Niets aanraken en hierlangs terugkomen', zegt een bewaker bij de ingang. Ik haal mijn schouders op, zoek een opening in de dubbele gordel zware, zwarte doeken, en beland in de hel. De hel is een reusachtige koepeltent op de Gedempte Zuiderdokken in Antwerpen. Het is er broeierig heet en aardedonker. Ik heb me behoorlijk geïnformeerd, en toch ben ik niet voorbereid op het schouwspel dat me te wachten staat. Ik schuifel door het zand, aangezogen door de koplampen van vijf Amerikaanse auto's in een kring. Ze beschijnen een groep gemaskerde figuren die met touwen een zwarte man op de grond gevloerd houden. Dat het maar gipsen afgietsels zijn, dringt niet volledig tot me door. Een van hen voert een liggende castratie uit, zoals men dat met hengsten doet wanneer hun testosterongehalte de spuigaten uitloopt. Het slachtoffer schreeuwt het uit, maar breekt niet door de doodse stilte.
...

Niets aanraken en hierlangs terugkomen', zegt een bewaker bij de ingang. Ik haal mijn schouders op, zoek een opening in de dubbele gordel zware, zwarte doeken, en beland in de hel. De hel is een reusachtige koepeltent op de Gedempte Zuiderdokken in Antwerpen. Het is er broeierig heet en aardedonker. Ik heb me behoorlijk geïnformeerd, en toch ben ik niet voorbereid op het schouwspel dat me te wachten staat. Ik schuifel door het zand, aangezogen door de koplampen van vijf Amerikaanse auto's in een kring. Ze beschijnen een groep gemaskerde figuren die met touwen een zwarte man op de grond gevloerd houden. Dat het maar gipsen afgietsels zijn, dringt niet volledig tot me door. Een van hen voert een liggende castratie uit, zoals men dat met hengsten doet wanneer hun testosterongehalte de spuigaten uitloopt. Het slachtoffer schreeuwt het uit, maar breekt niet door de doodse stilte. Hoelang wordt een mens verondersteld naar zoiets te kijken? Ik loop langs de auto's, kijk naar binnen. Achter de ramen blijft het zwart - of toch niet helemaal. Op een passagiersstoel zit de blanke vrouw met wie het slachtoffer had aangepapt. Haar handen, voor haar gezicht geslagen, zitten onder de kots. In een andere auto zit een kleine jongen met een plastic zonnebrilletje verstijfd voor zich uit te staren. Wat ondergaat zo'n kind als het in de koplampen kijkt? Ik hou het niet langer uit, maar vind het flauw om het zomaar af te trappen. Ik trek me zo ver mogelijk terug om het ondraaglijke tafereel van een afstand te bekijken. Mijn blik haakt zich vast aan een knoert van een boom, geknipt voor een lynchpartij. Een bewaker komt de tent binnen en speurt de hele ruimte af. Het duurt lang voor hij me ziet, want ik sta achter hem. 'Ik heb niets aangeraakt', kan ik nog net zeggen. Dit is dus Five Car Stud, een op basis van ware feiten verzonnen tableau met levensgrote figuren van de Amerikaanse beeldend kunstenaar Edward Kienholz (1927-1994). Het zou in een wassenbeeldenmuseum of een gruwelkabinet passen, dus waarom dan niet in een koepeltent net buiten de muren van het M HKA? Het hoort bij de expo Sanguine/Bloedrood over klassieke en hedendaagse barok, gemaakt door Luc Tuymans. Extreem geweld tonen is geen uitvinding van de barok. Denk maar aan de Vlaamse Primitieven en het tweeluik Het oordeel van Cambyses (1498) , waarin Gerard David pijnlijk realistisch het villen van een onrechtvaardige rechter afbeeldt. Maar in het met veel verve weergeven van excessen, passies en tormenten kenden barokmeesters zoals Rubens en Caravaggio inderdaad weinig gelijken. De link met openlijk racisme moet van een recentere datum zijn. Five Car Stud, gemaakt tussen 1969 en 1972, is daarom een uniek, brandend actueel en - vergeef ons het cliché - absoluut iconisch werk. Als jonge Amerikaanse kunstenaar voelde Edward Kienholz zich van bij het prille begin betrokken bij de Civil Rights Movement, toen Rosa Parks in 1955 weigerde om plaats te nemen op een voor zwarten voorzien zitje op de bus. Na haar eerste veroordeling door een rechtbank schafte het Hooggerechtshof de rassenscheiding in het openbaar vervoer af. De door president Lyndon B. Johnson in 1964 uitgevaardigde Civil Rights Act gaf de minderheden rechten die tot vandaag met de regelmaat van een klok met de voeten worden getreden. Voor 2016 noteerde het FBI in zijn Hate Crime Statistics 6121 criminele feiten 'gemotiveerd door ras, etniciteit, afkomst, religie, seks, gender en genderidentiteit'. Een stijging met 5 procent tegenover een jaar daarvoor. Edward Kienholz, een boerenzoon uit Fairfield, Washington, liet zich vanaf 1972 bijstaan door zijn vijfde vrouw, Nancy Reddin. Zijn kunst staat gerubriceerd onder neodada, popart, hyperrealisme en wat al niet. Zijn crue beeldtaal werd vergeleken met de vuilspuiterij van schrijvers van de beat generation, zoals Allen Ginsberg of William Burroughs. In elk groot museum dat een werk van hem bezit, steken zijn tableaus af tegen de rest. Eigenlijk zijn ze inclassable. Het dichtst bij huis, in het Stedelijk Museum Amsterdam, staat The Beanery (1965), een gore bar uit LA met de gipsen afgietsels van 17 levensmoeë figuren. Je hoort hun gebabbel en het gerinkel van de glazen. Hun gezichten bestaan uit klokken die op 10 over 10 staan. 'Zo stellen ze de gedachte uit dat ze dood zullen gaan', noteerde de kunstenaar. Een politiek statement van formaat deed Kienholz in volle Vietnamoorlog. The Portable War Memorial (1968), een megatableau, is opgebouwd zoals de beroemde foto van Joe Rosenthal uit de Tweede Wereldoorlog: marines planten de Amerikaanse vlag op het Japanse eiland Iwo Jima. Alleen verving Kienholz de soldaten door mannequins zonder gezicht die de Stars & Stripes op een wankele picknicktafel proberen te hijsen. Op de achtergrond roept Uncle Sam vanaf een levensgrote poster jonge mannen op om dienst te nemen in het leger. Uit een afvalbak met vrouwelijke vormen weerklinken de tonen van God Bless America, gezongen door Kate Smith. Ook om dit werk te zien hoeven we niet ver te lopen: het hoort bij de verzameling van het Museum Ludwig in Keulen. Voor een even bittere aanklacht, vervat in The State Hospital (1966), moeten we al naar het Moderna Museet in Stockholm reizen. Twee naakte, levensgrote figuren liggen in identieke houdingen vastgebonden op hun metalen ziekenhuisbed. Dat het om gipsen afgietsels gaat, helpt ook hier niet om een gevoel van weerzin te onderdrukken. We zien slechts uitgemergelde mensen, smerige matrassen en een vuile pispot. De inspiratie voor dit werk deed de kunstenaar op toen hij in zijn zwervende jeugd als oppasser in een instelling voor mentaal zieken werkte. Amsterdam, Keulen, Stockholm: de interesse voor Kienholz' werk kwam inderdaad vooral uit Europa. In eigen land zagen de meesten hem liever gaan dan komen. Het sprak boekdelen dat het museum van Los Angeles, waarvoor zijn meesterwerk Five Car Stud bestemd was, zo veel praktische bezwaren maakte dat de kunstenaar in 1972 ten slotte inging op het aanbod van tentoonstellingsmaker Harald Szeemann om het te realiseren voor de Documenta V, de vijfjaarlijkse wereldtentoonstelling van hedendaagse kunst in Kassel. Daar was hij al geen onbekende meer. Arnold Bode, stichter van de Documenta, had in de vorige editie uitgepakt met Kienholz' installatie Roxys (1961-'62), losjes gebaseerd op zijn jeugdige wedervaren in een bordeel in Nevada, geheel voorzien van een madame, antiek meubilair en een jukebox uit de jaren dertig. Edward en Nancy Kienholz bleven in Duitsland, waar ze erkenning genoten. Ze vestigden zich in West-Berlijn en konden er op overheidssteun rekenen. Pas in 1991 raakten ze enigszins uitgekeken op de stad, die naar hun aanvoelen danig veranderd was na de val van de Muur. Voortaan zouden ze pendelen tussen Idaho, Texas en Duitsland. Hun Five Car Stud belandde in het Kawakura Memorial Museum of Art van Sakura, in Japan, klaar om vergeten te worden. Maar in 2012 werd het werk op de kunstbeurs in Bazel aangekocht door de Fondazione Prada voor de collectie die ze exposeert in haar Milanese vestiging. Na Antwerpen, waar het gerestaureerde werk na bijna een halve eeuw in dezelfde omstandigheden wordt getoond als op de Documenta V, reist de expo Sanguine/bloedrood door naar Milaan. De kunstenaar zelf mag het allemaal niet meer meemaken. In 1994 werd een hartaanval hem fataal. Hij kreeg een begrafenis die op een ware kunsthappening uitdraaide, en met wat goede wil kan gelden als zijn laatste werk: Edward Kienholz' Burial. Vrienden en familie installeerden hem in zijn Packard en brachten hem en zijn auto naar een berg in Idaho. Voor zijn reis naar de onderwereld voorzagen ze hem, vrij naar de oude Egyptenaren, van een dollar, een spel kaarten en een fles chianti. Achteraan in de auto lag een urne met de as van zijn pas gestorven hond. Toen Nancy hem zijn graftombe binnenreed, bliezen muzikanten het lied Amazing Grace op hun doedelzakken.