Hij wilde na zijn dood graag gewoon in de grond liggen. En zo rust Frans 'Sus' Verleyen nu al sinds 18 oktober 1997 in de schaduw van een tempelierskerk uit de 13e eeuw in het West-Vlaamse polderdorp Lissewege. Niet ver van Brugge, de stad waaraan hij in de laatste jaren van zijn leven zijn hart had verpand. Hij woonde er in een rijtjeshuis langs de reien, waar hij vanaf zijn terras soms een ijsvogel kon observeren.
...

Hij wilde na zijn dood graag gewoon in de grond liggen. En zo rust Frans 'Sus' Verleyen nu al sinds 18 oktober 1997 in de schaduw van een tempelierskerk uit de 13e eeuw in het West-Vlaamse polderdorp Lissewege. Niet ver van Brugge, de stad waaraan hij in de laatste jaren van zijn leven zijn hart had verpand. Hij woonde er in een rijtjeshuis langs de reien, waar hij vanaf zijn terras soms een ijsvogel kon observeren. Lissewege was ooit de eerste rustplaats op de weg naar Santiago de Compostela voor reizigers die in de Zwinhavens aan land gingen. En Sus hield van kerken. De laatste zomer van zijn leven reed hij door Frankrijk, van de ene prachtige romaanse kathedraal naar de volgende. Kerken waren voor hem 'plekken waar het bij voorkeur duister en mysterieus is, waar lichtjes of waskaarsen branden, waar geheimen bestaan en de verpletterde mens zich op de grond gooit'. Op zijn graf staat een zin van Harry Mulisch: Het is beter het raadsel te vergroten. Op zijn begrafenis vertelde zijn vriend Gerard Bodifée dat de man die alles wilde weten over wat hem bezighield, van de Kelten tot de kwantummechanica en de muziek van Franz Schubert, begreep dat we het raadsel van het leven, van de oorsprong en de betekenis van het bestaan, niet kunnen wegnemen. En dat we het daarom moeten vergroten - en misschien wel sacraliseren. Er kwam zo een rustig einde aan een allerminst rustig leven. Frans Verleyen zou op 1 maart 2021 tachtig jaar zijn geworden. Hij was bij de geboorte van Knack dus een prille dertiger en op die leeftijd toch al een gelauwerde politieke redacteur van De Standaard. Hij antwoordde nooit heel duidelijk als hem werd gevraagd waarom hij van de zekerheid van de grote en gezaghebbende krant de stap zette naar het wankele weekblad, dat Knack toen was. De redactie was een puinhoop en de directie van de toen nog kleine uitgeverij Roularta uit het verre Roeselare had geen ervaring met projecten op een nationaal niveau. Hij werd ook niet aangetrokken als hoofdredacteur, dat werd hij pas na enkele maanden. Hij vertelde daarover later dat hij eigenlijk nooit formeel werd aangesteld. Op een dag lag er een telex uit het hoofdkantoor op hem te wachten: 'Frans Verleyen neemt plaats op de stoel van de hoofdredacteur.' Dat was het dan. Na veel vallen en opstaan vond het blad zijn elan toen Verleyen er de schouders onder zette. Een verhaal wil dat hij ooit in zijn eentje een heel nummer vol pende, nadat de rest van de redactie was opgestapt of door de directie ontslagen. Het gaf hem wel de gelegenheid om zijn eigen ploeg samen te stellen met illustere namen zoals Johan Struye, Walter De Bock, Frank De Moor en niet veel later ook Johan Anthierens. Het 'Woord Vooraf', het commentaar van Sus op bladzijde drie, dat na verloop van tijd een instituut in de Vlaamse pers zou worden, was in die eerste jaren niet zijn grootste bekommernis. Verleyen ging als hoofdredacteur mee op interview en op reportage, en het gebeurde meer wel dan niet dat hij op maandag, als het blad werd afgesloten, nog twee of soms wel drie stukken moest schrijven. Het Woord Vooraf kwam als laatste in de late namiddag tot stand. Hij liep dan op kousenvoeten door zijn kantoor, met een sigaret en een whisky'tje in de hand. Dat hielp om de woorden na een lange dag vlotter de weg naar het papier te laten vinden. Wellicht hadden Knack en Verleyen in de jaren zeventig ook de geest van de tijd mee. Kranten en tijdschriften waren toen vrijwel allemaal in de schoot van politieke partijen of vakbonden gegroeid. Ze waren de spreekbuis van een zuil. Tot in de jaren zestig stonden zo goed als alle commentaarschrijvers ook op de loonlijst van het parlement. Knack van zijn kant was gewoon een commercieel project. Net als nieuwsmagazines in het buitenland wilde het zijn lezers niet winnen op basis van politieke trouw, maar met de informatieve en intellectuele kracht van zijn journalistieke werk. Het moet zijn dat veel Vlamingen in die tijd behoefte hadden aan een stem die niet bevooroordeeld naar de gebeurtenissen keek, want na die beroerde eerste maanden van zijn bestaan vond Knack met Verleyen snel een groeiend publiek. Waarbij in de marge kan worden opgemerkt dat het blad op zijn manier een niet te onderschatten bijdrage heeft geleverd aan de ontzuiling van de Vlaamse samenleving. Knack maakte met Verleyen ook naam met dossiers over bedenkelijke toestanden in de ontwikkelingssamenwerking, de ruimtelijke ordening en de schimmige wapenwinkels van Paul Vanden Boeynants. Het pleitte vroeg voor een socialere en meer humane wetgeving, bijvoorbeeld in verband met abortus. En het ging geregeld frontaal in tegen de soms dwaze arrogantie van de macht, zoals toen een regering in de jaren tachtig het publiceren van opiniepeilingen voor de verkiezingen wilde verbieden. Verleyen bestelde prompt een peiling naar het kiesgedrag, publiceerde die in de week voor de verkiezingen en liet een cover maken met daarop alleen de tekst van het artikel uit de grondwet dat elke voorafgaande censuur verbiedt. Er werd van het plan van de regering na die verkiezingen nooit meer iets vernomen. Met de manier waarop hij naar de politiek keek, trapte Sus op veel lange tenen. Voor wie niet goed keek, leek het ook alsof hij met zijn Knack gemakkelijk van rechts naar links schoof en weer terug. In werkelijkheid gaf hij altijd het woord aan wie een idee of een project had dat, naar zijn gevoel, goed was voor de samenleving - waarbij zijn sympathie voor deze of gene zeker ook een rol speelde. Het bekendste voorbeeld is de houding die Knack aannam tegenover het Egmontpact uit 1977, dat de Belgische communautaire problemen voorgoed wilde oplossen. Het werd bij de oprichting van de tweede regering van Leo Tindemans afgesloten tussen christendemocraten, sociaaldemocraten en de regionale partijen Volksunie en FDF. Aan Vlaamse kant was het vooral het werk van de partijvoorzitters Wilfried Martens, Karel Van Miert en Hugo Schiltz. Het akkoord was bijlange niet perfect, maar Knack steunde het al snel, als enige in de Vlaamse media. Als het werd uitgevoerd, zou de Wetstraat daarna eindelijk tijd hebben om de aanslepende, diepe economische crisis aan te pakken. Knack en Verleyen namen daarmee een groot risico. Ze gingen met hun principiële keuze in tegen de overtuiging van een groot deel van hun lezers. Het blad kwam uiteindelijk sterker uit de botsing. Het belette Verleyen niet om een volgende regering die door zijn Egmont-medestander Wilfried Martens werd geleid, grondig de duvel aan te doen omdat die nieuwe Amerikaanse kernraketten in België wilde installeren. Martens noemde hem toen op de Nederlandse televisie smalend 'de spreekbuis van de oppositie'. Sus droeg de sneer als een eretitel. Maar het is een moment uit het premierschap van Leo Tindemans dat misschien het best illustreert hoe Verleyen tegenover politici stond. Hij kende Tindemans van toen ze in de jaren zestig samen uit Antwerpen naar Brussel spoorden, Tindemans naar de Kamer van Volksvertegenwoordigers en Sus naar de krant. Toen hij nog niet zo lang premier was, vroeg Tindemans de bevolking op een bijna trumpiaanse wijze om hem brieven te schrijven met ideeën: wat wilden de mensen dat er zou gebeuren? Enkele maanden later troonde de premier Verleyen mee naar een zijlokaaltje in de Wetstraat 16, waar grote postzakken stonden met alle brieven die de mensen hun premier hadden bezorgd. Alleen was geen enkele van die zakken ooit open gemaakt. Tussen Tindemans en Knack kwam het daarna nooit meer goed. Er eindigden op die manier wel meer, eerst warme politieke relaties in een soms bittere desillusie. Als de ideeën verzandden in te veel gratuite macht zocht Verleyen een nieuw project om zich achter te zetten. Hij kreeg het geleidelijk ook steeds moeilijker met wat hij de 'parmantige staat' noemde. Hij had het gevoel dat de overheid bijna achteloos in de eerste plaats zichzelf bediende. Het mocht niet verbazen dat hij na soms nachtenlange discussies bereid was om de jonge liberaal Guy Verhofstadt en zijn rebelse Partij van de Burger een forum te bieden. Verhofstadt bleef tot het einde de enige, echte vriend die Sus aan het politieke milieu heeft overgehouden. Hij hield vrienden en collega's later vaak het woord van de Chinese wijsgeer Lao Tse voor: alle water stroomt naar zee, en dus ligt de zee lager. Of: bescheidenheid siert de macht. De gedachte liep als een rode draad door veel van zijn latere werk. Hij had het gehad met alle potentaatjes die zich onaantastbaar wanen en zich onrechtmatig veel prerogatieven en privilegies toemeten. Maar hoe minder Verleyen zich onder politici begaf, hoe meer invloed zijn Woord Vooraf had. Hij zette het in zijn laatste zomer en al fel geteisterd door zijn ziekte nog één keer als een politiek wapen in, toen de Vlaamse regering zich in volle vakantie een wel zeer royale uittredingsvergoeding wilde toekennen. Na drie mokerslagen in Knack slikte voorzitter Luc Van den Brande van die Vlaamse regering het plan weer in. Hoe meer Verleyen wegdreef van de politiek en de dagelijkse besognes van zijn blad, hoe meer hij onderwerpen zocht die hem persoonlijk beroerden. Dat mochten zijn geliefde vogeltjes zijn, de romaanse bouwkunst, Felix Timmermans en Franz Schubert, of de kweek van paddenstoelen. Afgezien van Verhofstadt omringde hij zich niet meer met politici maar met mensen zoals Hugo Claus, Beethovenkenner en dirigent Jan Caeyers, uitgever Jan Martens en fysicaprofessor en televisiekok Herwig Van Hove - met wie hij nog een boek over de Vlaamse eetcultuur schreef. Nieuwsgierigheid en permanente verwondering behoorden volgens Sus tot de essentiële uitgangspunten van echte journalistiek. Het mocht ook al eens verontwaardiging zijn. Hij hield zijn jongere redacteuren in de jaren tachtig altijd voor dat hij schreef voor de Vlaamse onderwijzer. Zo stelde hij zich zijn lezer voor - en hij had daarbij geen stofjas voor ogen met krijt aan de vingers, maar een jonge man of vrouw die met twee voeten in het leven staat en nieuwsgierig op zoek is naar kennis en informatie om die aan de volgende generatie mee te geven. In een in memoriam na zijn dood beschreef Knack-journalist Jos Grobben de unieke manier waarop Verleyen zijn redactie leidde. Hij managede namelijk helemaal niets. Hij liet zijn redactie een onwaarschijnlijk grote vrijheid en probeerde alleen al te grote interne onenigheden te voorkomen. Hij ontdekte op woensdag bij het verschijnen van Knack iets dieper in het blad niet zelden net het tegenovergestelde van wat hij op bladzijde drie verkondigde. Verleyen kon dat hebben. Afwijkende meningen hadden een bestaansrecht, als ze maar deugdelijk waren onderbouwd. Hij gaf mensen ook vrijwel nooit een opdracht. Op vergaderingen die hij leidde, was er zelden aandacht voor regelingen van praktische aard. Het waren dikwijls boeiende confrontaties van meningen, waarbij die van de directeur het niet altijd haalden. Het gebeurde wel vaker dat hij met vuur een onderwerp aankaartte, waar niemand brood in zag. Maar dat was ook zijn kracht: hij liet iedereen in zijn waarde, zonder dat die van hem daardoor verminderde. Verleyen nam de jonge Chris De Stoop in dienst omdat die tijdens zijn sollicitatie zo fel over het drama van de jeugdwerkloosheid sprak. Toen de jonge doctor in de biologie Dirk Draulans zich meldde, bezwoer Verleyen hem om geen journalist te worden, maar om zich verder aan het meer ernstige werk van de wetenschap te wijden. Sus heeft het zich achteraf zeker nooit beklaagd dat Dirk voet bij stuk hield. Maar, leerde hij: journalistiek is geen wetenschap en het is geen literatuur. Het is maar journalistiek. Met zijn baard en die eeuwige wallen onder zijn ogen zag hij er vaak somber uit. Dat was hij helemaal niet. Waar Verleyen was, werd vaak doorgezakt. Hij was van een generatie die nog gedichten uit het hoofd kende, en er werd gedeclameerd en gezongen. Sus klom dan op een stoel en droeg plechtig het gedicht de Ballade van de dingen die niet overgaan van J.W.F. Werumeus Buning voor. Het repertoire van Georges Brassens passeerde de revue en de avond kon niet eindigen zonder dat het oude protestlied Die Gedanken sind frei werd gezongen. Meestal stond hij dan nog op diezelfde stoel. Frans Verleyen was uiteindelijk een optimistisch mens. Hij had een onwankelbaar geloof in echte cultuur, serieuze analyse, mensen met een beetje gezond verstand en vooral in de jeugd. Hij zag in zijn eigen kinderen een vrije en verstandige generatie opgroeien, die zich niet op haar kop laat zitten. Alle doemdenkers ten spijt, liet hij niet na om vast te stellen dat de mens er alvast tijdens zijn leven op vooruit was gegaan. Maar zodra hij zijn plek in Brugge had gevonden, leidde hij - ook gedwongen door zijn ziekte - een relatief teruggetrokken bestaan. De jaren van nachtelijke escapades en mannelijke camaraderie lagen achter hem. Ze maakten plaats voor een rustiger, zij het non-conformistisch leven, met bitter weinig nagejaagde materiële welstand. Intellectuele bohemien en consequente dilettant in bijna alles wat hij ondernam, presteerde hij niettemin iets buitengewoons. Drijvend op veel flair en buikgevoel schonk hij Vlaanderen met Knack een blad dat op geen enkel vlak voor het buitenland hoeft onder te doen. Er had uiteindelijk ook een andere zin op zijn graf kunnen staan. Hij citeerde vaak een uitspraak van Robert Oppenheimer, de vader van de atoombom, die zich later fel tegen de kernwapenwedloop verzette. Het is beter te weten dan niet te weten, zei Oppenheimer. Het citaat was Frans Verleyen op het lijf geschreven.