Fernand Huts, de topman van Katoen Natie, had de 72 percelen, goed voor 450 hectare landbouwgrond in Zeeuws-Vlaanderen, via zijn Luxemburgse vennootschap voor 17,5 miljoen euro gekocht. Een Belgische boer verzette zich echter tegen de verkoop. "De gronden zijn geregistreerd als 72 percelen en moesten daarom in verschillende loten verkocht worden", pleitte advocaat Nic Reynaert bij de behandeling van de zaak in oktober vorig jaar. "Vergelijk het met een kunstcollectie. Iemand die tien Picasso's heeft, gaat die toch ook niet in één lot verkopen? Uit geen enkel stuk van het OCMW blijkt dat de verkoop van de 72 percelen in een stuk meer opgebracht zou hebben dan ze afzonderlijk te verkopen." Volgens de advocaat was er bij de verkoop discriminatie in het spel en was die enkel bedoeld voor mensen met veel geld. Bovendien vond hij dat de gronden onder de prijs werden verkocht. "Het stuk grond was 20 miljoen euro waard volgens het taxatieverslag, en in 2016 was dat al 22,5 miljoen. Dat is een reële staatssteun van 5 miljoen euro bij een verkoop voor 17,5 miljoen euro." Hij vroeg daarom de nietigverklaring van de verkoop, iets wat in eerste aanleg werd afgewezen. Het hof van beroep in Gent oordeelde in november 2020 nog niet over de zaak. Het stelde wel vragen bij het feit dat de 72 stukken grond in een stuk werden verkocht en vroeg daarom bij tussenarrest aan de Europese commissie om de zaak rond de staatssteun te onderzoeken en hierover advies te verlenen. Dat advies is nu binnen en na vertaling uit het Engels ook officieel neergelegd. Nu willen de advocaten over dat advies schriftelijke conclusies opstellen. Het hof besliste daarom de zaak te verplaatsen naar 13 september 2022. (Belga)

Fernand Huts, de topman van Katoen Natie, had de 72 percelen, goed voor 450 hectare landbouwgrond in Zeeuws-Vlaanderen, via zijn Luxemburgse vennootschap voor 17,5 miljoen euro gekocht. Een Belgische boer verzette zich echter tegen de verkoop. "De gronden zijn geregistreerd als 72 percelen en moesten daarom in verschillende loten verkocht worden", pleitte advocaat Nic Reynaert bij de behandeling van de zaak in oktober vorig jaar. "Vergelijk het met een kunstcollectie. Iemand die tien Picasso's heeft, gaat die toch ook niet in één lot verkopen? Uit geen enkel stuk van het OCMW blijkt dat de verkoop van de 72 percelen in een stuk meer opgebracht zou hebben dan ze afzonderlijk te verkopen." Volgens de advocaat was er bij de verkoop discriminatie in het spel en was die enkel bedoeld voor mensen met veel geld. Bovendien vond hij dat de gronden onder de prijs werden verkocht. "Het stuk grond was 20 miljoen euro waard volgens het taxatieverslag, en in 2016 was dat al 22,5 miljoen. Dat is een reële staatssteun van 5 miljoen euro bij een verkoop voor 17,5 miljoen euro." Hij vroeg daarom de nietigverklaring van de verkoop, iets wat in eerste aanleg werd afgewezen. Het hof van beroep in Gent oordeelde in november 2020 nog niet over de zaak. Het stelde wel vragen bij het feit dat de 72 stukken grond in een stuk werden verkocht en vroeg daarom bij tussenarrest aan de Europese commissie om de zaak rond de staatssteun te onderzoeken en hierover advies te verlenen. Dat advies is nu binnen en na vertaling uit het Engels ook officieel neergelegd. Nu willen de advocaten over dat advies schriftelijke conclusies opstellen. Het hof besliste daarom de zaak te verplaatsen naar 13 september 2022. (Belga)