Tussen alle, zeer terechte eerbetonen aan David Bowie betreft míjn eerbetoon niet zijn onmetelijke bijdrage aan de popmuziek. Er is iets anders aan hem wat minstens zo uitzonderlijk is: het feit dat hij zijn kanker anderhalf jaar lang privé hield - of 'geheim', zoals journalisten het verdraaien.
...

Tussen alle, zeer terechte eerbetonen aan David Bowie betreft míjn eerbetoon niet zijn onmetelijke bijdrage aan de popmuziek. Er is iets anders aan hem wat minstens zo uitzonderlijk is: het feit dat hij zijn kanker anderhalf jaar lang privé hield - of 'geheim', zoals journalisten het verdraaien. Bowies beslissing om buiten de schijnwerpers te lijden, slechts omringd door een kleine kring van intimi, is een prestatie van formaat - zeker omdat we leven in een tijd waarin er niet alleen ongelooflijk veel informatie is, maar waarin ook het delen van iedere scheet zo ongeveer verplicht is geworden. Ik vermoed dat de reden waarom we zo geschokt reageren op zijn dood niet alleen is te verklaren uit zijn status als muzikale, creatieve vernieuwer, maar ook doordat niemand dit zag aankomen. Met het voordeel van kennis achteraf hadden we zijn naderende einde kunnen voorzien. Zijn vorige week verschenen album, Blackstar, kan worden gezien als een gracieuze manoeuvre uit het leven. Er is een nummer dat Lazarus heet. Er zijn songteksten vol treurnis en rouw ('I know something is very wrong'). Dit is duidelijk een man die weet dat zijn einde nabij is. Maar toch waren er maar weinig mensen die de sombere toon van zijn album vorige week was opgevallen. Waarom was dat? Omdat Bowie niets had losgelaten over zijn ziekte. Hij sprak er nooit over. Zijn naaste familie en vrienden evenmin. David Bowie werd ziek en stierf in de privésfeer. Geen journalisten, geen fans en, godbetert, geen vreemden waren uitgenodigd om de pijn van zijn lijdensweg mee te delen. Niemand was aangespoord om alvast sentimenteel te gaan rouwen. Nog maar een paar decennia geleden zou dit alles volstrekt gewoon zijn. Mensen moesten destijds net zo geschokt zijn wanneer een beroemd of invloedrijk persoon stierf; ziekte was zelden iets waarover persberichten werden verstuurd of waarover diepte-interviews werden gegeven. Hoe anders is dat vandaag. Het is tegenwoordig bijna revolutionair om te zwijgen over de ongemakken in je leven, om ziek te zijn zonder het de hele wereld te vertellen, om te sterven in nabijheid van slechts een handvol intimi. Men zegt dat Bowie weigerde mee te doen met trends (en onderwijl nieuwe trends in gang zette). Nou, hij heeft zojuist met zijn allerlaatste daad enkele van de meest misselijkmakende trends van onze tijd genegeerd: de neiging om ons als slachtoffer te presenteren en de neiging om niets voor onszelf te houden, resulterend in een voortdurende, levensgrote advertentie van onze fragiele sterfelijkheid, waarmee we te koop lopen voor een toegesnelde menigte, die hongerig is om zoveel mogelijk persoonlijk leed op te zuigen. De druk om ons leed te delen, is immens. De kasten in de boekhandel bezwijken onder het gewicht van al die memoires over ziekte, misbruik en gestorven familieleden. Je kunt nauwelijks een tijdschrift openslaan zonder te worden geconfronteerd met een of andere 'ster' die je tot in detail zal vertellen over allerlei mentale ups en downs of lichamelijke kwaaltjes. Van Angelina Jolie, die haar mastectomie uitvoerig beschreef in The New York Times, tot de jonge, terminale Britse vrouw die een snel groeiende groep volgers op Twitter op de hoogte houdt van steeds minder wel en steeds meer wee: allerlei mensen voelen zich geroepen om de scheiding tussen hun privéleven en het openbare leven op te heffen. Zo maken ze een publiek spektakel van ieder persoonlijk probleem. Sommigen rechtvaardigen deze kijk-mij-nou-ritus in therapeutische termen. Beïnvloed door teveel afleveringen van Oprah zeggen ze dat het mensen helpt om hun mentale last te verlichten en 'bewustzijn' te creëren over een of andere ziekte. Dat zal best. Maar intussen zijn we vergeten wat verloren raakt als alles openbaar wordt: de intense wereld van échte emoties die alleen bestaat in de privésfeer, waar we ons onbespied wanen en waar we geen toneelstukje hoeven op te voeren voor de likes en retweets die vandaag ons succes lijken te definiëren. Als alles wat wij doen wordt bekeken, dan is niets wat wij doen nog echt. In de haast onweerstaanbare druk om onze fysieke en geestelijke zwaktes te etaleren deed David Bowie iets heldhaftigs. Hij herinnerde ons aan de integriteit van ons privéleven. Op een van de laatste nummers op Blackstar zingt hij: 'I can't give everything away.' Daar heb je het. Dat is het. We moeten allemaal iets voor onszelf houden, ver weg van de ogen van experts, therapeuten, beroepstwitteraars en voyeurs die alles over ons willen weten. Als Bowie het leven goed heeft geleefd - vol prachtige muziek en avontuur - dan is zijn dood evenzeer geslaagd.