Het was een kleurloze middag begin jaren negentig, op de school waar ik mijn jaren zoek maakte. Tijdens de speeltijd zag ik in Humo een moeder die een foto van haar zoon tegen haar boezem drukte. Ik herinner me nog altijd het bijschrift: 'Ik vond het vreselijk dat hij dood wilde, maar ik begreep hem ook. In feite had hij gelijk.'
...

Het was een kleurloze middag begin jaren negentig, op de school waar ik mijn jaren zoek maakte. Tijdens de speeltijd zag ik in Humo een moeder die een foto van haar zoon tegen haar boezem drukte. Ik herinner me nog altijd het bijschrift: 'Ik vond het vreselijk dat hij dood wilde, maar ik begreep hem ook. In feite had hij gelijk.'Niet alleen de onverbiddelijke moederliefde, ook de langharige jongen van de foto intrigeerde me. In de bibliotheek vond ik zijn autobiografische banbliksem Junkieverdriet: het was eens wat anders dan algebra. Toen ik tijdens de volgende speeltijd in de spiegel keek, wilde ik mijn haren ook laten groeien. Vijfentwintig jaar later blader ik in het Letterenhuis door de nalatenschap van Jotie T'Hooft. Er zit zelfs een naaktfoto in. 'Wilde de eerste man in Playboy worden' staat ernaast. Ik vraag me af hoe de groot geschapen poëet er vandaag zou uitzien, als hij zichzelf op die oktoberavond in 1977 niet naar andere oorden had gespoten. Ik blader voort en lees een gedicht dat De Dubbelganger heet. 'Waar uw neus is heb ik een holteMijn lippen zijn verzegeldIk heb spitse oren die horenDoch mijn geweten is betegeld.Ik ga waar gij niet komen kuntEn zie u met lede ogen gaanWaar ik geen ogenblik kan staanIk veracht u wat ge in mijn bewondert.We leven beiden afgezonderd.Terug thuis mail ik zijn biograaf Jean-Paul Mulders. 'Dat gedicht gaat over een vriend', zegt hij. 'Iemand die toen fysiek ongelooflijk op hem leek.' 'Leeft hij nog?' vraag ik. Een paar dagen later rijden we over de heuvels van het Pajottenland, op zoek naar het voormalige spiegelbeeld van de dichter. Ook voor Jean-Paul is het a trip down memory lane. 'Vijfentwintig jaar geleden kocht ik in De Slegte het Verzameld Proza van Jotie T'Hooft. Ik vond het fantastisch, werd vooral aangetrokken door zijn fascinatie voor het vergankelijke en de ontoereikendheid van het leven. Weinig mensen hebben dat: we doen allemaal vrolijk voort, alsof er nooit een einde aan komt.' In 1997 schreef Jean-Paul de biografie van Jotie, samen met Annick Lesage. 'Alle belangrijke mensen uit zijn leven waren er toen nog. Intussen zijn ze bijna allemaal aan gene zijde.' Maar Piet De Bruyn staat nog aan deze kant. Tweeënzestig is hij, een jaar ouder dan Jotie T'Hooft vandaag zou zijn geweest. 'Ik heb voor jullie een paar jeugdfoto's opgezocht', zegt hij. 'Je leek toen echt wel op Jotie, Piet', zegt Jean-Paul. 'Dezelfde melancholische blik, dezelfde bruine haren.' 'Die mis ik wel', lacht Piet. 'Je weet wat ze zeggen: op je twintigste heb je het gezicht dat je wilt, op je zestigste het gezicht dat je verdient. (lacht) Ik was hoogstens een observator in het bestaan van Jotie. En toch. Je ontmoet in je leven maar een paar mensen die je altijd bijblijven. Hij was zo iemand. Ik praat met niemand over hem, zelfs niet met mijn vrouw. Niet dat het een staatsgeheim is, maar ze vraagt er niet naar. En ik begin er niet zelf over, want dan word ik verschrikkelijk emotioneel.' Maar de Jotiefilm zit nog in zijn hoofd, inclusief de geuren en Technicolorkleuren van toen. Hun verhaal begon midden jaren zeventig. 'Ik was heel goed bevriend met zijn latere vrouw, Ingrid Weverbergh. We zaten allebei op het atheneum in Denderleeuw. Ik kwam vaak bij haar over de vloer. Het huis van de zusjes Weverbergh was een begrip in de buurt: een artistieke oase - hun vader, Julien, was uitgever. Geld interesseerde ons in die dagen niet. Carrière maken nog minder: we waren geen goede leerlingen en vlogen van het atheneum. Ingrid trok naar een school in Gent. Een paar weken later zei ze: "Piet, ik heb iemand leren kennen. Maar ik wil jouw mening horen." Haar moeder had zo haar twijfels over haar nieuwe vlam. "Het is niet omdat het met Piet niet lukt dat je met die rare uit Gent moet aanpappen."' 'Ik mee naar Gent. We hadden afgesproken in De Zjat, het bedompte café in de Sint-Michielsstraat waar hij werkte. Daar zag ik Jotie voor het eerst. Hij deed heel afstandelijk. Maar het wás ook raar: alsof we allebei in de spiegel keken. "En?" vroeg Ingrid. "Wat vind je van hem?"' Piet en Jotie werden vrienden, ondanks die avond in De Zjat. 'Hij was in die dagen ook nachtwaker, maar hij mocht geen lange haren hebben. We probeerden ze met allerlei speldjes in zijn kraag te verstoppen. Het waren de jaren zeventig: langharigen waren staatsgevaarlijk, op straat werden we vaak tegengehouden en gecontroleerd door de flikken.' Niet alleen de lengte van hun haren bond hen. 'We luisterden naar dezelfde muziek, waren opgegroeid met hetzelfde jeugdboek: Professor Zegellak in Kniesland van Daan Zonderland. Hij schreef toen heel veel. Vandaag zeggen ze weleens dat al zijn gedichten onder invloed geschreven zijn. Complete nonsens. Jotie besefte maar al te goed dat je stoned geen letter op papier kreeg.' In 1975 publiceerde hij zijn eerste bundel, Schreeuwlandschap, een jaar later won hij al de Reina Prinsen Geerligsprijs. Er kwam succes, en druk. 'Jotie had alles: de looks, de pen... Maar hij was geen podiumbeest. Daarom verzon hij een act en een personage: Charles-Louis D'Haene, gebaseerd op een grootoom van hem. Het was de bedoeling dat hij voor de pauze zou optreden als Jotie T'Hooft en daarna als D'Haene: met een zwart kostuum, een ronde bril en achterovergestreken haren. Tijdens de pauze zouden we van kleren wisselen. Ik zou dan in de zaal gaan zitten, vermomd als Jotie T'Hooft: de dichter die naar zijn alter ego keek.' 'We hebben de act ook gerepeteerd: toen Ingrid boodschappen ging doen, wisselden Jotie en ik snel van kleren. Ik ging voor het raam staan en wuifde naar haar. Toen ze terugkwam, zei ze tegen haar vriend: "Jotie, dat was heel lief dat je daarnet wuifde."' (lacht)Malle jongens waren ze, die hun jeugd probeerden te rekken. Ingrid en Jotie trouwden en verhuisden naar de Kerkstraat in Sint-Agatha-Berchem. Veel meubels hadden ze niet in hun appartement, maar wel een grote spiegel: daar oefende de dichter zijn zwoele blikken in. Hij verborg wijselijk zijn twee linkerhanden en vroeg aan Piet of hij het appartement kon schilderen. In het zwart, van vloer tot plafond. 'Van verf kende ik wel iets, dus dat wilde ik wel doen. Ik voegde Pruisisch blauw toe aan de zwarte Levisverf, zodat alles nog zwarter werd.' Terwijl Piet aan het schilderen was, werden er drugsfuiven georganiseerd in de Kerkstraat. 'Jotie bood me alles aan. Als je vriendenkring verslaafd is, valt het minder op dat jij dat ook bent. Maar drugs waren niets voor mij. "Jij hebt dat niet nodig", zei Jotie dan. "Jij bent stoned geboren."' 'De laatste maanden liep het uit de hand. Ik zag hem overboord gaan, roepen en tieren. Soms moest ik tussen Ingrid en Jotie gaan staan. Hun ruzies gingen altijd over hetzelfde: drugs en seks - Jotie kon niet van de vrouwen blijven. Hij was ook verslaafd aan Playboy. Zelfs het toilet hing vol foto's van blote playgirls.' Jean-Paul: 'Hij dichtte er zelfs over. Hij zag er al skeletten in.' Piet heeft ook de naaktfoto's van Jotie gezien. 'Ik wist niet dat hij ermee in Playboy wilde raken, maar het verbaast me niet. Een junkie doet alles om aan geld te komen. En hij wist ook wel dat hij knap was.' Die herfstmaanden van 1977 waren een emotionele rollercoaster, zegt Piet. 'Want Jotie kon ook heel beminnelijk en grappig zijn. Ik heb in dat zwarte appartement ongelooflijk mooie avonden meegemaakt. Dan zaten Ingrid, Jotie en ik voor het raam en zeiden we gewoon niets.' 'Op een dag kwamen zijn ouders op bezoek. Ze hadden groenten bij zich uit de tuin, maar ze mochten van Jotie niet verder komen dan de deuropening. Zijn moeder zag me zitten en kon me wel doodbliksemen. Weer zo'n drugsgast, zag ik haar denken. Jotie droeg een gedicht voor en werkte hen buiten.Een week voor zijn dood wilde Ingrid me zien. Thuis afspreken was geen optie meer. "Piet, ik hou het niet meer", zei ze. Ze is toen bij hem weggegaan. Een paar dagen later hoorde ik op de radio dat Jotie dood was.' De avond daarvoor was T'Hooft naar het huis van een spuitbroeder in Brugge gereden. Op de muur van zijn kamer had hij in het rood DAG KLEINE MEID! VEEL GELUK! gekalkt, en daarna een overdosis genomen. 'Ergens moet een meisje zich vertwijfeld afvragen of ze een dichter vermoord heeft', schreef het weekblad De Post na zijn dood over zijn eerste drugsvriendin.Een paar weken later werd de dichter begraven. 'Als een hond', zegt Piet nu. 'Er was niet veel volk. Geen toespraken, niets. Zijn dood werd toen als een schandaal gezien. "En gij moest zijn appartement nog zwart schilderen", sneerde Julien Weverbergh tijdens de koffietafel.' 'Na de begrafenis is zijn moeder me nog vaak komen opzoeken. Ze wilde alles weten over haar zoon. Ik hoefde haar niet te sparen, zei ze. Het ergste was toch al gebeurd. Rosa was een burgerlijke vrouw. Tegelijkertijd had ze iets sensueels, ze was een Spaans type. Ze had een probleem met haar ruggenwervels, waardoor ze een korset moest dragen. "In uw hagelwit harnasgemetseld/Zijn wij samen door de tijd verwond", schreef Jotie ooit over haar. Door dat korset kon ze letterlijk weinig fysieke affectie geven: noch aan haar kind, noch aan haar man. Daarom is Jotie wellicht ook enig kind gebleven. Haar man Marcel had maîtresses, en ze wist dat. Er waren veel spanningen in dat huwelijk, daardoor is Jotie ook zo vroeg thuis vertrokken. Toch bleven Rosa en Marcel bij elkaar voor hun zoon: de problemen die ze met hem hadden, overstegen hun eigen problemen.' Natuurlijk wist Rosa van zijn drugsgebruik, zegt Piet. 'Ze zag hem de hasj snijden op de keukentafel, maar ze kon er niets tegen beginnen. Ze heeft het zelf geprobeerd, om haar zoon beter te begrijpen. If you can't beat him, join him. Maar drugs waren niets voor haar. Later nam ze veel medicijnen. Eigenlijk waren ze alle drie verslaafd: zij aan pillen, Jotie aan drugs en Marcel aan de drank.' 'Marcel heb ik meermaals geïnterviewd voor de biografie', zegt Jean-Paul. 'Een oude, wijze onderwijzer. Maar ik heb nooit iemand zo veel zien drinken zonder zat te worden als hij. We zaten op een terras, en er kwamen drie jonge meiden voorbij. "Dat is nu een voordeel van ouder worden", zei hij. "Je hoeft niet meer achter alles aan te lopen."' (lacht)'Zijn zoon was net dezelfde', zegt Piet. 'Jotie kon alles en iedereen charmeren. Eigenlijk leek hij veel meer op zijn vader dan hij zelf wilde. Hij noemde hem "de schoolfrik". Maar zelf was hij ook voortdurend aan het sleutelen aan zijn gedichten, bezig met komma's en punten.' 'Hoe is het met zijn ouders afgelopen?' vraag ik. 'Net nadat Jotie stierf, heeft Rosa tegen Marcel gezegd: "Jotie dood, jij eruit." Marcel moest het huis verlaten.' 'Ik heb als jonge gast nog voor de deur van Rosa gestaan', zegt Jean-Paul. 'Helaas was ik te bedremmeld om aan te bellen. Daar heb ik nog altijd spijt van, want de relatie met zijn moeder was essentieel om Jotie te begrijpen. Later heeft ze ook geprobeerd om zelfmoord te plegen.' 'Rosa en Marcel waren allebei gebroken mensen', zegt Piet. 'Ze wisten dat ze iets nooit meer goed konden maken. Ze zijn een natuurlijke dood gestorven. Niet zo jong als hun zoon, maar ze waren allebei toch ook maar in de zestig. Zonde. Het waren drie mooie, intelligente mensen.' Jaren later ontdekt Piet het gedicht dat Jotie over hem had geschreven. De dubbelganger. 'Een hard gedicht, maar hij had wel gelijk. Het is niet omdat je uiterlijk op elkaar lijkt dat je ook dezelfde persoon bent en dezelfde keuzes maakt.' Piet koos voor het leven, Jotie voor de dood. Zijn voormalige spuitbroeders volgden hem. Zelfs het meisje van De Post is niet meer. Zij met wie hij in 1970 naar de middagvoorstelling van Woodstock ging kijken in de Gentse Rex. Zij die hem later die dag zijn eerste drug gaf, lsd. 'De dood van Jotie veranderde alles', zegt Piet. 'Het was zo ingrijpend: voor het eerst stierf er iemand waar we emotioneel heel dicht bij stonden.' Ook Piets vriendschap met Ingrid overleefde het niet. 'Zij was kapot van verdriet na zijn dood, helemaal van de wereld. Ik ben toen voor lange tijd naar het buitenland vertrokken. We hebben elkaar nooit meer gezien, maar ik heb haar nog altijd graag.' 'Is die DAG KLEINE MEID! VEEL GELUK! voor haar bedoeld?' 'Waarschijnlijk wel', zegt Jean-Paul. 'Toen ik mijn biografie schreef, wilde niemand zich uitspreken of het nu een ongeluk was of zelfmoord. Zelfs zijn vader zei: "We zullen het nooit weten." Ik weet het wel, dacht ik toen. Als je zo'n boodschap achterlaat op de muur, is het toch duidelijk?' 'Ik heb het altijd een stomme kreet gevonden', zegt Piet. 'Zeker omdat hij de avond daarvoor twaalf geniale gedichten geschreven had.' 'Staat die zin nog altijd op die muur?' vraag ik. 'Weet ik niet', zegt Piet. 'Verf is iets raars. Je kunt iets honderd keer overschilderen of overplakken. Maar altijd blijft het er ergens opstaan.' 'Kom', zegt Jean-Paul. 'We rijden naar zijn laatste spuitplaats. Ik ben wel benieuwd.' Onderweg naar Brugge herlees ik het Humo-interview met zijn moeder. Er staat nog een vreemde anekdote in. 'Toen Jotie zeven was, kuierde hij elke dag in de tuin rond. "Kijk, Johan, krokusjes, 't is lente!" Hij bekeek mij: "Vind jij dat mooi? Ik niet: morgen liggen ze er al slap bij, klaar om dood te gaan." Een kind dat zoiets zegt! Ik vond het zo jammer, want ik kon werkelijk van die krokusjes genieten.''Daarom kijk ik vandaag anders naar Jotie', zegt Jean-Paul. 'Ik ben zijn werk blijven lezen tot mijn kinderen geboren werden. Zij veranderen je leven.'