natuur en misschien zelfs mensen. Het mag al eens meevallen, toch?

Het boek is vanaf midden mei te koop bij boekhandels en online. Gesigneerde exemplaren kunnen besteld worden via http://brandweerverhalen.eu. ISBN: 978 949 3242 029

Brandweerverhalen, /
Brandweerverhalen © /
De eerste keer dat ik hielp bij het blussen van een grote brand op de Kalmthoutse Heide, was ik nog soldaat. We werden opgeroepen vanuit Brasschaat. Dat soort oproepen waren meestal oefeningen. We verzamelden dan met materiaal op het paradeplein, sprongen in de camions en reden door de poort. Daarna was het einde oefening. We vulden dus nooit onze drinkbussen, het was toch altijd maar voor een kort stukje. Maar deze keer moesten we écht gaan. We moesten achter de brandweer lopen om na te blussen, met schoppen en vuurzwepen. Die zomer van 1976 was het echt bloedheet. En we hadden natuurlijk veel dorst. Het werd alleen maar erger. Op een bepaald moment kwam het Rode Kruis drinken brengen. Ze hadden er niets beters op gevonden dan er een smaakje aan toe te voegen. Goedbedoeld, maar het was een plakkerig goedje. Wij hadden een ander idee. De Rijkswacht had toen de PUMA-helikopter met een grote emmer eronder, om te blussen. Op het moment dat die zijn water loste, gingen wij normaal liggen. Zo'n hoeveelheid water kan heel hard aankomen. De eerste keer deden we dat dus, maar de tweede keer hielden we onze helmen ondersteboven en liepen ze vol met water. Zo konden we tenminste eens goed doordrinken en onszelf wat af koelen. Voor de rest maakte ik niet veel mee van die brand. We zijn er wel nog drie weken gebleven als brandwachten, om te zien of het vuur opnieuw opflakkerde. In 1996 was het een heel ander scenario. Ik was sergeant in Kalmthout. Het was een zondag. In de loop van de namiddag werd ons korps opgeroepen voor een tuinbrand in de omgeving van de Heide. Hij was gemeld door de wachttoren. Mijn collega's vertrokken naar het adres en begonnen de tuin te blussen. Intussen kregen we ook bericht van de toren van Nederland. Ook zij hadden brand gezien. Vanuit Kalmthout liet men weten dat het een tuinbrand was en dat ze ermee bezig waren. Nederland was gerustgesteld, tot er een tijdje later opnieuw een oproep kwam van de toren: 'Hoe zit het daar? We blijven maar rook zien!' De wachter van Kalmthout was gefocust op de tuinbrand, maar toen zag hij ook rook van een andere plek komen, bijna op de grens. Er waren dus twee branden tegelijk. Er werd groot alarm afgekondigd. De tuin was intussen wel geblust, dus mijn collega's vertrokken van daar naar de nieuwe locatie. Ze wilden door de Heide via de gemeentebossen richting Nederland rijden en vroegen aan mij om langs de andere kant te komen. We hebben meteen opgeschaald zodat onze naburige korpsen ook zouden komen: Kapellen, Wuustwezel en Essen. Toen we er plaatse kwamen, zijn we met de wagen een stuk in de Heide gereden. We kwamen aan een open vlakte, omringd door de gemeentebossen. Tussen de bomen aan de overkant kon ik het vuur al zien. Maar we konden daar niet geraken. Onze wagen geraakte er niet door. We zeiden over de radio tegen de andere korpsen dat ze langs de verbindingsweg moesten komen, anders konden we niets doen. Zelf reden we ook naar daar. De verbindingsweg was een lijn die we wilden houden. Het vuur moest daar stoppen. Op de weg kwamen we een brandweerwagen uit Wuustwezel tegen. Die reed achter ons en we positioneerden ons aan een zijweg die weer uitkwam op een open plek. Met onze ploeg van zes man reden we achteruit met de wagen een stukje op de zijweg, zodat we snel weg konden. We gingen de brand opwachten op de open plek. Er was nog niets te zien. We legden onze slangen af en wachtten op wat zou komen. In de wagen zat tweeduizend liter water. Meer was er voorlopig niet. In de Heide staan geen hydranten. Ineens werd het muisstil. We hoorden zelfs geen vogels fluiten. Daarna werd het donker, alsof de nacht viel. En dan leek het alsof er een trein begon te rijden. Ik kan het diepe geluid niet anders omschrijven. Het begon traag, maar het ging steeds sneller en het werd almaar luider. De koude rillingen liepen over mijn lijf. We keken naar elkaar en wisten het zonder te spreken: het werd daar gevaarlijk. We zagen niets. Maar we wisten het. Ik gaf het bevel om terug te trekken. Het was daar niet te doen. We reden terug naar de verbindingsweg en onze collega's van Wuustwezel. Ook zij hadden het idee dat er iets niet klopte. Het was niet veilig om in het bos te wachten. Omdat we door het asfalt van de weg een bredere strook zonder bomen hadden, besloten we ons daar op te stellen. De 'trein' kwam dichter. Het werd steeds luider en donkerder. En dan kwam er een gigantische rookwolk op ons af. Daarin zaten de eerste brandende stukjes, naaldjes en andere dingen die met de wind meewaaiden. Vanaf toen ging het heel snel. We hielden de grond en het bos aan de overkant van de weg zo nat mogelijk zodat het vuur daar zou stoppen. We probeerden alle brandende stukjes die neervielen te blussen, maar we merkten al heel snel dat dat niet lukte. De rook werd nog dichter. Je kon niets meer zien. We moesten daar weg. Ik gaf het bevel en iedereen sprong in de wagen. We reden zo snel mogelijk rechtdoor. Het was superheet. De hitte straalde door de ramen van de camion. Lichten aan en sirene op. Een paar honderd meter achter ons zagen we het vuur overslaan naar de overkant van de weg. We hadden geen schijn van kans gemaakt. In totaal heeft dat allemaal misschien maar vijf minuten geduurd, maar het voelde voor mij alsof het uren waren. Toen ik me omdraaide en de gloed van de brand over de weg zag, kon ik alleen maar dankbaar zijn dat we op tijd weggeraakt waren. Iedereen zat veilig in de wagens. Terwijl we bezig waren, was er een crisiscentrum opgericht. Van daaruit kregen we de opdracht dat iedereen uit de brandzone moest. De brand woedde nu op plaatsen waar we langs geen kanten aan konden. Er werd besloten om iedereen op te stellen aan het pompstation van Pidpa, op de Huybergsebaan. Intussen waren ook de kazernes van Stabroek, Brasschaat, Antwerpen en de Civiele Bescherming opgeroepen. Vanuit het crisiscentrum werd gezegd dat de brand niet over de spoorlijn mocht komen. Dat was onze nieuwe linie. Alles wat tussen daar en de verbindingsweg lag, werd opgegeven. Het ging om een groot stuk natuur en een aantal huizen. We stonden daar met alle manschappen en materiaal dat we hadden, klaar om de brand tegen de houden. Tot we bericht kregen dat de wind draaide. Het was onze grote redding. Er waren zelfs nog geen gebouwen afgebrand en we moesten geen massa-evacuatie doen. De brand draaide zich helemaal om en ging terug naar de richting van waar hij kwam. Toen hebben we hem pas kunnen pakken. We liepen ineens achter de brand om hem te blussen. Het grootste deel ging gemakkelijk uit. Eerder staken de kruinen van de bomen elkaar aan. Ze zorgden voor veel brandlast en dus vuur. De bladeren en takken die vielen, staken het droge materiaal op de grond aan. Toen wij kwamen blussen, waren de meeste bomen al afgebrand. Er waren wel plekken met vuur, maar die kregen we gemakkelijk uit. De wind waaide ook veel minder hard dan voordien, waardoor de brand trager vooruitging. We hebben zo veel geluk gehad! Die eerste avond kwamen we rond tien uur samen met een aantal mensen. We keken naar de gloed over de gemeentebossen. De commandant stuurde mij en mijn collega-sergeant naar huis en zei dat hij ons om zes uur terug in de kazerne verwachtte. Uiteindelijk heeft het nog twee dagen geduurd voor we alles onder controle hadden. Ik functioneerde die periode puur op adrenaline. Het voelde goed om een verschil te kunnen maken met kameraden onder elkaar. De ene vertrouwde de andere. Pas toen ik achteraf thuiskwam, dacht ik verder na over de gevaren. Ik heb veel respect voor de natuur. Op zulke momenten zie je dat ze gewoon doet wat ze wil. Gelukkig werkte ze ook mee met de wind. Als die niet gedraaid en afgenomen was, dan was er veel meer schade geweest aan gebouwen, materiaal, natuur en misschien zelfs mensen. Het mag al eens meevallen, toch?