Elke week vraagt Knack aan ondernemende Belgen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

Dolores Bouckaert is met de taxi naar het Museum voor Schone Kunsten in Gent gekomen, waar we al wandelend willen praten, in de warmte van de museumzalen en omgeven door de schoonheid van de schilderijen. 'Door mijn lage weerstand is de kou echt een boosdoener', zei de beeldend kunstenares en actrice op voorhand. 'Ze kan mijn lichaam in korte tijd overnemen.' Op de trappen naar de ingang van het museum vertelt Bouckaert dat de taxichauffeur bij aankomst uit het niets over zijn vreemde rit van gisteren begon, toen hij een koelbox met donororganen van het ene ziekenhuis naar het andere moest vervoeren. 'Dat is wel wat anders dan mijn vorige job, als friturist', had de man gelachen. Bouckaert twijfelde, maar uiteindelijk vertrouwde ze hem niet toe dat ze drie jaar geleden zelf een orgaantransplantatie ondergaan heeft, een dubbele zelfs. Ze zweeg ook over de diabetesdiagnose die ze op haar twaalfde kreeg, het jarenlange gebrek aan zelfzorg en de verregaande gevolgen van die verwaarlozing, haar slechte zicht, haar benen zonder gevoel, de verwarring in haar hoofd. 'Ik vond het moment te mooi om het naar me toe te trekken', zegt ze. In mei 2018 kreeg Bouckaert een nieuwe nier en alvleesklier. Dat die operatie een nieuw hoofdstuk van haar leven inluidde, blijkt bij het binnengaan van het museum al snel. 'Ik was vandaag vroeg wakker', zegt ze. 'In mijn gedachten heb ik al de hele ochtend met jou gepraat.' We houden even halt op de mozaïekvloer in de zuilengalerij. Het lawaai van de voorbijkomende bussen en vrachtauto's echoot om ons heen. 'Als er nu één thema is dat mijn leven beheerst, is het wel lichaam en geest', zei u van tevoren. Dolores Bouckaert: Ik merk dat door corona veel mensen plots bezig zijn met de fragiliteit van hun lichaam. Voor mij is dat niet nieuw. Mijn lichamelijke conditie heeft altijd al mijn identiteit bepaald, en in mijn werk is het lichaam tegelijk mijn onderzoeksobject en mijn instrument. Ik vind het vanzelfsprekend om ermee in gesprek te gaan. De laatste dagen heb ik daar veel over gepraat met een goede vriend die onlangs te horen heeft gekregen dat hij doodziek is. Hij heeft dringend een nieuwe lever nodig. Daardoor moest ik automatisch terugdenken aan mijn eigen transplantatie, en hoe raar die verlopen is. Ik stond pas als vijftiende op de lijst, maar omdat er ineens een donor was met wie ik een uitzonderlijk hoge match had, kon ik meteen geopereerd worden. Ik moest direct naar het ziekenhuis komen, er was geen tijd te verliezen. Achteraf bekeken heb ik daar wellicht een soort trauma aan overgehouden, omdat ik totaal niet voorbereid was. Ik was gechoqueerd, ook tegenover de donor, nog een jonge gast. Ik krijg dit hier nu, op mijn eenenveertigste, dacht ik, terwijl zijn leven nog moest beginnen. Hoe zal ik daarmee voortleven? Hoe moet ik omgaan met mijn nieuwe conditie, die letterlijke herschikking van mijn lichaam? Het kost me veel tijd om daar rust in te vinden. U hebt die rust nog niet gevonden? Bouckaert: Ik ben er eerlijk gezegd nog altijd naar op zoek. Vooral wanneer ik nadenk over het werk dat ik straks, na corona, wil maken. Ik ben op zoek naar een nieuw moreel kompas. Vroeger ging ik telkens wild tekeer in het vinden van budgetten of de keuze van mijn kostuums. Het moest altijd meer, altijd groter zijn. Nu wil ik op zoek gaan naar verbinding met het publiek, wat mijn eigen positie wankeler maakt. Het blijft dus een evenwichtsoefening, die aanvaarding. Maar u voelt een grote verantwoordelijkheid ten opzichte van uw donor? Bouckaert: Gedaan met onnozel doen, Dolly, heb ik mezelf na de operatie ingeprent. Nu ga je lief zijn voor jezelf, je zult gezond leven en als je ooit nog op een podium gaat staan, moet je werk echt belang hebben. Voor mijn operatie dacht ik dat ook wel, maar het is toch een pak serieuzer geworden. Ik vraag me ook steeds vaker af of mijn nieuwe lichaam nog wel gezien wil worden. Vroeger deed ik niets liever dan poseren voor een fotograaf of op een filmset staan, omringd door camera's. Ik werd ernaartoe gezogen, alsof ik wilde dat mijn lichaam telkens bekeken werd, gescand, onderzocht, omdat ik in de pose nooit beperkt was. Dat is helemaal veranderd. Ik zie mijn lichaam nu vooral als een rijkdom en een tool om bijzondere dingen te maken, maar tegelijk ben ik allang blij wanneer ik op een dag drie uur gefocust kan werken. Mijn lichaam is een conditie die ik zowel omarm als vervloek. 'Ergens heb ik een splitsing gemaakt tussen mijn "goede" en mijn "slechte" lichaam', hebt u ooit gezegd. 'Door een soort goocheltruc kon ik op het juiste moment het goede lichaam bovenhalen.' Bouckaert: Op scène ben ik nooit ziek geweest. Maar zodra ik van het podium stapte, zakte ik als een pudding ineen. Als mijn geest maar hard genoeg wil, gaat mijn lichaam wel mee, dacht ik. Ondertussen weet ik dat er nauwelijks een onderscheid te maken valt tussen lichaam en geest, en dat het evengoed omgekeerd werkt. Als je, zoals ik nu, regelmatig in het ziekenhuis ligt, wordt je geest op den duur ook moe. U moet nog regelmatig naar het ziekenhuis? Bouckaert: Dat is een van de gevolgen van de transplantatie: ik heb veel last van infecties. Bijna altijd aan de urinewegen, omdat mijn nieuwe nier en pancreas aan de voorkant zijn ingeplant, vlak bij mijn blaas. Ondertussen ben ik zo vertrouwd met die opnames dat ik naar de spoedafdeling rijd zoals naar een frietkraam. Het is bijna pervers om te zeggen, zeker in deze tijden, maar ik ben graag in het ziekenhuis. De menu's, de kostuums van de verpleegsters, hun vertrouwde stemmen, de geur van soep en pudding, het feit dat zij voor mij zorgen en ik niets moet doen: dat geeft me allemaal veel rust. Het leven is voor u een schouwspel? Bouckaert: Alles is theater voor mij. Als kind had ik ook al zo'n hoofd. Alles was mogelijk voor mij, ik was een extreme fantast. Ik tekende iets en baf, ik zat onmiddellijk helemaal in die tekening. Mijn fantasie was eindeloos, wellicht omdat ik enig kind was en geregeld ziek in bed lag. En natuurlijk omdat mijn moeder een kunstenares is en ik thuis omringd werd door boeken, schilderijen, muziek en dieren. Ik herinner me vooral het werk van de Britse fotograaf Eadweard Muybridge, die er op het einde van de negentiende eeuw in slaagde te bewijzen dat een paard in galop helemaal loskomt van de grond. De beweging die in zijn foto's te zien was, fascineerde me enorm. Ik was zelf ook heel actief, ik moest altijd bewegen, dansen, springen, de grenzen van mijn lichaam opzoeken. Ik was streng voor mijn lichaam, het moest presteren. Als we gingen zwemmen in de Leie, zwom ik geen halfuur maar tot ik niet meer kon. En de paarden waarmee ik reed, dreef ik tot het uiterste. In alles wat ik deed wilde ik uitblinken. Nu nog? Probeert u nu ook zo goed mogelijk 'ziek' te zijn? Bouckaert: Misschien wel, ja. In het ziekenhuis krijg ik soms te horen dat ik 'de perfecte patiënt' ben, wat dat ook mag betekenen. Ik entertain er iedereen, ik praat met mijn dokters over film en kunst, ik maak er bijna een performance van. Vooral om hun een goed moment te geven. Maar om daarvan bij te komen, moet ik telkens als ik uit het ziekenhuis kom wel een paar dagen slapen. (zwijgt even) Ergens diep in mij zit het idee dat ik altijd en overal voorbeeldig moet zijn, dat ik goed moet doen voor de mensen rond mij. Ik ben en blijf een pauw die graag zijn staart opzet. 'Kijk naar mij, want ondanks alles ben ik goed': dat gevoel heb ik hard. U hebt uzelf anders lang verwaarloosd. Bouckaert: Ik wilde toen geen hulp, ik liet me door niemand helpen. Maar ik kón ook bij niemand terecht. Had ik in die periode, van mijn vijftiende tot mijn drieëntwintigste ongeveer, iemand gehad bij wie ik echt compleet eerlijk had kunnen zijn, dan was ik gegarandeerd veel minder hard voor mezelf geweest. Soms spoot ik een week geen insuline in en werd mijn bloed zo dik als siroop, dan was ik helemaal verdoofd. Heel gevaarlijk, maar mijn lichaam was een tegenstander geworden die ik per se wilde overwinnen. U wilde uw eigen kwetsbaarheid uitdagen? Bouckaert: Die kwetsbaarheid is er nu eenmaal, bij iedereen, je hoeft ze niet uit te dagen. Maar ze inzetten en omarmen is veel complexer dan ze te negeren, weet ik nu. En ik wil die fragiliteit ook helemaal niet verheerlijken, want het kan ook serieus klote zijn. Is het kunnen omgaan met onze kwetsbaarheid de kern van ons bestaan? Bouckaert: Ik denk het wel. Veel mensen streven een materialistisch soort van geluk na, heb ik het idee, terwijl ik liever pleit om ons menselijke falen te aanvaarden. Waarbij kwetsbaarheid voor mij ook de taxichauffeur van daarnet is, die vroeger een frietkraam had en nu zomaar aan een wildvreemde vrouw vertelt dat hij met organen rondrijdt. Het is een soort van oprechtheid, een eerlijkheid ondanks alles. Die heb ik lange tijd niet kunnen opbrengen. Ik heb lang gelogen, vooral tegen mezelf, maar ook tegen mijn toenmalige lief, met wie ik twintig jaar samen ben geweest. Ik heb te vaak niet willen tonen dat ik ziek was. Ik ging thuis uitzieken, zodat ik sterk kon zijn wanneer ik bij hem was. Toen u drieëntwintig was, is uw vader gestorven. In dezelfde periode begon u uw zicht te verliezen. Is toen de kentering ingezet? Bouckaert: In die periode begon ik voor het eerst te beseffen dat ik mijn leven dringend moest omgooien. Ik wilde niet dat mijn moeder na haar man ook haar enige kind zou verliezen. Ik zag in dat ik goed moest zijn voor mezelf, vooral voor de mensen die me graag zagen. En ik wilde niet dood. Ik wilde een goed leven en dus ben ik beter voor mezelf gaan zorgen. Voor sommige zaken was het te laat: mijn zicht is niet meer hersteld, en na een halfuur paardrijden heb ik een week spierpijn. Daarom ben ik zo jaloers op ballerina's of hoogspringers, die stralen nog zo'n gewichtloosheid uit. Maar desondanks blijft u dromen? Bouckaert: In mijn hoofd zie ik mezelf al op de rug van een paard de hele wereld rondrijden. Ik ben er zeker van dat ik die droom ooit zal waarmaken. In die zin ben ik nog altijd een naïeve fantast. Ik weiger om alleen maar de negatieve kanten van mijn conditie te zien. Doordat mijn zicht bijvoorbeeld zo slecht is, maak ik nu zo veel foto's. Alles wat ik scherp wil zien, of het nu een vogel is die voorbijvliegt of iemand met wie ik praat, fotografeer ik met een wegwerpcamera. Die foto's laat ik op groot formaat afdrukken. Mijn hele atelier hangt vol, al mijn geld gaat eraan op. Die artistieke focus zou ik zonder mijn conditie wellicht nooit hebben gehad. Volgend academiejaar ga ik bovendien opnieuw studeren. Ik wil me inschrijven voor een opleiding in de filosofie. Het werk van de Amerikaanse moraalfilosofe Martha Nussbaum heeft me bij die beslissing geïnspireerd. De aflevering met haar in Van de schoonheid en de troost, het legendarische programma van de Nederlandse tv-maker Wim Kayzer, bekijk ik nog geregeld opnieuw. Ik ben telkens weer ontroerd door haar vertelling over haar vader, die haar droeg in de branding van de zee, en haar moeder, die een alcoholiste was en niet voor haar dochter kon zorgen. 'Waarom doen mensen wat ze doen? Waarom is de ene goed en de andere slecht?' Blijkbaar wist zij al heel vroeg, op haar twaalfde zegt ze zelf, dat dat de vragen zouden worden die haar leven zouden bepalen. Hebt u zelf ook zo'n vraag waar alles om draait? Bouckaert: 'Wie ben ik eigenlijk?' Die vraag stel ik me almaar vaker. Mijn overgrootvader heeft ooit een moord gepleegd: heb ik dat ook in me? Mijn moeder is kunstenares: hoe komt het dat ik ook dat pad aan het bewandelen ben? Wie ben ik in de kern en hoe dicht zit ik nog bij die kern? Komt u met de jaren dichter bij een antwoord? Bouckaert: Ik voel me meer en meer opnieuw zoals ik als kind was. En dat impliceert dat ik vaak alleen wil zijn, dat ik rust nodig heb en dieren om me heen. Mijn hond en mijn paard, die heb ik echt nodig. Ga met me wandelen met mijn paard en ik zal mijn mond amper opendoen. Dan pas zou je de zuiverste vorm van mezelf zien, in de nabijheid van hét lichaam. (zwijgt even) Mijn lief zegt soms: 'Stop eens met mij zo naakt te fotograferen en te tekenen.' Maar ik kan alleen maar lichamen tekenen, van een mens of van een paard. Het is een obsessie, iets anders krijg ik niet uit mijn hand. Op de muur van mijn atelier teken ik ook de hele tijd dezelfde lijnen: contouren van een paard en een mens, die steeds meer in elkaar overvloeien. Uw ultieme droom? Bouckaert: Ja! En dat is ook waarom ik vrijen zo'n fenomenale uitvinding vind, want daarin is versmelting mogelijk. Het is een manier om je eigen lichaam te overstijgen, om de kracht en de warmte van de ander over te nemen. Die ademhaling, die temperatuur, die buik die op en neer gaat: zo heerlijk, net als bij paardrijden, waarbij mijn lichaam als het ware verdwijnt in dat andere lichaam. (zwijgt, kijkt rond, we staan nog altijd voor de ingang van het museum, op de mozaïekvloer van de zuilengalerij) Ik heb eigenlijk meer zin in een koffie, ondertussen. Wat denk je? Zullen we?