De Indiase bevolking groeit jaarlijks met zo'n 15 miljoen mensen, maar nieuwe jobs komen er amper bij. De werkgelegenheidscijfers die de overheid rapporteert waren nooit echt betrouwbaar, en sinds enkele jaren is ze er zelfs helemaal mee opgehouden. Het was de Amerikaanse krant The New York Times die vorige week de vinger op de wonde legde: ze onthulde de desinformatie van de overheid en waarschuwde voor de catastrofale gevolgen voor de stabiliteit van het land.
...

De Indiase bevolking groeit jaarlijks met zo'n 15 miljoen mensen, maar nieuwe jobs komen er amper bij. De werkgelegenheidscijfers die de overheid rapporteert waren nooit echt betrouwbaar, en sinds enkele jaren is ze er zelfs helemaal mee opgehouden. Het was de Amerikaanse krant The New York Times die vorige week de vinger op de wonde legde: ze onthulde de desinformatie van de overheid en waarschuwde voor de catastrofale gevolgen voor de stabiliteit van het land. Het slechte nieuws is dat dit probleem niet beperkt blijft tot India. Zowat de hele wereld blijft worstelen met een banencrisis. Wat er ook geschreven wordt over vacatures die niet ingevuld raken, er is wel degelijk te weinig werk. De voorbije tien jaar is de wereldbevolking met 850 miljoen mensen gegroeid, maar volgens de Internationale Arbeidsorganisatie zouden er maar een kleine 300 miljoen nieuwe jobs zijn bij gekomen. Vooral arme regio's worden getroffen. In Afrika groeide de bevolking tussen 2008 en 2017 met ongeveer 300 miljoen mensen, tegenover een kleine 100 miljoen nieuwe banen. In Zuid-Azië kwamen er 240 miljoen mensen bij, tegenover 90 miljoen banen. Het Midden-Oosten tekende een bevolkingsgroei van 60 miljoen mensen op tegenover 16 miljoen nieuwe jobs. Dat zijn ruwe cijfers, maar de uitdaging blijft duidelijk. Wat die regio's parten speelt, is dat het nieuwe centrum van de wereldindustrie naar Oost-Azië is verschoven. Vooral in China kwamen er eerst veel jobs in de industrie bij, en dankzij de welvaart die de industrie voortbracht, worden er nu ook in de dienstensector veel banen gecreëerd. Andere ontwikkelingslanden hebben zich afhankelijk laten maken van grondstoffen, of hebben door de toevloed van Chinese industriële goederen nauwelijks zelf fabrieken kunnen bouwen. Even cruciaal zijn de automatisering en de robotisering. De Wereldbank en de Internationale Arbeidsorganisatie beklemtonen dat het de armste landen zijn die er vooral onder lijden. Met een jonge en groeiende bevolking hebben zij vaak de meeste jobs nodig. Door hun armoede kunnen ze vaak niet eens investeren in technologische vooruitgang. Robots zullen dus overwegend rijkere landen toelaten om hun maakindustrie te behouden, ondanks hogere lonen. Dat verklaart meteen ook waarom er van een nieuwe grote 'spill-over' van industrie naar de armste regio's geen sprake is. Lange tijd werd verwacht dat er een soort olievlekeffect bestond, waarbij westerse landen door middel van investeringen de industrie en welvaart in landen zoals Japan hielpen opbouwen, waarna Japan mee zou investeren in het succes van de industriële revolutie in China, en China op zijn beurt zou investeren in de industrie en welvaart van bijvoorbeeld Zuidoost- en Zuid-Azië. Dat blijkt allerminst het geval. China investeert wel in het buitenland, maar slechts 13 procent van die investeringen heeft te maken met de industrie. China wil met zijn buitenlandse investeringen vooral de eigen industrie ondersteunen: grondstoffen veiligstellen, bijvoorbeeld, technologie kopen en havens bouwen. Ondertussen zet het zelf grootschalig in op robots. Succesvolle landen ontspringen de dans niet. Robotisering en automatisering helpt hen misschien de welvaart bij te houden, maar vaak dreigt die welvaart ongelijker verdeeld te worden. Een relatief kleine groep bedrijven en aandeelhouders strijkt de winst van de investeringen in robots en software op: Siemens, Oracle, Google, Amazon enzovoort. Op de arbeidsmarkt wordt het verschil tussen een toplaag van ingenieurs, marketeers en programmeurs en de rest groter. De afhankelijkheid van grote, vaak buitenlandse bedrijven van digitale oplossingen maakt het moeilijk voor overheden om een stuk van de financiële baten te herverdelen. Er wordt daarom meer en meer gesproken over een robottaks. Maar als het ene land die heffing invoert en het andere niet, is het duidelijk in welk van de twee de nieuwe hightechfabriek zal worden neergezet. Zonder internationale regels valt zo'n heffing niet in goede banen te leiden. Ook België staat onder druk. Onze arbeidsmarkt doet het niet slecht, maar dat is grotendeels het gevolg van het vermogen van de overheid om te herverdelen. Twee derden van de banen die er de afgelopen tien jaar zijn bijgekomen, zitten in de publieke sector. Daar is op zich niets mis mee, maar dan moet die publieke sector op zich doeltreffend zijn, en er vooral voor zorgen dat ons land mee voorop zit in de wereldwijde race om welvaart en werk.