Voor Neil MacGregor (72) is het British Museum een onuitputtelijke bibliotheek met alle verhalen van de hele wereld. In de voorbije tien jaar bracht hij het museum naar buiten, naar de luisteraar en vervolgens naar de lezer. Keer op keer leidt een meesterlijke radioserie naar een expo, die dan uitmondt in een boek. Zo ging het met Een geschiedenis van de wereld in 100 objecten (2010), Shakespeares rusteloze wereld (2012) en Duitsland, biografie van een natie (2014) en zo gaat het nu met Leven met goden, zijn jongste project, waarvan nu de Nederlandse vertaling uit is.
...

Voor Neil MacGregor (72) is het British Museum een onuitputtelijke bibliotheek met alle verhalen van de hele wereld. In de voorbije tien jaar bracht hij het museum naar buiten, naar de luisteraar en vervolgens naar de lezer. Keer op keer leidt een meesterlijke radioserie naar een expo, die dan uitmondt in een boek. Zo ging het met Een geschiedenis van de wereld in 100 objecten (2010), Shakespeares rusteloze wereld (2012) en Duitsland, biografie van een natie (2014) en zo gaat het nu met Leven met goden, zijn jongste project, waarvan nu de Nederlandse vertaling uit is. Bij MacGregor staan objecten centraal, en daarbij hanteert hij geen enkele vorm van hiërarchie. Albrecht Dürers Rhinocerus schurkt aan tegen de VW Kever. En Leven met Goden? Daarin houdt hij geen pleidooi voor religie, en een godsdienstgeschiedenis is het ook al niet. MacGregor onderzoekt wat een gedeeld geloof kan betekenen, welke rituelen zorgen voor de handhaving ervan. Hij stelt vragen als: hoe bepaalt geloof de relatie tussen individu en staat, en welke cruciale bijdragen heeft dat geloof geleverd aan wat wij zijn? De gepensioneerde museumdirecteur komt evengoed uit bij Vestaalse maagden en protestantse psalmen als bij haarvlechtrituelen in Vanuatu, Peruviaanse mummies die belangrijke familiebijeenkomsten bijwonen of de Franse verkettering van de boerkini in 2016. Uw eerste grote succes was Een geschiedenis van de wereld in 100 objecten. Van dat boek werden meer dan een kwart miljoen exemplaren verkocht. Hoe kwam u op het idee? Neil MacGregor: Toen ik in 2002 als museumdirecteur overstapte van de National Gallery naar het British Museum stelde ik vast hoe weinig ik wist over de geschiedenis van de rest van de wereld. Mijn kenniswereld was die van de Romeinen en de Grieken, de Bijbelse en de klassieke wereld, aangevuld met de Perzen omdat ze in ons verhaal opduiken. In West-Europa leren we alleen over de geschiedenis van andere continenten in de context van onze eigen ontmoeting met hen. De absurditeit van die westerse aanpak van geschiedenis overvalt je als je het British Museum binnenstapt. De enige manier waarop ik de wereldgeschiedenis kon beginnen te begrijpen, was door voorwerpen. Als je vertrekt vanuit de individuele objecten, reduceer je het eurocentrisme. Het is niet toevallig dat het British Museum in 1753 werd gesticht om wereldburgers te creëren. Het gaat 'm niet om het tonen van kunst, maar om inzicht in de werking van samenlevingen - en kunst is daarbij een instrument. Vergelijkende politieke antropologie, dát is het doel van de collectie. Dat is nu opnieuw erg belangrijk voor de toekomst van Europa. Waarom komt u nu met een boek over religie? MacGregor: Omdat religie opnieuw politiek centraal staat. Vijftig jaar geleden kon niemand vermoeden dat dit zou gebeuren, men dacht dat wetenschap en materialisme voorgoed primeerden en dat we evolueerden naar een wereld waarin religie een louter private zaak was. Toch mag de huidige evolutie ons niet verwonderen. Politiek en religie zijn twee verschillende manieren om dezelfde vragen te beantwoorden: wie zijn we, waaruit bestaat de gemeenschap, waar willen we heen? Als het politieke narratief teleurstelt omdat het individu zich niet meer herkent in de staat, omdat die staat geïmplodeerd is of wordt gecontroleerd door externe militaire of economische krachten, grijpen mensen terug naar religie. West-Europa staat vijandig tegenover religie, dat stamt uit de verlichting. Toen werd geloof gereduceerd tot twee dingen: een instrument van onderdrukking, en een theologie die niet rationeel verdedigbaar was - met verhalen over onbevlekte ontvangenis, bijvoorbeeld. Wat de verlichtingsdenkers niet begrepen, was dat religie inspeelt op een dwingende behoefte die we allemaal hebben, een behoefte aan verhalen die ordening aanbrengen in onze herinneringen en verlangens en die vorm en betekenis geven aan onze individuele en collectieve levens. Religieuze systemen vertellen mensen hoe zij en de rest van de schepping ontstonden, hoe ze zich tegenover elkaar moeten gedragen, en ze richten zich ook op de toekomst. Ze brengen de levenden, de doden en de mensen die nog niet geboren zijn bijeen tot één eeuwig doorlopend verhaal, dat iedereen omvat. Aan het begin van de twintigste eeuw betoogde de Franse socioloog Emile Durkheim dat religie de sacralisering is van de meest waardevolle waarden in een maatschappij, en dat die nodig is om een gemeenschap te kunnen vormen en handhaven. Als we die kwijtraken of vergeten, bestaan we als collectief niet meer. Daar ligt de centrale boodschap van mijn boek. Is Durkheims theorie mondiaal toepasbaar? MacGregor: Ik geloof het wel. Kijk naar het zoroastrisme van de Parsi in India: het vuur dat ze aanbidden, is samengesteld uit lampjes afkomstig uit alle geledingen van de samenleving. Alleen daarin is de oppergod Ahura Mazda aanwezig. Precies hetzelfde fenomeen zie je bij de kleisculptuur van de godin Durga in Bengalen. De aarde voor het beeld, dat jaarlijks wordt vervaardigd en vervolgens in de rivier wordt gegooid, wordt samengebracht met hoopjes van alle delen van de gemeenschap. De godin zal het pas bewonen als iedereen vertegenwoordigd is. Je creëert dus een ideaal en vereert het, wetend dat het voor de rest van het jaar wordt vergeten, maar het ideaal blijft. In zeker opzicht is dat ook wat we in Europa even zien met Kerstmis. We herinneren ons dat we moeten geven en ervoor moeten zorgen dat iedereen iets krijgt. Vervolgens verdampt dat idee, net zoals Durga verdwijnt in de rivier. Religie, het gedeelde verhaal, kan richting, steun en geborgenheid geven Maar de keerzijde is dat het benauwend kan zijn. MacGregor: Zeker. Vooral wij, westerlingen, hebben dat gevoel omdat wij de vervulling van het individu sinds de negentiende eeuw centraal hebben gesteld. Dat is een historische nieuwigheid. In het grootste deel van de geschiedenis lag de vervulling van het individu in de groep. Er is altijd een spanning geweest tussen individu en gemeenschap, maar we zijn opgeschoven naar het uiteinde van het spectrum: we zien de samenleving als een beperking. U schrijft dat westerse jongeren het nu zonder initiatie door ouderen moeten doen, en dat ze daardoor de volwassenheid binnenstrompelen. Ze moeten alleen hun eigen verhaal bedenken, terwijl ze daar misschien niet voor gewapend zijn. MacGregor: Door de snelle technologische evolutie zijn we voor het eerst op een punt beland waarop de ouderen niet meer wijzer zijn, ze hebben geen antwoorden. Jongeren worden nu door andere jongeren geïnitieerd, wat voor grote problemen zorgt. Dit model kan maar standhouden zolang het politiek-economische raamwerk dat toelaat. Zodra er moeilijke tijden en calamiteiten aanbreken, wordt dat onhoudbaar. Dan ligt de enige overlevingskans in het gedeelde verhaal, in de gemeenschap. En momenteel is dat er niet. De communistische droom is ingestort, de welvaartsstaat hapert, het nationalisme ligt op de loer. Valt er geen nieuw narratief te ontwikkelen, gebaseerd op de universaliteit van de mensenrechten? MacGregor: Dat zou in theorie kunnen, maar eerst en vooral komen rechten niet zonder verplichtingen. Mensenrechten zouden economische rechten moeten omhelzen, en dat betekent economische verplichtingen. Heeft iemand al eens uitgelegd wat dat zou betekenen voor de rijke landen? De verwezenlijking daarvan ligt politiek moeilijk. Bovendien kan een verhaal alleen een effectieve basis worden van het leven van de mens en de gemeenschap als het geritualiseerd is en als het beschikt over een overtuigende, grote leraar. Die ik nu niet zie. In dat opzicht kan de islam ons iets heel belangrijks leren: die heeft een supranationale gemeenschap, één taal waarin de doctrine is uitgewerkt, en een set van krachtige rituelen. Het christendom, daarentegen, kan geen model bieden: zodra het Latijn werd opgegeven, evolueerde die religie in nationale en zelfs lokale zin. Voorts is de notie van de aalmoes - de zakat in de islam - uit het christendom verdwenen. Het offer van het individu voor het welbevinden van de groep werd getransfereerd naar de staat. We betalen wel belastingen. MacGregor: Klopt. Maar als de staat in crisis gaat verkeren, kom je wel in de penarie. Over twee maanden gaat in Tervuren het Midden-Afrikamuseum weer open, en samen daarmee komt ook het debat over roofkunst en teruggave weer op gang. De Franse president Emmanuel Macron stelde voor om de Afrikaanse schatten naar huis te laten terugkeren. Wat vindt u daarvan? MacGregor: De eerste vraag die je je moet stellen is of het belangrijk is om naar alle culturen van de wereld samen te kunnen kijken. Geloof je dat er zoiets bestaat als 'werelderfgoed', ons aller collectieve eigendom? Dat is een filosofische vraag. De verlichting heeft daar resoluut positief op geantwoord. Op basis daarvan werden collecties opgebouwd, met als doel de menselijke beschaving te begrijpen. Daarnaast is er de negentiende-eeuwse visie: het idee dat de natiestaat of de eigen etnie centraal staat, en dat wat ze vervaardigen een uitdrukking is van hun identiteit en daarom het onvervreemdbare eigendom blijft van hun erfgenamen. Beide stellingen kunnen evengoed worden verdedigd als gecontesteerd, maar persoonlijk neig ik toch naar de eerste. In de negentiende-eeuwse visie zit een gevaar verscholen dat gelijkloopt met dat van het nationalisme. Er zíjn natuurlijk gevallen van groot historisch onrecht, collecties die louter via plundering en dus militaire superioriteit zijn verkregen. Soms kan restitutie dan een vorm van genoegdoening zijn. Maar lang niet alle objecten zijn zo verkregen. Je moet het per groep en achtergrond bekijken, objecten hebben om tal van redenen hun weg naar Europa gevonden. Ze werden vaak vrijwillig uitgewisseld en verhandeld. Of het ging om objecten die normaal zouden worden afgedankt en opnieuw worden gemaakt. De Europeanen hebben veel van die rituele afdankertjes meegebracht. Een ander punt is hoever je wilt teruggaan voor restitutie. Die vraag is makkelijk te beantwoorden als het gaat om de roofkunst van de nazi's. Maar moeten de Italiaanse musea de Egyptische artefacten teruggeven die de Romeinen meebrachten van hun plundertochten? En neem Frankrijk: de kunstwerken die Napoleon stal, zoals Veronese's Bruiloft van Kanaän, die nog altijd in het Louvre hangt. Parijs beloofde die met het verdrag van 1815 terug te geven. Dwing je Frankrijk om dat nu te doen, of zeg je dat twee eeuwen te lang geleden is? We zullen het toch over de 'Elgin Marbles' moeten hebben, de marmeren ornamenten van het Atheense Parthenon die zich sinds 1816 in het British Museum bevinden. MacGregor: Daar speelt de problematische notie van 'rechtmatige erfgenaam'. De connectie tussen de huidige Grieken en de toenmalige inwoners van Athene, meer dan 2000 jaar geleden, is volstrekt niet eenduidig. De Benin-bronzen (een grote collectie bronzen en messing beelden uit het koninkrijk Benin in het huidige Nigeria, die bij een Britse strafexpeditie in 1897 uit het paleis werden gestolen en waarvan er zich zo'n 200 in het British Museum bevinden, nvdr) zijn een heel ander verhaal. Er is in Benin nog steeds een Oba, een koning, met wie het British Museum ook nauwe contacten onderhoudt. Het opvallende aan de vraag om teruggave is dat ze altijd van Europeanen komt, of van individuele Afrikanen, zelden van regeringen. Voor de meeste Afrikaanse musea en regeringen is de belangrijkste kwestie niet restitutie. In de meeste gevallen beschikken ze over veel sublieme artefacten van hun cultuur. Wat musea en overheden echt willen, is nauwe samenwerking. Wat moeten we ons daar precies bij voorstellen? MacGregor: Voor mij gaat het erom dat het British Museum een vrij consulteerbare bibliotheek moet zijn voor musea in de wereld. De objecten moeten reizen. Een goed voorbeeld van geslaagde samenwerking was India and the world, a history in nine stories, een expo die tussen november en februari plaatsvond in Mumbai. De Indiase musea leverden het Indiase materiaal, het British Museum leende de objecten uit de rest van de wereld. Zo kon een bekend Indiaas verhaal in een wereldwijde context worden geplaatst. Daar gaat het om, daar is een mondiale behoefte aan. China is de grootste investeerder in Nigeria, maar er is geen enkele plek in dat land waar mensen China kunnen leren begrijpen. Chinese bronzen zijn er nog nooit tentoon gesteld. En omgekeerd hebben Chinese museumbezoekers nog nooit Egyptische collecties of schatten van de Azteken gezien. Dat moet veranderen. Dat moeten Europese musea faciliteren, met uitleenprogramma's en curatorenwerking.