Tokio Station. Op het plein voor de hoofdingang staat een mobiele display. Nog 154 dagen tot de start van de Olympische Spelen, zeggen de felrode cijfers. Ook Bernard Catrysse, de verbindingsman voor Team Belgium, telt af tot vrijdag 24 juli. Hij neemt ons mee naar een discrete koffiebar, een oase van rust in het labyrintische station dat een stad binnen de stad vormt. Typisch een plek voor kenners, zoals deze Brusselaar met West-Vlaamse roots die al ruim dertig jaar in Japan woont en werkt.
...

Tokio Station. Op het plein voor de hoofdingang staat een mobiele display. Nog 154 dagen tot de start van de Olympische Spelen, zeggen de felrode cijfers. Ook Bernard Catrysse, de verbindingsman voor Team Belgium, telt af tot vrijdag 24 juli. Hij neemt ons mee naar een discrete koffiebar, een oase van rust in het labyrintische station dat een stad binnen de stad vormt. Typisch een plek voor kenners, zoals deze Brusselaar met West-Vlaamse roots die al ruim dertig jaar in Japan woont en werkt. Catrysse trok na zijn studie economie in Leuven naar Kyoto voor een cursus Japans. Het was liefde op het eerste gezicht. Catrysse leerde er zijn Japanse vrouw kennen en begon aan een gevarieerde carrière. Zijn eerste baan als prospector voor Vlaamse exportbedrijven verklaart waarom Hoegaards witbier in Japan gemeengoed is geworden. Toen de regio's na de derde staatshervorming van 1988 de bevoegdheid kregen om mondjesmaat een eigen buitenlandse vertegenwoordiging uit te bouwen, werd Catrysse de allereerste diplomaat van de deelstaat Vlaanderen, belast met het bevorderen van onze culturele uitstraling in Japan. Vijf jaar later nam hij ontslag om dezelfde missie voort te zetten als directeur van het Flanders Center Osaka, een stichting naar Japans recht, gesubsidieerd door Vlaanderen en gesponsord door Japanse bedrijven met investeringen in Vlaanderen. Hij lanceerde Rosas in Japan, organiseerde tournees voor Jef Neve, steunde de optredens van La Petite Bande, liet Daan schitteren op het Belgian Beer Festival, zette tentoonstellingen op met fotografen zoals Stephan Vanfleteren, Tim Dirven en Jimmy Kets, en had de hand in Japanse vertalingen van Annelies Verbeke, Bart Moeyaert en Elvis Peeters. De stichting, die vier jaar geleden van Osaka naar Tokio verhuisde, heet intussen Arts Flanders Japan en werpt zich voortaan op als Japans bruggenhoofd voor Vlaamse steunpunten en kenniscentra zoals Kunstenpunt, Literatuur Vlaanderen en Flanders Image. Maar we moeten het over sport hebben. Ook dat is gemeenschapsmaterie, maar sportieve engagementen gaat Catrysse in zijn vrije tijd aan, onder tricolore vlag. In 2002, tijdens het WK voetbal in Japan en Zuid-Korea, was hij een van de architecten van het Belgische supportersdorp in Kyushu. Het WK atletiek van 2007 in Osaka bracht hem in beeld bij het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC). 'Ik stond als vrijwilliger mee in voor het onthaal en de begeleiding van onze atleten', zegt hij. 'Omdat ik het jammer vond dat ze zouden vertrekken zonder iets op te steken over dit mooie land, gaf ik lezingen over de Japanse samenleving en cultuur. Dat viel in de smaak, ook bij de delegatieleiding.' 'In de aanloop naar de Olympische Spelen is het BOIC opnieuw komen aankloppen. Dit keer ben ik er vanaf het begin bij betrokken. Ik heb bijvoorbeeld geadviseerd bij de zoektocht naar een geschikt trainingscenter. Zo zijn we in Mito beland, een middelgrote stad met veel groen ten noorden van Tokio. Het wordt al druk gebruikt als pre-camp, ik heb de voorbije maanden onder meer onze estafetteploeg met de Borlées en de Belgian Cats mogen ontvangen. Voor mij zijn de Spelen in zekere zin al begonnen.' Over ons gesprek hangt de schaduw van het coronavirus Covid-19. Hoe groot is de ongerustheid in Japan over de impact op de Spelen? Bernard Catrysse: Het thema beheerst de media, maar van paniek is geen sprake. Omgaan met rampspoed zit in de Japanse psyche, natuurrampen zoals aardbevingen en tyfoons horen hier bij het leven. Zoals altijd proberen de Japanners zich zo goed mogelijk voor te bereiden. Op de televisie zie je de hele dag uitzendingen over preventie en hygiënische etiquette. De mogelijkheid van een uitstel of zelfs afgelasting van de Spelen wordt af en toe aangekaart, maar voorlopig is dat het onwaarschijnlijke worstcasescenario. De komende weken zullen veel duidelijk maken. Laten we gemakshalve aannemen dat we vanaf 24 juli op topsport mogen focussen. Hebben atleten wel behoefte aan een exposé over de Japanse samenleving en cultuur? Catrysse: Ja. Dat heb ik ondervonden tijdens het WK atletiek in Osaka. Tia Hellebaut en Kim Gevaert waren toen de vedettes van het team. Ze waren totaal gefocust op hun sportieve prestatie, maar ook erg geïnteresseerd in Japan. Ik ben ervan overtuigd dat kennis over het gastland de sportieve prestatie onrechtstreeks ten goede komt. Een olympisch dorp is een eiland, perfect om te rusten en te trainen. Maar zodra atleten een voet buitenzetten, belanden ze in het volle leven van Japan, een maatschappij waar heel andere normen en regels gelden dan in België. Het is nuttig om daarop te anticiperen door hun de nodige kennis en handvatten aan te reiken. Dat kan alleen maar bijdragen tot de rust in het hoofd. Vermoedelijk blijft het niet bij een snelcursus over het shintoïsme of het shogunaat. Op welke culturele misverstanden probeert u te anticiperen? Catrysse: Om maar één voorbeeld te geven: Japanners improviseren niet. Tijdens het pre-camp in Mito kreeg Jacques Borlée, coach van het estafetteteam, de ingeving zijn jongens bij wijze van ontspanning te laten zwemmen. Op zich niet buitenissig, maar het heeft veel voeten in de aarde gehad om een geschikt zwembad te vinden. Niet dat er in Mito weinig infrastructuur is, integendeel, maar in Japan wordt dat soort details lang op voorhand geregeld. Zo zal het er straks ook in het olympisch dorp aan toegaan. 's Morgens opstaan met het idee om een extra sessie in de oefenzaal in te lassen, laat staan een bezoek aan de sauna? Dat is vragen om problemen. Je moet alles vooraf bespreken en reserveren. Die boodschap probeer ik er bij de coaches en delegatieleiders in te hameren. Ook dat hoort bij mijn takenpakket. Bij de vorige Spelen, in Rio, werd tot de laatste dag getimmerd en geschilderd in en rond het olympisch stadion en dorp. Niet alles raakte klaar, en tot overmaat van ramp werd er in de straten betoogd tegen de geldverslindende organisatie. Is zo'n scenario denkbaar in Tokio? Catrysse: Nee, Tokio is er helemaal klaar voor. Het olympisch stadion is al in gebruik, enkele weken geleden werd er de finale van de Japanse voetbalbeker gespeeld. Ook het olympisch dorp en de andere stadions zijn zo goed als afgewerkt. Voor betogingen hoeven de organisatoren al helemaal niet te vrezen. Natuurlijk klinkt er voorzichtige kritiek op de kostprijs. De officiële raming van 12 miljard euro is wellicht een grove onderschatting, ook al hebben de organisatoren veel oog voor de duurzaamheid en zal de nieuwe infrastructuur ook na de Spelen worden gebruikt. Anders dan Brazilië heeft Japan bovendien een mature economie die zo'n inspanning vlot kan verteren. Het draagvlak voor de Spelen bij het volk is erg groot, de tickets vliegen nu al de deur uit. Niet alles loopt op rolletjes. Atleten, trainers en olympische federaties maken zich grote zorgen over het hete, vochtige klimaat tijdens de Spelen. Onder zware druk van het IOC heeft het organisatiecomité Tokyo 2020 beslist het snelwandelen en de marathon naar Sapporo te verhuizen, op het noordelijke eiland Hokkaido. Vindt u dat een terechte maatregel? Catrysse: Ach, het zogezegde hitteprobleem. De zomers in Tokio zijn inderdaad erg warm en vochtig, maar de organisatoren hebben er alles aan gedaan om de effecten daarvan te beperken. De marathon zou in de vroege ochtend worden gelopen. Een stuk van het traject werd heraangelegd met een speciale, hitteabsorberende wegbedekking. Allemaal voor niks, terwijl de verhuizing nauwelijks een verschil maakt. In Sapporo liggen de temperaturen misschien 3 graden lager, maar het wordt hoe dan ook heet en vochtig. De organisatoren waren niet blij met de beslissing van het IOC. 'Waarom laten we de marathon niet meteen op de Koerilen lopen?' werd er sarcastisch gereageerd. Hoe boos moet een Japanner zijn vooraleer hij op zo'n gevoelige kwestie zinspeelt? De door Rusland geannexeerde eilandengroep is een nationaal trauma in Japan. Catrysse: Die suggestie kwam van de gouverneur van Tokio, het zat haar blijkbaar erg hoog. Kijk, voor de organisatoren is de gedwongen verhuizing een bittere en bovendien dure pil. 280 miljoen euro extra zou de operatie kosten, alleen al de verhuizing van atleten, begeleiders en media naar Sapporo kost een fortuin. En waarom? Zelfs onze eigen marathonloper Koen Naert, die ook al in Mito is komen trainen, vindt het een zinloze onderneming. Terwijl de atmosferische omstandigheden nauwelijks verbeteren, zal voor de atleten de beleving erbij inschieten. Welke Belgische supporter zal op de allerlaatste dag van de Spelen de moeite nemen om helemaal naar Sapporo te trekken om Naert aan te moedigen? Ik begrijp de woede van de organisatoren. De marathon is voor een gaststad het gedroomde moment om te schitteren. Terwijl de rest van de Spelen in het olympisch stadion of in zwembaden en turnzalen wordt afgewerkt, vormt de marathon een twee uren durende videoclip om je aan de wereld te tonen. Die buitenkans wordt Tokio, dat het leeuwendeel van de organisatiekosten draagt, door de neus geboord. Niet alleen het imago van Tokio staat op het spel. Wat betekenen deze Spelen voor Japan? Catrysse: Je kunt Tokio 2020 het best vergelijken met de Spelen van 1964 in Tokio en de Wereldtentoonstelling van 1970 in Osaka, de twee mega-evenementen die Japan na de oorlog weer op de kaart hebben gezet. Ze bezegelden de breuk met het Japanse militarisme en de wederopstanding van het land als een geciviliseerde maatschappij en industriële grootmacht. De economie groeide met dubbele cijfers, er waren grote infrastructuurwerken zoals de hogesnelheidstrein Shinkansen, Japanse automerken veroverden de wereld, de sfeer was ongebreideld optimistisch. Vandaag is de context heel anders. De Japanse economie kampt al dertig jaar met stagflatie en zelfs deflatie, met groeicijfers die rond een schamele 2 procent blijven steken. Dat zal niet meteen veranderen, maar ook deze Spelen worden een visitekaartje voor de wereld. De tsunami en de kernramp in Fukushima hebben zwaar gewogen op het imago van Japan. Met Tokio 2020 wordt die pagina omgeslagen. Japan zal zich aan de wereld tonen als een veerkrachtige, hoogtechnologische kennismaatschappij, een pionier op het vlak van artificial intelligence, biotechnologie en robotica. Je mag tijdens de openingsshow een stevige portie hightech verwachten, en het zal in het olympisch dorp niet ontbreken aan robots en AI-applicaties om de organisatie te stroomlijnen. Tegelijk zullen de Spelen voor een frisse wind in de Japanse maatschappij zorgen. Dit land kampt met immense problemen. Vooral de vergrijzing neemt dramatische vormen aan. Japan is een oudemensenclub aan het worden, en krijgt bovendien met een enorme plattelandsvlucht af te rekenen. De bevolking krimpt, alleen Tokio blijft maar groeien. Hoe kunnen de Spelen daar een kentering in brengen? Catrysse: Kentering wil ik niet zeggen, het verband is onrechtstreeks. Ondanks de trage economische groei is de Japanse arbeidsmarkt oververhit. Vooral in sectoren zoals de bouw en de zorg zijn er vele handen tekort. Zo moesten voor de bouw van de olympische infrastructuur arbeiders uit Fukushima worden overgeplaatst, wat ten koste ging van de wederopbouw in het gebied dat in 2011 door de tsunami getroffen is. Door de snelle vergrijzing van de bevolking wordt het probleem alleen maar nijpender. Nog meer vraag naar zorg, nog minder mensen om aan die vraag te beantwoorden. Vergrijzing is uiteraard niet typisch Japans, net zomin als een deflatoire economie. Europa gaat dezelfde weg op, wat van Japan een interessant voorbeeld maakt. Hier kun je komen bestuderen welke impact lage groei en vergrijzing hebben op een hoogontwikkelde welvaartsstaat. De Spelen zullen al die problemen niet oplossen, maar nopen Japan wel tot duidelijke keuzes. Met het oog van de wereld op zich gericht, wil het land tonen dat het klaar is om die uitdagingen aan te pakken. Met wetenschap en technologie: productieprocessen worden maximaal geautomatiseerd, voor de zorgsector worden humanoïde robots ontwikkeld. De Japanners zien hightech als dé oplossing voor veel van hun problemen. Speelt migratie geen rol in het vergrijzingsprobleem, zoals dat in Europa het geval is? Catrysse: Japan blijft een eiland, met een heel dominante en homogene cultuur. Diversiteit zoals in Europa kennen ze niet, en wensen ze ook niet. Toch zwelt het debat aan. De tekorten op de arbeidsmarkt dwingen Japan eenvoudigweg om meer migratie toe te laten. Maar dat gebeurt mondjesmaat en met veel tegenzin. De voorbije jaren werden bijvoorbeeld Filipijnse bouwvakkers met tijdelijke contracten toegelaten. Daarnaast wordt gemikt op de Japanse diaspora in de zogenoemde Nikkei-landen zoals Brazilië, de Verenigde Staten en Peru, met weinig resultaat overigens. Het besef groeit dat meer openheid voor diversiteit noodzakelijk is. Ook in dat opzicht kunnen deze Spelen een katalysator worden. Japan krijgt de hele wereld in al haar diversiteit op bezoek. Ik merk een enorme motivatie om er het beste van te maken. Vrijwilligers worden klaargestoomd, er wordt hard gestudeerd om bezoekers in het Engels te woord te staan. Diversiteit gaat overigens niet alleen om etniciteit, taal en cultuur, maar ook over gendergelijkheid en inclusie van mensen met een beperking. De organisatoren willen een statement maken. De Paralympische Spelen mogen geen staartje worden van de Zomerspelen, Tokio is vastbesloten betere Paralympics te organiseren dan Rio de Janeiro vier jaar geleden. Japan schitterde eind vorig jaar op het WK rugby in eigen land. Aanvoerder Michael Leitch is een genaturaliseerde Nieuw-Zeelander, maar is desondanks uitgegroeid tot een nationaal idool met een standbeeld in Tokio. Sport werkt in Japan als glijmiddel voor diversiteit? Catrysse: O ja. Een van de medaillekandidaten op de Spelen is trouwens Abdul Hakim Sani Brown, een sprintwonder met een Ghanese vader die hier mateloos populair is. In het tennis is er dan weer Naomi Osaka. Half Haïtiaans, opgegroeid in de Verenigde Staten, maar wel de eerste Japanse die een grandslamtoernooi op haar naam schreef. Vooral bij de oudere generatie kunnen sportieve rolmodellen de ogen openen. Jongeren gaan sowieso veel relaxter om met diversiteit. Kijk maar naar het succes van Koreaanse pop. Op dit moment hangt er weer diplomatieke hoogspanning tussen Tokio en Seoel, nog altijd de nasleep van de Japanse bezetting van het Koreaanse schiereiland bijna honderd jaar geleden. Voor politici en oudere Japanners blijft dat een beladen thema, maar jongeren liggen er niet wakker van. Ze blijven luisteren naar K-pop en chatten met hun Koreaanse vrienden. U belichaamt zelf een bijzondere vorm van diversiteit. U bent cultureel bruggenbouwer voor de deelstaat Vlaanderen en sportief gezant voor het federale België. Valt dat te rijmen? Catrysse: Ik weet dat er heel wat te doen is over de cohabitatie van Belgische diplomaten en regionale vertegenwoordigers. Zelf heb ik daar nooit enig probleem mee ondervonden. Ik ben sowieso geen vlaggenzwaaier. Ik voel me tegelijk Europeaan, Belg, Vlaming en Brusselaar. Dat neemt niet weg dat ik mijn twee rollen strikt gescheiden hou: professioneel ben ik directeur van de stichting Arts Flanders Japan. Mijn engagement voor het BOIC is onbezoldigd vrijetijdswerk - ik ontvang alleen een onkostenvergoeding. Ik zie het als een manier om mijn erkentelijkheid te uiten. Ik heb zelf weliswaar hard gewerkt, maar ik besef dat ik van mijn land veel kansen heb gekregen. Voor alle duidelijkheid: ik sta al lang niet meer op de loonlijst van Vlaanderen, al is het natuurlijk een feit dat Vlaanderen onze stichting steunt. Niet dat ik spijt heb van mijn verleden in de Vlaamse diplomatie, integendeel. Ik was de allereerste Vlaming ooit die zich officieel gemeenschapsattaché mocht noemen. Helaas bleek dat een onwerkbare titel in Japan, het woord gemeenschap valt in het Japans niet te vertalen. Ik heb toen zelf naamkaartjes gemaakt met 'Vertegenwoordiger van de Vlaamse regering', een instelling die eind de jaren tachtig nog niet bestond. (lacht)België is intussen een land met drie deelstaatregeringen waar politici er maar niet in slagen een federale regering op de been te brengen. Krijgt u ons institutionele kluwen nog uitgelegd aan Japanse vrienden? Catrysse: Om eerlijk te zijn: weinig Japanners malen om de Belgische staatsstructuur. Als er toch vragen komen, probeer ik het uit te leggen met een vergelijking. België is een soort Europa in het klein, een land met verschillende talen en regionale identiteiten. Dat doet hier een belletje rinkelen, want ook Japan kent grote regionale verschillen. Ik heb zelf jarenlang in de buurt van Kobe gewoond, in de regio Kansai. De mensen spreken er een lokaal dialect en hebben een andere mentaliteit dan in Tokio. De stichting Arts Flanders Japan bestrijkt met haar twee medewerkers een breed veld, van architectuur en mode tot film, dans en literatuur. Eén kunstvorm springt eruit: de stichting programmeert opvallend vaak polyfonie en barokmuziek. Hoe komt dat? Catrysse: Dat ligt aan de ontstaansgeschiedenis van Arts Flanders Japan. Het Belgium-Flanders Center in Japan, zoals het oorspronkelijk heette, is het geesteskind van wijlen Robert Vliegen. Na de oorlog was hij als missionaris-scheutist naar Japan gekomen. Hij trad uit, maar bleef plakken in Osaka, waar hij een vooraanstaand musicoloog werd. Ik heb hem leren kennen toen ik zelf in Kyoto studeerde. Vliegen, toen professor en decaan aan de kunstuniversiteit van Osaka, was gepassioneerd door Vlaamse polyfonie en barokmuziek. Hij dirigeerde een eigen zangkoor en had in zijn Flanders Center een orgel en een oefenbeiaard staan. Als bekwaam netwerker wist hij Japanse bedrijven met investeringen in Vlaanderen warm te maken voor zijn stichting. Voorts had hij wat geld losgeweekt bij Rika De Backer, CVP-lid van de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, de verre voorloper van het Vlaams Parlement. Ik heb zelf veel aan hem te danken. Niet alleen ben ik Vliegen opgevolgd als directeur van de stichting, hij heeft me aan mijn eerste baan in Japan geholpen. Arts Flanders Japan werkt samen met Literatuur Vlaanderen om de Nederlandse taal en literatuur te promoten. Zit Japan daarop te wachten? Catrysse: De belangstelling leeft vooral, maar niet uitsluitend, in academische kringen. In Tokio, Kyoto, Nagasaki en Osaka worden cursussen Nederlands op verschillende niveaus aangeboden, met professionele docenten uit Vlaanderen en Nederland. Ons examen voor het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal lokt zelfs deelnemers uit Zuid-Korea en Taiwan. Ik ben erg trots op onze opleidingsmodule literair vertalen. Zo hebben we een pool van vertalers gevormd die de voorbije jaren boeken en kortverhalen van onder meer Annelies Verbeke, Tom Lanoye, Peter Terrin, en Bart Moeyaert hebben vertaald. We werken samen met mijn goede vriend Luk Van Haute, bekend als vertaler van Haruki Murakami. Hij staat borg voor de kwaliteit door onze vertalingen aan de bronteksten te toetsen. Onze ambitie is ieder jaar de vertaling van een recente Vlaamse roman te publiceren. Dit jaar staat Oorlog en terpentijn op het programma, het is de bedoeling Stefan Hertmans voor een reeks lezingen naar Japan te halen. Om maar te zeggen, 2020 wordt niet alleen het jaar van de Olympische Spelen.