Woensdag 11 maart, Lemmensinstituut in Leuven. Het is iets over zevenen, mensen druppelen de zaal binnen. Ze komen luisteren naar een wereldpremière. De gevierde Beethoven-biograaf Jan Caeyers zal er, met zijn orkest Le Concert Olympique en het Octopus Kamerkoor en Symfonisch koor, de Negende Symfonie van Ludwig van Beethoven uitvoeren op basis van de nieuwe, door de experts van het Beethovenhuis in Bonn vervaardigde partituur.
...

Woensdag 11 maart, Lemmensinstituut in Leuven. Het is iets over zevenen, mensen druppelen de zaal binnen. Ze komen luisteren naar een wereldpremière. De gevierde Beethoven-biograaf Jan Caeyers zal er, met zijn orkest Le Concert Olympique en het Octopus Kamerkoor en Symfonisch koor, de Negende Symfonie van Ludwig van Beethoven uitvoeren op basis van de nieuwe, door de experts van het Beethovenhuis in Bonn vervaardigde partituur. Diezelfde avond komt België in de greep van het coronavirus. Een dag eerder heeft de federale regering evenementen met meer dan 1000 mensen afgeraden. Eén voor één worden voorstellingen en concerten afgelast. Veel Beethovenliefhebbers blijven preventief thuis, zo blijkt. Een keuze van het verstand, een vergissing voor het hart. Want wat zich daarbinnen ontvouwt, is onversneden muzikaal meesterschap en puur speelplezier. Terwijl de EU zich klaarstoomt voor nog maar eens een verdeeld antwoord op een crisis, wekt Caeyers de geest van Europa stormachtig op. Een magiër met zwiepende toverstaf, die zijn orkest, koor en publiek in de palm van zijn hand houdt. Na ruim een uur zijn ze daar, de mooiste woorden uit het mooiste volkslied (dat geen volkslied mag heten) ter wereld: 'Alle Menschen werden Brüder.' Ademloos blijft het publiek achter. De staande ovatie heeft enige minuten nodig om tot stand te komen, maar houdt nog veel langer aan. Een algemene verbroedering zit er nog niet in maar hier, in deze zaal, brengt het applaus iedereen even samen, van een gewezen Thuis-acteur tot een minister van staat. Een gesprek met de dirigent kon niet anders beginnen dan met een gemeend compliment, hoe onmodieus dat ook mag zijn. 'Ik zou graag hebben dat u dat ook opschrijft', zegt Jan Caeyers lachend aan de telefoon. Een opkikkertje kunnen hij en zijn orkest best gebruiken. Het concert in Leuven had het eerste moeten zijn van drie uitvoeringen van Beethovens vernieuwde Negende Symfonie, én de aftrap van een feestelijk Beethoven-jaar voor de 250e verjaardag van de componist met de wilde haren. Corona besliste er anders over. 'Dat we in Leuven hebben kunnen optreden, is een groot geluk geweest', zucht Caeyers. 'We hebben toch één keer het resultaat van ons harde werk kunnen ervaren. Een uitvoering van de Negende Symfonie van Beethoven is organisatorisch en financieel een krachttoer. Je krijgt dit pas over een paar jaar opnieuw geregeld. Dat gaat makkelijker met een succesvolle uitvoering in je achterzak.' Gelukkig zaten ook Christine Siegert en Beate Angelika Kraus van het Beethovenhuis in Bonn in het publiek. Overdonderd door 'het prachtige concert' beloofden ze dat ze uw uitvoering zullen promoten in Duitsland en ver daarbuiten.Jan Caeyers: We hopen ze ten laatste te kunnen hernemen in het jubileumjaar 2024, wanneer we de 200e verjaardag van de première van de Negende vieren. Dat is natuurlijk op lange termijn maar bon , het is iets. Ook wij voelden die avond dat we met iets bijzonders bezig waren. Dat motiveert ons. Zeker in de moeilijke tijden waarin wij ons nu bevinden. De cultuurwereld is een en al vertwijfeling. Het is volstrekt onduidelijk hoe het op korte en middellange termijn verder moet. Wat is er nog mogelijk volgens de regels van social distancing? Die reduceren het publiek drastisch, wat zware financiële repercussies heeft, maar ook de artistieke ruimte. Zelfs op de grootste scène van het land kunnen er maar 30 mensen staan wanneer er anderhalve meter tussen moet. Iedereen zoekt nu verkrampt naar alternatieven om geen marktaandeel te verliezen, met als risico dat men het veel te ver gaat zoeken. Ziet u het somber in?Caeyers: Ik vrees de totale instorting van de cultuursector, ja. Die ligt - in tegenstelling tot de ook zwaar getroffen horeca - wellicht voor lange tijd plat. Freelancemuzikanten hebben nauwelijks een vangnet. Ik hoor verhalen over muzikanten die, na acht jaar studeren, op het toppunt van hun kunnen staan en nu overwegen om van beroep te veranderen. Het publiek kan troost vinden in uw Beethoven-podcast op Klara en in uw biografie - de officiële biografie van dit Beethovenjaar.Caeyers:Na de Duitse komt er nu ook een Engelse vertaling. Dat is fantastisch. Toch moet ik zeggen dat het schrijven over Beethoven, zelfs wanneer je dat doet met enige competentie en overtuiging, niet te vergelijken is met de ervaring die je mensen kunt geven in de concertzaal. Dáár moet het gebeuren, daar worden de vibraties doorgegeven. De concerten zullen altijd belangrijker zijn dan het boek. Mensen moeten vaak nog een zekere drempel over voor een klassiek concert. Hoe komt dat?Caeyers:Het aureool van sérieux houdt mensen tegen om klassieke muziek te proberen als ze er nog niet veel van afweten. Vreemd genoeg blijven mensen niet weg uit de bioscoop omdat ze niets van cinema kennen. Er zijn jammer genoeg ook barrières ín de concertzaal. Veel concerten worden te routineus gespeeld. Je kunt dat de muzikanten niet kwalijk nemen als ze om den brode gedwongen zijn om jaar in, jaar uit, van maandagochtend tot zondagavond, bij hetzelfde orkest te spelen. Wat slijtage op de betrokkenheid is dan onvermijdelijk. Om dat te vermijden, komen we met Le Concert Olympique maar drie keer per jaar bijeen. Voor de rest zien we elkaar nauwelijks. Wanneer wij elkaar zien is het telkens weer een feest, een roes van veertien dagen lang samen streven naar excellentie. Ook topsporters werken naar piekmomenten zoals de Olympische Spelen, waarna de prestaties onvermijdelijk minderen. Het kan raar klinken, maar veel professionele klassieke muzikanten worden het slachtoffer van hun degelijkheid. Ze kunnen met relatief weinig moeite op een hoog niveau meespelen. Dat wreekt zich soms, want het creëert afstandelijkheid. Dat aura van saaiheid komt ook voort uit de abstracte, intellectuele aanpak in de muziekscholen. Een kind dat een instrument wilde leren, moest vroeger eerst een jaar notenleer volgen, zonder ook maar één keer een instrument aan te raken. Alsof een zesjarige eerst een jaar de buitenspelregels zou moeten bestuderen voor hij of zij tegen een voetbal mag trappen. Het muziekonderwijs cultiveert de speelvreugde niet, en dat zet een rem op de uitbundigheid. Dat is toch ontzettend jammer?Caeyers: De verklaring ligt in de achttiende en negentiende eeuw. De wereld van de klassieke muziek is nog altijd gemodelleerd naar de conventies van toen over hoe muzikanten en publiek zich moeten gedragen op een concert. Je ziet sommige mensen bij het binnenkomen van een concertzaal bevangen worden door een verlammend keurslijf, vergelijkbaar met wanneer ze een kerk binnengaan. Voor muzikanten is het nog slechter. De manier waarop zij zich gedragen op een scène, van hun kledij tot de buiging, houdt rechtstreeks verband met de manier waarop lakeien zich gedroegen in een achttiende-eeuws kasteel. Die buiging verwijst naar het buigen voor de koning of de keizer die het concert mogelijk maakte. Wist u dat het applaus in de achttiende eeuw niet eens bedoeld was voor de muzikanten? Voor wie dan wel?Caeyers: Voor de keizer. In het Weense Burgtheater werd er niet meer geapplaudisseerd sinds de dood van de Oostenrijkse keizer Frans Jozef I in 1916. Geen keizer, geen applaus. Daar is men pas in 1982 van afgestapt. Ik heb het als student in Wenen meegemaakt hoe conservatieve Oostenrijkers een grote rel schopten omdat ze het not done vonden dat er werd geapplaudisseerd zonder dat er een keizer aanwezig was. Om maar te zeggen uit welke context van onderdanigheid tegenover het systeem wij zijn gegroeid. Die beklemmende verkramptheid ga ik tegen door het publiek toe te spreken voor het concert begint. Dat helpt om gerichter te luisteren, breekt het ijs en verkleint de enorme afstand tussen ons. Ook Beethoven durfde als geen ander in te gaan tegen de heersende conventies in de muziekwereld.Caeyers: Hij is de eerste geweest die geen muziek schreef in een context van onderdanigheid. Hij was niet exclusief in dienst van iemand, zoals toen de gewoonte was. Hij was een freelancer avant la lettre wiens broodwinning rechtstreeks afhing van de verkoop van zijn muziek en van de kaartjes voor zijn concerten. Wat zo uitzonderlijk is, is dat hij die markt voor zichzelf heeft gecreëerd. Wat had hij dat bijvoorbeeld Mozart en Haydn, met wie hij de Eerste Weense School vormde, niet hadden?Caeyers: Ten eerste was er het persoonlijke drama van zijn doofheid. Die dwong hem om zijn focus te verleggen van het uitvoeren van briljante concerten als pianovirtuoos naar het componeren van nieuwe muziek. Daarnaast bloeide hij op in een andere tijd dan Mozart en Haydn, die respectievelijk 14 en 38 jaar ouder waren dan hij. De achttiende-eeuwse verlichte omwentelingen brachten de burgerij in de cockpit van de samenleving, en dat heeft hem toegelaten om te vernieuwen, wat voordien amper werd gewaardeerd. Over Bach of Mozart werd nooit gezegd dat ze vernieuwend waren, terwijl ze dat natuurlijk ook waren, zij het niet zo expliciet als Beethoven. Hij heeft veel sneller en extremer vernieuwd, en bij hem werd dat gesmaakt, want het werd gezien als de uitdrukking van zijn ongelooflijke individuele persoonlijkheid. Zo zag Beethoven het ook. Zijn muziek was voor hem geen vrijblijvend amusement, maar een boodschap die hij rechtstreeks wilde delen met het publiek. Wat was die boodschap?Caeyers: Dat de mens in staat is om dankzij de schoonheid boven het tastbare uit te stijgen en zin te geven aan het brutale, materiële leven. Zeker aan het einde van zijn leven zat dat in zijn muziek, denk aan de Missa Solemnis of de Negende Symfonie. Die laatste is zo veel meer dan een prachtig muziekstuk. Ze is een boodschap aan de hele mensheid: alle mensen moeten broeders worden, er moet solidariteit bestaan over rassen en standen heen. Een heel mooi idee, natuurlijk. Waar komt uw Beethovenfascinatie eigenlijk vandaan?Caeyers: Beethoven is altijd heel prominent aanwezig geweest. Ik heb thuis mijn eerste pianostukken gespeeld met een Beethovenbuste op de piano. Daarnaast hadden wij een gesofisticeerde geluidsinstallatie, die wij als kinderen vrij mochten gebruiken. Mijn vaders platen van Beethoven heb ik als jongetje van zes, zeven jaar grijsgedraaid. Dat ik zo vroeg met Beethoven in aanraking kwam, heeft mijn idee over muziek wel misvormd. Misvormd dan nog? Caeyers: Een kind denkt dat de wereld is zoals het die waarneemt. En dus vond ik als kind de Appassionata of de Waldsteinsonate de norm. Pas veel later kwam ik erachter dat die muziek bijzonder is, abnormaal zelfs. Nu, het is pas veel later mijn levenslot geworden om mij te verdiepen in Beethovens leven en werk. Mijn doctoraat in de musicologie heb ik bijvoorbeeld niet over hem gemaakt, maar over de Franse barokcomponist Jean-Philippe Rameau. Ik denk dat dat mijn geluk is geweest. Ik sluit niet uit dat het mijn denken over Beethoven aanzienlijk gedeformeerd zou hebben, had ik hem moeten analyseren in academisch-wetenschappelijke context. Wanneer bent u gaan inzien hoe bijzonder Beethoven was?Caeyers: Vooral in mijn Weense studiejaren, denk ik. Wij hadden een professor muziekanalyse die het hele jaar alleen maar lesgaf over de pianosonates van Beethoven. Alléén daarover. Die professor zei dat als we dat jaar zouden doormaken, we niet alleen de regels van Beethovens muziek zouden kennen, maar ook die van de muziek én zelfs van de kunst in het algemeen. Tijdens die intense studie van Beethovens sonates heb ik ontdekt dat ik verbanden kon zien in zijn muziek die anderen niet zagen. Kunt u dat uitleggen?Caeyers: Dat is moeilijk. Het is een soort inzicht, misschien nog heb best te vergelijken met rondlopen in een stad die je goed kent. Je weet op elk moment waar je bent, daarvoor heb je geen stadsplan nodig. Wel, op elk moment, hoezeer ik mij ook focus op een detail, kan ik mij blind oriënteren in de globale partituur. Daarom dirigeer ik altijd zonder partituur: die leidt me alleen maar af. Zelfs wanneer ik zelf in het publiek zit. Dan hoor ik de dirigent van blad naar blad dirigeren. Zonder partituur spelen is beter voor je interpretatie. Het is een van de sterktes van Le Concert Olympique dat alle muzikanten ook altijd weten waar het stuk naartoe gaat. Vergelijk het met een tekst voorlezen. Als je die goed kent, weet je wanneer te vertragen en wanneer te versnellen. Ken je die niet, dan zit de intonatie niet goed en maak je details te belangrijk. Een leek ziet niet meer dan iemand die met een stokje zwaait.Caeyers: Ik maak een redenering a contrario: mocht een orkest kunnen spelen zonder dirigent, zonder dat grote ego dat alle aandacht van het publiek wegtrekt, dan zou het dat toch doen? Nu, wat doet een góéde dirigent? Op een repetitie schept hij een interpretatief kader waarbinnen de muzikanten zich moeten bewegen. Tijdens concerten zorgt hij voor de focus van lichaam en geest, want daarmee staat of valt een concert. Interpreteer dat lichamelijke gerust letterlijk: bij een goed concert ademen dirigent en orkest tegelijk. À la limite moet de dirigent ook het publiek kunnen meetrekken, ja, zelfs doen meeademen. Dat is het wonder dat je als dirigent kunt creëren op een concert. Legt u eens uit waarom Beethoven een genie is.Caeyers: Die man deed dingen waar een normale componist niet aan denkt. Genieën leggen onbewust verbanden waar anderen bewust over moeten nadenken, ze hoeven niet te expliciteren. En belangrijk: ze kunnen buiten het strikt logische treden zonder daarbij de pedalen te verliezen. Beethoven heeft conventies over goede smaak geweldig getart zonder in slechte smaak te verzanden. Hebt u daar een voorbeeld van?Caeyers: Vóór Beethoven werd er niet gezongen in een symfonie. Omdat Beethoven in de Negende geconfronteerd werd met het probleem dat hij geen gepaste manier vond om zijn symfonie met allure te beëindigen, deed hij iets waar geen enkele andere componist ooit was opgekomen: hij voegde een koor, solisten én tekst toe aan zijn symfonie. Die wezenlijke vergroting van het orkest maakt de Negende Symfonie totaal anders dan alle voorgaande symfonieën. De allure van dat stuk was toen ongezien, en zelfs na zijn tijd was ze slechts met de grootste moeite te evenaren. 'Dat kan ik ook', hoor je telkens weer over vernieuwende kunst. Kan niet iedereen beslissen om het met meer muzikanten te doen? Caeyers: Iedereen kan proberen buiten het logische te treden, ja. Maar niet iedereen zal daarbij iets zinvols maken. Kijk naar Ode aan de vreugde, de finale van de Negende Symfonie. Puur rationeel is dat een weerbarstig ding, 25 minuten schijnbare vormeloosheid. Analyseer die partituur volgens de klassieke methodes en je denkt de hele tijd: maar enfin, hoe is dat hier allemaal mogelijk? En toch, tijdens het beluisteren van de Negende Symfonie heb je nooit het gevoel dat Beethoven met je voeten speelt. Bij veel hedendaagse muziek heb ik dat gevoel wel vaak, omdat het overboord gooien van de regels de norm is geworden. Vernieuwing om de vernieuwing is een misvorming. Totaal zinloos. En het doet het publiek afhaken. Beethovens erfenis overstijgt het muzikale, betoogt u in de biografie. Hoezo?Caeyers: Hij is een icoon geworden van de nieuwe, door de burgerij gepropageerde mens: de mens die niet langer geketend was aan zijn afkomst. Beethoven had zich, in tegenstelling tot blauwbloedige aristocraten, helemaal zelf weten op te werken tot een van de belangrijkste mensen ter wereld. En dat ondanks zijn bescheiden afkomst en persoonlijke crisissen, zoals zijn doofheid. Net zoals zijn tijdgenoot Napoleon paste hij perfect in de burgerlijke maatschappij waarin God nog wel bestond, maar niet langer je bestaan bepaalde. Dat beeld is flink aangedikt door Duitse negentiende-eeuwse historici die die burgerlijke waarden hoog in het vaandel droegen. Ze hebben Beethoven gebruikt ter promotie van de idee dat je door hard werken alles kunt bereiken. Wir schaffen das, nietwaar? Hoe komt het dat Beethoven bij zijn overlijden in 1827 zowel mythe als has-been was, zoals u zegt in de Klara-podcast?Caeyers: De tijdgeest, alweer. Wanneer in 1815 met het Congres van Wenen een 25-jarige periode van bloedvergieten op Europese bodem wordt afgesloten, breekt de biedermeierperiode aan. De hang daarin naar het aangename en het gemakkelijke was de culturele vertaling van de terugkerende maatschappelijke rust, en sloot aan bij wat de nieuwe elite wilde. De burgerij moest in tegenstelling tot de aristocratie wél hard werken, en wilde zich in het theater of de concertzaal ontspannen en amuseren. De abstracte muziek van Beethoven was geen makkelijk vertier, en dus vervreemdde hij van zijn publiek. Op straat werd hij zowel met respect als met meewarigheid tegemoetgetreden. Ach, den ouwe Beethoven, dachten ze, laat hem doen, want hij is ziek en zot. Vindt u de Negende Symfonie het beste werk van Beethoven?Caeyers: Het is minstens zijn bekendste. Ik vergelijk het soms met de Mona Lisa van Leonardo da Vinci. Net zoals dat op koekendozen is terechtgekomen en er bussen vol Japanners naar komen kijken, zo is de Negende in vele vormen verkitscht en verschlagerd. Tussen ons: houdt u ook van andere muziek dan van klassieke?Caeyers: De laatste jaren is mijn muzikale horizon enorm versmald, vrees ik. Beethoven heeft mijn leven echt veranderd, het spiritueel en metafysisch diepgaand verbeterd en mijn kijk op kunst en kwaliteit fundamenteel herschapen. Zo diepgaand met hem bezig zijn, laat je beseffen dat er echt veel slechte of toch doorzichtige en banale muziek is. Nu, dat zullen Bach- en Mozartexperts ook wel vinden. Slechts enkele componisten steken erbovenuit. Apprecieert u ook andere kunstvormen?Caeyers: Ik ben verzot op schilder Mark Rothko. En ik kan genieten van grote wereldliteratuur, zoals Radetzkymars van Joseph Roth, een van de briljantste boeken aller tijden. In Wenen heb ik ook zijn vriend Stefan Zweig ontdekt, wiens biografieën voor mij hét voorbeeld zijn van hoe je aan geschiedschrijving moet doen. Ach, Wenen... Het is mijn tweede thuis. Ik had nooit mijn Beethovenboek kunnen schrijven zonder daar, bij de bron, gewoond te hebben. Tot slot, waarom hebt u uw boek opgedragen aan Frans Verleyen, oud-directeur van Knack?Caeyers: Op mijn bureau staat een foto van ons tweeën, op de stoep voor het Schuberthuis in Wenen. Uren heb ik met hem gediscussieerd over Schubert en Beethoven. Hij was een kenner. Zijn ouderwetse eruditie omspande kunst en politiek en geschiedenis en alles daartussenin. Sus was een hele goede vriend, bijna zoals een oudere broer. Hij heeft mijn oren, ogen en zelfs mijn hart geopend. Zijn grote talent om mensen met verhalen mee te slepen en zijn grote scepticisme tegenover droge academici hebben mij aangespoord om bevattelijk en onderbouwd, maar ook altijd bevlogen over muziek te schrijven. En heel belangrijk: hij heeft mijn reserves weggenomen ten aanzien van vulgarisering - een lelijk woord voor iets wat in wezen goed is.