Op 18 April is het 70 jaar geleden dat Paul van Zeeland, toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken, het Verdrag van Parijs ondertekende voor België. Dat verdrag betekende het begin van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), die later opging in de Europese Economische Gemeenschappen, de voorlopers van de hedendaagse Europese Unie.

Robert Schuman stelde de oprichting van de EGKS al voor op 9 mei 1950. Jean Monnet en Schuman, Franse staatsmannen, beoogden de verzoening met Duitsland na de verwoesting van de Tweede Wereldoorlog. Voor België had deze geopolitieke zet verregaande gevolgen; de productie van steenkool werd namelijk gereglementeerd. Geld van de EGKS ging naar industrieel beleid en omscholing. In Vlaanderen kreeg Limburg, waar steenkool was, veel steun.

70 jaar verdrag van Parijs: vandaag is het beter om assertiever te zijn dan neutraal.

Zelf kreeg ik ook ooit wat EGKS-geld, indirect dan. Mijn eerste job als onderzoeker aan de KU Leuven, begin jaren 1990, bestond uit een evaluatie van het reconversiebeleid in Limburg na de sluiting van de Kempense Steenkoolmijnen door de regering van Wilfried Martens. De Europese Commissie kwam daarvoor niet enkel met geld over de brug. Het sloot in naam van de Kolen- en Staalgemeenschap ook een "Toekomstcontract voor Limburg" af, met de Belgische overheid, de toen jong-Vlaamse regering van Gaston Geens, en het provinciebestuur. Het idee van een partnerschap tussen bestuursniveaus was nieuw, in een vaak gepolitiseerde context en een toen zeer verzuilde Limburgse samenleving. Dit leidde soms tot meer samenwerking tussen het Europese, nationale, regionale, provinciale en lokale niveau dan tussen politici actief binnen dezelfde niveaus.

De gebruiksvoorwaarden voor het Europese geld vroegen een betere afstemming tussen economische en sociale projecten. De steun aan innovatieve omscholingsprogramma's was cruciaal, net op een moment dat de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) opgericht werd, en voor meer op maat gemaakte arbeidsbemiddeling op provinciaal niveau. De middelen van de EGKS creëerden ook een schaalvergroting van de reconversiesteun, onder meer dankzij de daartoe opgerichte Sociale Investeringsmaatschappij die zich erop richtte om het geld van het Europees Sociaal Fonds maximaal in te zetten. De grootste kost voor de EU was het EGKS-luik dat toen inkomenssteun verstrekte aan ontslagen mijnwerkers. Daarnaast was er ook een luik dat goedkopere leningen mogelijk maakte. De rentevoet stond spectaculair hoog. Geld lenen kost geld, zegt men vaak; daar konden ondernemers toen van meespreken.

Voor de Europese Unie van vandaag biedt de EGKS nog altijd inspiratie. Het waren natuurlijk andere tijden, toen de Koninklijke Prins Boudewijn het Verdrag van Parijs ondertekende. Zijn vader Leopold III zat officieel nog op de troon, maar had na de koningskwestie de macht overgedragen. Paul Van Zeeland herstelde in de jaren 30 de Belgische neutraliteit en verbrak de militaire alliantie tussen België en Frankrijk.

Vandaag, in een wereld van grootmachten, is het beter om assertiever te zijn dan neutraal. Terug actueel is de discussie over de "strategische autonomie" van de Europese Unie, niet langer om ons te voorzien van kolen en staal, maar van vaccins en industriële sleuteltechnologie. Eind dit jaar voorziet de EU erin om tot 3 miljard vaccins tegen COVID-19 te kunnen produceren; vandaag voert zij al vaccins uit naar 42 landen, omdat een pandemie nu eenmaal niet aan onze grenzen stopt.

Assertiviteit is ook nodig inzake klimaat en groene economie, niet enkel op wereldschaal, maar ook lokaal. Momenteel werkt België aan zijn plan voor Next Generation EU met steun aan investeringen en hervormingen. Dat biedt opnieuw kansen, ook voor vernieuwing en verbetering van Belgische en Vlaamse infrastructuur.

Wat daarbij anders is tegenover 1993 is de ecologische dimensie; toen schreef ik als evaluator nog dat de Europese steun dat niet goed deed. Met de Europese Green Deal is dat niet langer zo. Ook wordt het sociale aspect terug meer in de verf gezet, zoals in de tijd van de reconversie. Niet alleen via Next Generation EU en de Green Deal, maar ook met SURE bijvoorbeeld, Europese sociale obligaties die tijdelijke werkloosheid mee opvangen. Dankzij SURE leent de EU aan een negatieve rentevoet, wat betekent dat lenen geld opbrengt. De meest recente SURE-plaatsing maakt bijvoorbeeld dat voor elke 105 euro die België krijgt, de EU - en de Belgische belastingbetaler dus - slechts 100 Euro hoeven terug te betalen. Soms doen we dingen gewoon beter als we het samen doen, als een echte Unie.

Stefaan De Rynck is sinds enkele weken Hoofd van de Vertegenwoordiging van de Europese Commissie in België.

Op 18 April is het 70 jaar geleden dat Paul van Zeeland, toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken, het Verdrag van Parijs ondertekende voor België. Dat verdrag betekende het begin van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), die later opging in de Europese Economische Gemeenschappen, de voorlopers van de hedendaagse Europese Unie.Robert Schuman stelde de oprichting van de EGKS al voor op 9 mei 1950. Jean Monnet en Schuman, Franse staatsmannen, beoogden de verzoening met Duitsland na de verwoesting van de Tweede Wereldoorlog. Voor België had deze geopolitieke zet verregaande gevolgen; de productie van steenkool werd namelijk gereglementeerd. Geld van de EGKS ging naar industrieel beleid en omscholing. In Vlaanderen kreeg Limburg, waar steenkool was, veel steun.Zelf kreeg ik ook ooit wat EGKS-geld, indirect dan. Mijn eerste job als onderzoeker aan de KU Leuven, begin jaren 1990, bestond uit een evaluatie van het reconversiebeleid in Limburg na de sluiting van de Kempense Steenkoolmijnen door de regering van Wilfried Martens. De Europese Commissie kwam daarvoor niet enkel met geld over de brug. Het sloot in naam van de Kolen- en Staalgemeenschap ook een "Toekomstcontract voor Limburg" af, met de Belgische overheid, de toen jong-Vlaamse regering van Gaston Geens, en het provinciebestuur. Het idee van een partnerschap tussen bestuursniveaus was nieuw, in een vaak gepolitiseerde context en een toen zeer verzuilde Limburgse samenleving. Dit leidde soms tot meer samenwerking tussen het Europese, nationale, regionale, provinciale en lokale niveau dan tussen politici actief binnen dezelfde niveaus. De gebruiksvoorwaarden voor het Europese geld vroegen een betere afstemming tussen economische en sociale projecten. De steun aan innovatieve omscholingsprogramma's was cruciaal, net op een moment dat de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) opgericht werd, en voor meer op maat gemaakte arbeidsbemiddeling op provinciaal niveau. De middelen van de EGKS creëerden ook een schaalvergroting van de reconversiesteun, onder meer dankzij de daartoe opgerichte Sociale Investeringsmaatschappij die zich erop richtte om het geld van het Europees Sociaal Fonds maximaal in te zetten. De grootste kost voor de EU was het EGKS-luik dat toen inkomenssteun verstrekte aan ontslagen mijnwerkers. Daarnaast was er ook een luik dat goedkopere leningen mogelijk maakte. De rentevoet stond spectaculair hoog. Geld lenen kost geld, zegt men vaak; daar konden ondernemers toen van meespreken.Voor de Europese Unie van vandaag biedt de EGKS nog altijd inspiratie. Het waren natuurlijk andere tijden, toen de Koninklijke Prins Boudewijn het Verdrag van Parijs ondertekende. Zijn vader Leopold III zat officieel nog op de troon, maar had na de koningskwestie de macht overgedragen. Paul Van Zeeland herstelde in de jaren 30 de Belgische neutraliteit en verbrak de militaire alliantie tussen België en Frankrijk. Vandaag, in een wereld van grootmachten, is het beter om assertiever te zijn dan neutraal. Terug actueel is de discussie over de "strategische autonomie" van de Europese Unie, niet langer om ons te voorzien van kolen en staal, maar van vaccins en industriële sleuteltechnologie. Eind dit jaar voorziet de EU erin om tot 3 miljard vaccins tegen COVID-19 te kunnen produceren; vandaag voert zij al vaccins uit naar 42 landen, omdat een pandemie nu eenmaal niet aan onze grenzen stopt. Assertiviteit is ook nodig inzake klimaat en groene economie, niet enkel op wereldschaal, maar ook lokaal. Momenteel werkt België aan zijn plan voor Next Generation EU met steun aan investeringen en hervormingen. Dat biedt opnieuw kansen, ook voor vernieuwing en verbetering van Belgische en Vlaamse infrastructuur. Wat daarbij anders is tegenover 1993 is de ecologische dimensie; toen schreef ik als evaluator nog dat de Europese steun dat niet goed deed. Met de Europese Green Deal is dat niet langer zo. Ook wordt het sociale aspect terug meer in de verf gezet, zoals in de tijd van de reconversie. Niet alleen via Next Generation EU en de Green Deal, maar ook met SURE bijvoorbeeld, Europese sociale obligaties die tijdelijke werkloosheid mee opvangen. Dankzij SURE leent de EU aan een negatieve rentevoet, wat betekent dat lenen geld opbrengt. De meest recente SURE-plaatsing maakt bijvoorbeeld dat voor elke 105 euro die België krijgt, de EU - en de Belgische belastingbetaler dus - slechts 100 Euro hoeven terug te betalen. Soms doen we dingen gewoon beter als we het samen doen, als een echte Unie.Stefaan De Rynck is sinds enkele weken Hoofd van de Vertegenwoordiging van de Europese Commissie in België.