Een lange versie van deze tekst verscheen in het februarinummer van Sampol. In het voorjaar zal hierover een boek bij UPA verschijnen met als titel 'Geld voor je God?'

Twee weken geleden raakte bekend dat de radicale islam in België aan een opmars bezig is. Hierop barstte een debat los over de buitenlandse geldstromen aan religieuze groeperingen, de mogelijkheid tot het verbieden van salafistische organisaties, en de verstrenging van de criteria voor erkenning van lokale geloofsgemeenschappen. Vanuit een bezorgdheid voor een mogelijke ondermijning van onze seculiere waarden en normen opperde Patrick Dewael een jaar eerder het voorstel om de Grondwet te herzien en om in het bijzonder aandacht te besteden aan het seculiere karakter van de staat en de fundamentele waarden van onze samenleving. Vreemd genoeg wordt artikel 181, waarin overheidsfinanciering voor wedden en pensioenen van bedienaars en afgevaardigden van de erkende levensbeschouwingen wordt vastgelegd, in dit voorstel niet vermeld.

'Als we godsdienstvrijheid ernstig nemen, moeten we ook nadenken over financiering van erediensten'

Nochtans is de vraag naar de legitimiteit en het nut van dit grondwetsartikel brandend actueel. Is een erkennings-en financieringssysteem van levensbeschouwingen nog wel wenselijk in België? Is het legitiem om zo een systeem grondwettelijk vast te leggen? Zouden burgers niet meer inspraak moeten hebben in de keuze om een bepaalde levensbeschouwing te financieren? In hoeverre kan de overheid (gesubsidieerde) levensbeschouwingen controleren zonder daarbij haar neutrale karakter te verliezen? En op welke manier vullen we de scheiding tussen kerk en staat best in in een samenleving die geseculariseerd en levensbeschouwelijk gediversifieerd is?

Laten we eerst eens nagaan waarom de Belgische overheid, naast het vrijzinnig humanisme, zes erediensten (de Rooms-katholieke, protestantse, Orthodoxe, Anglicaanse joodse en islamitische) subsidieert. Traditioneel worden hiervoor vier argumenten gegeven. Vooreerst (1) zijn er de de historische wortels van het systeem: onder meer als compensatieregel voor de confiscatie van de kerkelijke goederen kort na de Franse Revolutie, werd in de Belgische Grondwet (1831) vastgelegd dat bedienaars van de erkende erediensten (en in 1993 werden daar afgevaardigden van de niet-confessionele levensbeschouwing aan toegevoegd) door de overheid bezoldigd worden.

Daarnaast (2) zouden levensbeschouwingen voor stabiliteit en cohesie in de samenleving zorgen en zouden ze een maatschappelijk en ethisch belang hebben. Verder (3) zou het Belgische erkennings- en financieringsbeleid ook een pragmatisch voordeel bieden: door als overheid bepaalde eisen voor erkenning op te leggen, kan ze immers een zekere controle uitoefenen op de betreffende levensbeschouwelijke organisaties, waardoor radicalisering zou kunnen worden ingedijkt.

Tot slot (4) is er het principe van de positieve godsdienstvrijheid: zo zorgt het financieringssysteem van levensbeschouwingen ervoor dat de vrijheid van godsdienst (de vrijheid om het geloof aan te hangen én te praktiseren) niet enkel op papier (de jure), maar ook in de praktijk (de facto) gegarandeerd wordt.

'Waarom moet de Belgische overheid nog opdraaien voor gebeurtenissen die zich meer dan tweehonderd jaar geleden afspeelden?'

Anno 2017 zijn deze argumenten niet langer overtuigend. Zo kan men zich alvast de vraag stellen of de genoemde compensatieregel nog wel zin heeft. Waarom moet de Belgische overheid nog opdraaien voor gebeurtenissen die zich meer dan tweehonderd jaar geleden afspeelden? Bovendien geldt deze compensatieregel enkel voor de katholieke Kerk, terwijl ook andere levensbeschouwingen in België gesubsidieerd worden.

Maatschappelijk belang?

Dit brengt ons bij het volgende argument: het maatschappelijk belang van levensbeschouwingen. Hoewel levensbeschouwingen zeker een positieve bijdrage kunnen leveren (en hebben geleverd) aan mens en maatschappij, kan ook het tegendeel beweerd worden. Geen enkele levensbeschouwing gaat immers vrijuit wanneer het gaat over intolerantie, fundamentalisme, vervolging en onderdrukking. Bovendien blijken levensbeschouwingen niet voor iedereen (even) waardevol te zijn. Ook het tweede argument volstaat daarom niet.

Daarnaast verdient ook het argument van de staatscontrole de nodige nuance. Denk maar aan de vele niet-erkende geloofsgemeenschappen (op dit moment springen vooral moskeeën in het oog) die aan zo goed als elke vorm van overheidscontrole ontsnappen en hierdoor een makkelijke voedingsbodem voor extremisme kunnen zijn. En zelfs als een geloofsgemeenschap erkend is, blijkt overheidscontrole niet evident. Zo vertrok er vorig jaar nog een Antwerpse imam, die onder meer actief was in een door de overheid erkende moskee, naar Syrië om er als jihadist te strijden.

Tot slot roept ook het argument van de godsdienstvrijheid vragen op. Deze vrijheid kan immers ook zonder directe overheidssteun gegarandeerd worden. Volgens sommigen is zo een hands-off beleid, zoals bijvoorbeeld in de VS en sinds 1983 ook in Nederland, trouwens veel 'gezonder' voor kerk en staat omdat het de vrije beleving van godsdienst (zonder enige staatsinmenging) vergemakkelijkt en religie meer vanuit de basis wordt beleefd.

'De financiering van levensbeschouwingen moet daarom, net zoals de financiering van bijvoorbeeld kunst, sport en recreatie, steeds het resultaat zijn van een democratisch debat en daaraan gekoppelde democratische besluitvorming.'

Dit alles betekent echter niet dat overheidssteun voor levensbeschouwingen verboden zou zijn. Meer zelfs, met het oog op de reële vrijheid en zelfontplooiing van burgers, is overheidssteun voor levensbeschouwingen in bepaalde contexten toegelaten: met name wanneer een hands-off beleid onvoldoende in staat is om alle burgers gelijke kansen te geven om de eigen levensbeschouwing te beleven. Met het oog op deze individuele (godsdienst)vrijheid moet het echter steeds aan burgers, en niet aan de overheid, toekomen om te beslissen of steun voor een bepaalde levensbeschouwing gewenst is. De financiering van levensbeschouwingen moet daarom, net zoals de financiering van bijvoorbeeld kunst, sport en recreatie, steeds het resultaat zijn van een democratisch debat en daaraan gekoppelde democratische besluitvorming. Uit onderzoek hieromtrent blijkt alvast dat slechts een kleine minderheid (13 procent) achter het huidige beleid staat, terwijl zo'n 25 procent van de ondervraagden elke vorm van overheidsfinanciering voor levensbeschouwingen afwijst.

Neutraliteit van de overheid

Een overheid die grondwettelijk vastlegt dat levensbeschouwingen ondersteuning moeten krijgen is, net zoals een overheid die grondwettelijk zou vastleggen dat kunst, sport en/of recreatie gesubsidieerd moet(en) worden, niet neutraal. Ze gaat er niet enkel verkeerdelijk vanuit dat overheidssteun altijd noodzakelijk is om de vrijheid van godsdienst te garanderen; ze lijkt er daarnaast ook vanuit te gaan dat levensbeschouwingen voor iedereen belangrijk of waardevol zijn, maar dat is een foutieve en niet-neutrale veronderstelling. Er is bijgevolg geen enkele reden om overheidssteun voor levensbeschouwingen op voorhand (in een grondwet) vast te leggen of te verbieden.

Het is bijzonder jammer dat er in het voorstel van Resolutie van Patrick Dewael, maar ook in de hoorzittingen die daarop volgden, nauwelijks aandacht was voor deze thematiek. Als we de godsdienstvrijheid en de daarmee samenhangende overheidsneutraliteit ernstig nemen, is een grondige reflectie op de financiering van levensbeschouwingen nochtans nodig en moeten we durven inzien dat een grondwetswijziging in België zich vroeg of laat opdringt. Enkel dan kunnen we spreken van een ware democratie waarin kerk en staat gescheiden zijn.