Mihai* hoorde het tragische nieuws pas een halve week later. Niet op tv of radio, maar via een vriend die belde. Hij vertelde dat een van de vijf dodelijke slachtoffers van de bouwramp in Antwerpen opgroeide in een naburig dorp. De neef van de broer van een kennis, ze moeten ooit samen op school hebben gezeten. In hun jeugd, toen er nog gedroomd werd van geld, avontuur, een villa in het dorp. Het lijkt een eeuwigheid geleden. Mihai is nog maar 36, maar na 18 jaar labeuren op Belgische werven voelt zijn lijf versleten. Knieschijf dit, onderste rugwervels dat - om nog maar te zwijgen van de permanent overbelaste spieren.
...

Mihai* hoorde het tragische nieuws pas een halve week later. Niet op tv of radio, maar via een vriend die belde. Hij vertelde dat een van de vijf dodelijke slachtoffers van de bouwramp in Antwerpen opgroeide in een naburig dorp. De neef van de broer van een kennis, ze moeten ooit samen op school hebben gezeten. In hun jeugd, toen er nog gedroomd werd van geld, avontuur, een villa in het dorp. Het lijkt een eeuwigheid geleden. Mihai is nog maar 36, maar na 18 jaar labeuren op Belgische werven voelt zijn lijf versleten. Knieschijf dit, onderste rugwervels dat - om nog maar te zwijgen van de permanent overbelaste spieren. Zijn dagen beginnen om vijf uur 's ochtends, het werk zit er pas na zevenen op. Dan maakt Mihai in zijn piepkleine flat een simpele hap klaar en belt hij via WhatsApp naar huis, om te horen hoe het gaat met de drie kinderen die hij alweer maanden moet missen. 'Ik hoef die vijf overleden arbeiders niet te hebben gekend om te weten hoe hun bestaan eruitzag', zegt hij. 'Werken, werken, werken. En elke maand een rekensommetje maken. Als ik dit bedrag kan sparen, is een permanente terugkeer misschien al voor volgend jaar of zeker het jaar daarop. Dán kan het echte leven beginnen. Of dat hoop je maar.' Mihais verhaal verschilt nauwelijks van dat van zijn familieleden of dorpsgenoten. Hij is opgevoed door een ma en een oma, terwijl vader in Israël op de werven werkte. Elke zomer arriveerde de man met zijn armen vol cadeaus, maar van een hechte band was nooit sprake. Als hij van zijn vader één ding leerde, dan was het dat de toekomst elders lag. Toen hij achttien werd, wilde Mihai naar Groot-Brittannië verkassen, maar na vijf mislukte pogingen om illegaal het kanaal over te steken gaf hij die droom op. Hij herinnert zich de mengeling van boosheid en opluchting, toen de politie van Zeebrugge hem die laatste keer in het onderstel van een vrachtwagen ontdekte. 'Het Molenbeek waar ik de daaropvolgende maanden labeurend doorbracht, viel me erg zwaar. Tien uur per dag muren slopen, tegen drie euro per uur - in opdracht van een Marokkaanse aannemer die voortdurend dreigde mij op straat te zetten.' Anno 2021 is Mihais verhaal er een van opmerkelijke sociale mobiliteit. Hij spreekt goed Frans en heeft een eenmansbedrijf. Op vrije zondagmiddagen gaat hij vissen, met Kerst en Pasen neemt hij twee weken vrij en in de zomer gaat hij voor minstens een maand naar huis. 'Ik zou de familie kunnen laten overkomen - mijn vrouw wil dat wel. Maar dan zijn we veroordeeld om hier eeuwig te blijven en worden mijn zonen en dochter Belgen. Dat wil ik niet - van dit land zal ik nooit houden.' De vijf bouwvakkers die op 18 juni in Antwerpen-Zuid bedolven raakten onder het puin van een school in aanbouw, waren van Portugese en Moldavische origine. Nicolae Ivanov en Mihail Balan kwamen uit dezelfde regio in Moldavië als Mihai, terwijl Carlos Quiterio, Antonio Rosario, Cristiano Santos uit Benedita kwamen, een dorp 100 kilometer ten noorden van Lissabon. Ze horen bij de 80.000 mensen die als gedetacheerden werken op Belgische bouwplaatsen. Detachering is de tijdelijke tewerkstelling van buitenlandse werknemers in België door buitenlandse bedrijven. Dat is fiscaal voordelig, omdat de sociale lasten in het land van herkomst betaald worden. Op die manier wordt het uurloon 4 tot 6 euro goedkoper. 'Zonder gedetacheerden zou de bouwsector stilvallen', stelt onderzoeker Dries Lens van het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit Antwerpen. 'Dat geldt evengoed voor de transportsector en de vleesindustrie. Belgische jongeren zien daarin geen toekomstkansen.' In 2019 zijn 85 procent van de gedetacheerden EU-burgers, 11 procent zijn zogenaamde 'derdelanders': mensen uit grensregio's zoals Oekraïne, Servië of Moldavië, of uit landen waarmee een historische of culturele band bestaat, zoals de Brazilianen die voor Portugese bedrijven werken. Lens: 'Landen als Polen, Slovenië en Portugal zijn de voorbije jaren toegangspoort én tussenstation geworden voor laag- en middengeschoolden van buiten de EU. Die mensen maken normaliter geen kans om via klassieke arbeidsmigratie een job te vinden in West-Europa. Ons land hanteert vrij soepele regels om hooggeschoolde werknemers van buiten de EU aan te trekken, maar houdt de deur zo goed als gesloten voor al de rest.' Hoewel intra-Europese arbeidsmigratie vaak in verband wordt gebracht met het verdrag van Maastricht - dat sinds 1992 een vrij verkeer van personen, diensten en goederen garandeert - is het fenomeen in Portugal veel ouder. Door zijn verleden als zeevarende grootmacht is emigratie er al meer dan 400 jaar een maatschappelijk gegeven, en maakte het verschillende emigratiegolven mee. Tijdens de eerste golf, van de 19e eeuw tot aan de jaren zestig, vertrokken 2 miljoen Portugezen, vooral naar Brazilië en de Verenigde Staten. Tussen de jaren vijftig en de oliecrisis van midden jaren zeventig gingen nog eens 2 miljoen Portugezen hun geluk elders beproeven. Zij zochten vooral in Frankrijk en Duitsland tijdelijk werk. Een andere klassieke bestemming is het Groothertogdom Luxemburg, dat in 1970 een arbeidsakkoord sloot. Bijna 15 procent van de inwoners van de rijke ministaat is tegenwoordig van Portugese of Kaapverdische origine. Ook de derde golf van Portugese migratie dateert van voor het verdrag van Maastricht, stelt socioloog Pedro Góis, die het fenomeen van Portugese EU-migratie aan de Universiteit van Coimbra onderzoekt. 'Eigenlijk is het begonnen toen Berlijn na de Duitse hereniging een grote bouwplaats werd. Portugese bedrijven gingen plots massaal als onderaannemer in Duitsland werken. Vervolgens kwamen ze naar België, Nederland en Frankrijk, voor de aanleg van de TGV-verbinding tussen Parijs en Amsterdam en sindsdien verspreidden ze zich over zowat alle West-Europese landen'. Ook de financiële crisis van 2008 en de gigantische jeugdwerkloosheid die daaruit voortvloeide, zorgden voor een emigratiehausse. 'Het helpt natuurlijk ook niet', zo zegt Paulo* (34), die al 15 jaar in de Belgische bouwsector werkt, 'als je eerste minister vertrekken ziet als een oplossing uit de malaise.' Hij doelt op de voormalige conservatieve premier Pedro Passos Coelho, die in december 2011 stelde dat emigratie een oplossing voor de crisis was. Die uitspraak genereerde een fel maatschappelijk debat. 'Onze leiders, te beginnen met de eerste minister, maken zich internationaal belachelijk', zo schreef de krant Público destijds in een commentaarstuk. Paulo trok in 2006 naar zijn vader en ooms in België en ging in dienst bij een bevriende aannemer. 'Ook veel mensen zonder talenkennis of familiebanden zijn vertrokken. Als je niet eeuwig bij je ouders wilde blijven wonen, moest je wel iets ondernemen.' Aanvankelijk combineerde hij zijn werk met avondschool Frans. 'Ik blijf het tegen nieuwkomers herhalen: alleen als je inzicht verwerft in hoe de dingen hier werken, maak je kans op een redelijk leven.' Ondertussen heeft hij als zelfstandige een eigen bouwbedrijf. In zekere zin is het een vorm van sociale bescherming. 'Jobs in de bouw zijn vaak vierdehands', aldus Paulo. 'Aanbestedingen gaan van een Belgische aannemer naar een goedkopere firma, die de klus vervolgens weer overdraagt. Telkens wordt het budget kleiner, en het loon geringer. Na al die jaren sta ik er als zelfstandig ondernemer beter voor. Maar fundamenteel is er weinig veranderd, ik zie nu Afghanen zwoegen voor vijf euro per uur, vooral op kleine bouwplaatsen. Wie geen papieren heeft of de weg niet kent, neemt alles aan. Daar is geen inspectie tegen opgewassen.'