Half mei verspreidde Page Personnel een opvallend persbericht. Het uitzendkantoor maakt zich grote zorgen over het groeiende gebrek aan kandidaten die de twee landstalen onder de knie hebben. 'Dat is een trend van de voorbije vijf jaar', legt Olivier Dufour, directeur van Page Personnel Brussel, aan de telefoon uit. 'Het wordt steeds moeilijker om opdrachten succesvol af te ronden, omdat onder de kandidaten die zich bij ons aanmelden almaar minder tweetaligen Nederlands - Frans zitten.'
...

Half mei verspreidde Page Personnel een opvallend persbericht. Het uitzendkantoor maakt zich grote zorgen over het groeiende gebrek aan kandidaten die de twee landstalen onder de knie hebben. 'Dat is een trend van de voorbije vijf jaar', legt Olivier Dufour, directeur van Page Personnel Brussel, aan de telefoon uit. 'Het wordt steeds moeilijker om opdrachten succesvol af te ronden, omdat onder de kandidaten die zich bij ons aanmelden almaar minder tweetaligen Nederlands - Frans zitten.' Dufour ziet steeds meer jonge Vlamingen opduiken met een goed niveau Engels, maar een beroerd niveau Frans. 'En voor meer dan 80 procent van onze vacatures vraagt men kennis van het Nederlands en het Frans.' Als directeur van Page Personnel houdt Olivier Dufour zich bezig met het rekruteren voor banen tot ongeveer 45.000 euro bruto jaarsalaris. 'Dat betekent vrijwel alle jongeren die net de hogeschool of de universiteit verlaten hebben en hun eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten, evenals alle technische profielen zoals boekhouders, sales managers, call en service center-personeel en ga zo maar door. Een breed palet, maar kennis van de tweede landstaal is meestal vereist.' Jongeren, aldus Dufour, denken verkeerdelijk dat ze met het Engels overal zullen terechtkunnen. 'De sterkte van Belgische kandidaten was tot voor kort net dat ze Nederlands, Frans en Engels kunnen. Heel veel Europese hoofdzetels die zich in Brussel en in Vlaams- en Waals-Brabant komen vestigen, rekenen daarop.' Nogal wat Franse luxemerken, denk aan Louis Vuitton, hebben een Europees callcenter in of rondom Brussel. 'Die callcenters bedienen doorgaans Frankrijk en de hele Benelux en hebben dus medewerkers nodig die tweetalig Nederlands en Frans zijn. Een vestiging in Brussel is duur en topmerken willen hun klanten kwaliteit bieden. Door het gebrek aan tweetalige kandidaten wordt het steeds lastiger om de geschikte mensen te vinden.' Olivier Dufour zou willen dat Belgische jongeren die met Erasmus een tijdje in het buitenland gaan studeren twee keer nadenken over hun bestemming. In plaats van zoals zovelen naar feestplekken in Italië of Spanje te trekken, zouden ze beter, al naar gelang van hun moedertaal, voor Frankrijk of Nederland kiezen. Met name de Vlamingen dreigen door het verlies van het Frans een sterke troef op de arbeidsmarkt uit handen te spelen, stelt Dufour. 'Vroeger hadden de Nederlandstalige kandidaten meestal een redelijk niveau Frans. De laatste jaren worden we geconfronteerd met Vlamingen die nauwelijks nog Frans spreken.' Jan Denys, arbeidsmarktspecialist en woordvoerder bij Randstad, heeft soortgelijke ervaringen. 'Wij kunnen die evolutie in grote lijnen bevestigen. Het heeft er ook mee te maken dat Vlaamse jongeren cultureel geen banden meer hebben met de Franse taal. Franse film en chanson spelen nauwelijks nog een rol in hun leven, een uitzondering als Stromae buiten beschouwing gelaten.' Het Engels, de wereldwijde lingua franca, is de taal van de jongerencultuur, de sociale media en de popmuziek. Frans heeft met de jaren een stoffig en saai imago gekregen, waar het moeilijk van afraakt. 'Velen denken ook dat Frans niet meer belangrijk is op de arbeidsmarkt, wat duidelijk niet klopt', zegt Jan Denys. Verschillende onderzoeken laten zien hoe het in Vlaanderen met de kennis van het Frans de verkeerde kant uitgaat. Uit de European Survey on Language Competences (ESLC), een Europees onderzoek in opdracht van de Europese Commissie in 2012, bleek dat Vlaamse scholieren prima scoren voor hun derde taal, het Engels, maar dat hun Frans heel middelmatig is, ook al is Frans eigenlijk hun eerste vreemde taal op school. Vlaanderen organiseert om de zoveel jaar ook zogenaamde peilingsproeven. Een representatief staal van scholen neemt tijdens zo'n proef deel aan een examen om na te gaan of de eindtermen, de kennis of vaardigheden waarover leerlingen aan het eind van hun opleiding minimaal moeten beschikken, voor een bepaald vak worden gehaald. De meest recente peilingsproef Frans (uit 2012) voor de derde graad van het aso, tso en kso biedt weinig redenen tot vrolijkheid. Op het vlak van luistervaardigheid halen meer dan 25 procent van de aso- en kso-leerlingen, en meer dan 35 procent van de tso-leerlingen de eindtermen niet. Op het vlak van spreekvaardigheid valt 49 procent van de aso-leerlingen 'morfosyntactisch' door de mand. In gewone mensentaal: bijna de helft van de leerlingen is op het eind van de middelbare school niet in staat een werkwoord correct te vervoegen. In het tso en kso haalde meer dan de helft van de leerlingen de meeste Franse eindtermen niet. Uit de Onderwijsspiegel 2017, een doorlichting van 383 basisscholen tijdens het schooljaar 2015-2016, bleek dan weer dat een derde van de leraren Frans uit het basisonderwijs zelf vindt dat hun Frans te wensen overlaat. 'De inspectie stelde vast dat er in de lessen Frans in het basisonderwijs veel te weinig aandacht gaat naar dialoog', erkent minister van Onderwijs Hilde Crevits. 'Dat komt omdat leraren zelf in de klas vaak geen Frans durven te spreken.' Bovendien bleek net het onderdeel Frans het voornaamste struikelblok bij de (niet-bindende) instapproef voor aspirant-leraren. Crevits kondigde onlangs een samenwerkingsakkoord aan met Frankrijk om het niveau van de leraren Frans en de kwaliteit van de lessen te verbeteren. Ook met de Franse Gemeenschap in België is er sinds een aantal jaren een akkoord om didactisch materiaal en leraren uit te wisselen, maar veel heeft dat niet opgeleverd. Voor Stijn Van Hamme, lesgever Frans en assistent aan de UGent, is het nieuwe samenwerkingsakkoord toch vooral een staaltje windowdressing. 'Zolang de kwaliteit van de lerarenopleiding niet structureel verbetert, zullen we het met een paar extra uitwisselingsprojecten echt niet redden', zegt hij. Van Hamme is pessimistisch gestemd over de kennis van het Frans bij Vlaamse leerlingen die de schoolbank verlaten. 'Mijn collega's aan de universiteit zien net als ik het niveau van het Frans jaar na jaar achteruitgaan, vooral de kennis van de taalkundige structuur van de taal. Een werkwoord correct vervoegen in de indicatif présent zit er voor veel studenten al niet meer in.' Sinds 2010 wordt in het vreemdetalenonderwijs de nadruk gelegd op mondelinge vaardigheden, veeleer dan op woordenschat en grammatica. Volgens Van Hamme, die de laatste hand legt aan een boek over 'de dalende onderwijskwaliteit in Vlaanderen', breekt die focus op mondelinge vaardigheden ons nu zuur op. 'Vroeger lag de nadruk in de lessen Frans ongetwijfeld te sterk op grammatica drillen. Nu verwaarloost men alles wat kennis is. Maar het Frans heeft een heel systematische structuur. Als je daarin geen inzicht hebt, kun je niet communiceren. Ik heb dit jaar op verzoek van mijn studenten - die op de middelbare school minstens drie uur Frans per week hebben gekregen - simpele vervoegingen herhaald.' Ook Piet Van De Craen (VUB), hoogleraar Nederlandse en algemene taalkunde en gloedvol pleitbezorger van meertalig onderwijs, ziet de kennis van het Frans achteruitgaan. 'Als je studenten vandaag vraagt om een artikel te lezen in het Frans, protesteren ze, terwijl ze dat in het Engels heel normaal vinden. Veel Vlamingen beheersen het Frans niet meer zoals vroeger. En of dat echt wordt gecompenseerd door een betere beheersing van het Engels, is ook nog maar de vraag.' Het aantal lesuren Frans is de laatste jaren zeker niet afgenomen, dus daaraan kan het niet liggen. Frans is in Vlaanderen een verplicht vak vanaf het vijfde leerjaar. Sinds 1 september 2014 mogen scholen die dat willen ook Frans geven vanaf het derde leerjaar, op voorwaarde dat de leerlingen hun moedertaal, het Nederlands, voldoende beheersen. 'En vanaf volgend schooljaar mag dat ook Engels of Duits zijn en dat is nieuw. Maar scholen kiezen zelf of en welk aanbod ze organiseren', vult minister Crevits aan. Vraag is of die nieuwe concurrentie van het Engels en het Duits de beroerde uitgangspositie van het Frans niet nog meer zal verzwakken. Ook voor hoogleraar Piet Van De Craen zijn 'slechte onderwijsmethodes', naast maatschappelijke ontwikkelingen de hoofdschuldigen voor de terugval van de taal van Voltaire. 'Tot in de jaren 2000 mochten leraren Frans hun vak zelfs in het Nederlands onderwijzen. Compleet nefast was dat. Voeg daarbij het dalende prestige van het Frans. Tot niet zo lang geleden was het bon ton om minnetjes te doen over het Frans. Frans was niet belangrijk, voortaan zou het allemaal Engels worden. In het basisonderwijs zijn ook steeds minder leraren in staat om Frans te onderwijzen. Met als gevolg dat wat in de leerplannen staat voor het vijfde en het zesde leerjaar niet meer wordt gehaald, en men pas in het middelbaar met Frans begint, en dan nog vaak op een bedenkelijke manier.' Emeritus professor Alex Vanneste, gewezen decaan van de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Antwerpen, organiseerde van 1986 tot 2012 net voor de start van het academiejaar een uitgebreide, computergestuurde instaptoets voor toekomstige romanisten - vandaag studenten Frans in de taal- en letterkunde - en hield alle resultaten netjes bij. 'De toets ging hoofdzakelijk over grammatica, zinsbouw, en gedeeltelijk over woordenschat en begrijpen', vertelt professor Vanneste aan de telefoon. 'De conclusies waren duidelijk', zegt hij. 'Het startniveau daalde jaar na jaar.' Het is niet zo dat studenten gaandeweg dommer zijn geworden. Hun 'intrinsieke taalvaardigheid', merkte Vanneste tijdens zijn intensieve 'bijspijkercolleges', bleef in de loop van de jaren even groot. Al moest er jaar na jaar natuurlijk wel meer worden bijgespijkerd. Vanneste, die nog goede contacten heeft op de universiteit, ziet geen aanwijzingen dat de situatie sinds 2012 verbeterd is, wel integendeel. Net zoals Stijn Van Hamme van de UGent schrijft hij de mindere kennis van de Franse grammatica, en als gevolg daarvan, de verminderde capaciteit om zich correct in het Frans uit te drukken, toe aan de pedagogische strijd tussen kennis en vaardigheden, die de laatste jaren in het voordeel van de vaardigheden is beslecht. 'Vijftig jaar geleden moest je op school alle onregelmatige Franse werkwoorden uit het hoofd leren, maar kon je bij wijze van spreken geen brood bestellen bij de bakker', aldus Vanneste. 'Nu is de slinger doorgeslagen in de andere richting. Men doet alsof men in die paar uurtjes per week Frans kan onderwijzen zoals aan moedertaalsprekers. Alles moet bovendien leuk zijn in dit zogenaamde 'communicatieve model'. Onmiddellijk praten, is de boodschap. En als leerlingen zich min of meer verstaanbaar kunnen maken, ook al is het geslacht van elk lidwoord verkeerd en staan alle werkwoorden in de infinitief, dan is dat volgens de onderwijsinspectie al heel wat. Maar zonder kennis van de grammatica, zeker bij een grammaticaal sterke taal als het Frans, kun je echt geen vooruitgang maken.' Vanneste maakt zich zorgen over de toekomst van het Franse taalonderwijs in Vlaanderen. Als gevolg van het statusverlies van het Frans, wereldwijd maar zeker ook in Vlaanderen na de Vlaamse ontvoogdingsstrijd heeft het Frans sterk aan maatschappelijke invloed ingeboet. 'Wie kijkt vandaag in Vlaanderen nog naar de RTBF? Wie leest nog een Franstalige krant?' Daardoor daalt ook de belangstelling voor het Frans aan de universiteit. 'Zullen er over 10 à 15 jaar nog wel leerkrachten Frans zijn?' vraagt Vanneste zich af. 'Middelbare scholen in Antwerpen vinden nu al geen leerkrachten meer voor de laatste jaren van het secundair onderwijs. In de jaren 1980 zaten er in Antwerpen ongeveer 180 romanisten, zoals ze toen nog heetten, in de eerste kandidatuur. Vandaag zijn dat er geen 50 meer.' Het blijvende succes van Franse taalkampen tijdens schoolvakanties duidt erop dat zeker ouders nog wel doordrongen zijn van het belang van het Frans. Minister van Onderwijs Crevits wil bovendien de lat voor talenkennis hoger leggen en 'ambitieuzere eindtermen' formuleren voor Frans, Engels en Duits. De politiek gevoelige discussie over die nieuwe eindtermen is nog volop gaande. 'Maar er is hoop', zegt professor Van De Craen. Sinds een jaar of twintig zet de Europese Commissie sterk in op talenkennis. Elke Europeaan wordt geacht twee talen te spreken naast zijn moedertaal. Om dat te verwezenlijken wordt de zogenaamde CLIL-methode (Content and Language Integrated Learning) in het taalonderwijs aanbevolen en ondersteund. Die methode houdt in dat circa 20 procent van de gewone vakken in een vreemde taal worden gegeven. 'Die aanpak is in Wallonië al ingevoerd in 1998', vertelt Van De Craen, 'en heeft daar tot goede resultaten geleid. In Vlaanderen heeft het heel lang geduurd, maar sinds het schooljaar 2014-2015 mag het hier eindelijk ook. Dit jaar deden 60 scholen mee, volgend schooljaar zijn dat er 81.' 81 scholen dus die een aantal vakken in het Frans, Engels of Duits aanbieden. 'Helaas alleen secundaire scholen', zegt Van De Craen. 'Eén bepaalde politieke partij in Vlaanderen (de N-VA, nvdr) blijft zich uit alle macht verzetten tegen de uitbreiding van de CLIL-methode naar basisscholen.' Heel jammer, aldus Van De Craen. 'Als je goed piano wilt leren spelen en aan de Koningin Elisabethwedstrijd wilt deelnemen, begin je niet op je twaalfde maar op je vijfde.' De CLIL-methode veronderstelt dat er voldoende leraren geschiedenis of aardrijkskunde voorhanden zijn die vloeiend Frans spreken, quod non. Maar indien dat probleem kan worden verholpen, verwacht Piet Van De Craen bij een CLIL-aanpak op grote schaal een positieve kentering in Vlaanderen op het vlak van talenkennis. 'In Wallonië doen nu ongeveer 300 scholen mee en we zien daar al positieve resultaten. Er zijn bijvoorbeeld Waalse leerlingen die vlot overstappen naar een Vlaamse universiteit. In Vlaanderen zien we dan weer dat de spreekangst van Vlamingen, die met name tegenover het Frans erg hoog ligt, dankzij CLIL verdwijnt.' Volgens Piet Van De Craen is het dan ook een kwestie van tijd voordat de CLIL-methode in Vlaanderen ook in het basisonderwijs wordt ingevoerd. 'De huidige minister van Onderwijs is voor, de onderwijsinspectie is voor, de onderwijskoepels zijn voor, de ouders zijn voor. Men kan dat niet blijven tegenhouden. De maatschappelijke druk zal té groot worden.'