Zonder hippies geen computer

CREATIEVE GEESTEN Steve Wozniack (l) en Steve Jobs (r) richtten in 1976 hun computerbedrijf Apple op. © gf

Walter Isaacson, bekend als de biograaf van Steve Jobs, schreef een imposante geschiedenis van de computer waarin hij ook aandacht heeft voor de vele mensen die achter de schermen hebben meegewerkt aan de digitale revolutie. ‘De grote uitvindingen van onze tijd, zoals de transistor, de microchip, de computer, het internet en zelfs Google, zijn door teams gedaan.’

Van het prille begin, toen Ada Lovelace in 1843 schreef dat het mogelijk moest zijn een programmeerbare machine te bouwen, tot onze door Facebook, Google en Snapchat gedomineerde wereld van vandaag: in De uitvinders brengt Walter Isaacson (63) een ode aan de vele mensen die meegeholpen hebben aan de ontwikkeling van de computer. Alan Turing, Doug Engelbart en Steve Jobs passeren de revue natuurlijk, maar ook illustere onbekenden als John Atanasoff, Grace Hopper en Paul Baran, die deel uitmaakten van teams die in stilte een hoop essentieel werk verzetten.

De voormalige hoofdredacteur van Time en baas van het Aspen Institute, een denktank die de rol van de humane wetenschappen in politiek en economie wil bevorderen, gaat stevig in tegen het idee dat de geschiedenis door genieën wordt geschreven. ‘Misschien dat dit ooit zo was,’ zegt Isaacson met zijn diepe, donkere stem, ‘maar de grote uitvindingen van onze tijd, zoals de transistor, de microchip, de computer, het internet en zelfs Google, zijn door teams gedaan. Vandaar dat we niet die ene naam hebben van de uitvinder van de computer, maar wel een hele reeks namen. Af en toe heb je wel het visionaire van bepaalde individuen nodig, maar zonder team om de ideeën uit te werken blijft het altijd iets vluchtigs hebben. Zelfs Steve Jobs was trotser op het team dat hij had samengesteld bij Apple dan op enig welk product dat die firma op de markt heeft gebracht.’

Nog zo’n mythe: dat de computer het resultaat zou zijn van rationeel denken. De artistieke reflex was ook belangrijk, schrijft u.

WALTER ISAACSON: Wat dat betreft, vind ik Jobs het ideale voorbeeld. Hij toonde ons dat mensen die zich op het snijpunt van kunst en technologie bevinden de waardevolste zaken ontwikkelen. Ada Lovelace, de dochter van Lord Byron, was dol op poëzie, maar ze had ook een grote technologische interesse, waardoor ze in de jaren 1830 als eerste op het idee kwam om een computer te maken. Mensen als Steve Jobs of J.C.R. Licklider, een van de mannen achter de ontwikkeling van het internet, geloofden dat kunst de manier was om technologie en menselijkheid met elkaar te verbinden. Het doel is immers steeds computers menselijker te maken, waardoor we ons beter op ons gemak voelen wanneer we ermee aan de slag gaan. Wie inzicht heeft in de wijze waarop kunst werkt, heeft een groter inzicht in de menselijke psychologie, en hij zal dus ook een succesvollere computer kunnen bouwen.

Wat is volgens u de belangrijkste uitvinding van het hele computertijdperk?

ISAACSON: Ongetwijfeld de transistor, en later de mogelijkheid om die zo klein te maken dat er een heleboel op één microchip geplaatst konden worden. Dat was echt heel belangrijk, vergelijkbaar met wat de stoommachine betekende voor de industriële revolutie. Ook niet te onderschatten was het idee dat software door verschillende machines gedeeld moest kunnen worden en dat die machines dus dezelfde taal moesten spreken. Het bleek belangrijker dan de design van de hardware. Ik zou zelfs meer zeggen: besturingssystemen vormen de basis van de computerrevolutie. Programmeerbaarheid vormde de grote sprong voorwaarts in de jaren 1940.

U beschrijft hoe de transistor populair werd door de transistorradio, en de microchip door de zakrekenmachine. Het lijkt wel alsof de elektronicawereld draait op zaken waarvan we nooit beseften dat we ze nodig hadden tot iemand ze uitvond, waarna we niet meer zonder konden.

ISAACSON: Het verschil tussen een grote en een middelmatige uitvinder is dat een grote uitvinder niet alleen voor de dag komt met een technologische innovatie, maar ook met producten die voortvloeien uit die innovatie en een massale afzetmarkt hebben. Dat is inderdaad het geval met de transistorradio en de zakrekenmachine, maar wat Steve Jobs deed met de introductie van de iPod is niet minder indrukwekkend. Niemand werd ’s ochtends wakker met het gevoel een nieuwe muziekspeler nodig te hebben. Tot de iPod er was. Toen voelde opeens iedereen dat gemis.

Was Steve Jobs niet eerder een verkoper dan een uitvinder?

ISAACSON: Zover zou ik niet willen gaan. Oké, Jobs kwam voor de dag met mooie producten als de iPod of de iPhone. Dat waren evenwel meer dan zomaar marketingsuccessen. Het waren ook nieuwe toestellen die iets konden wat voorheen ondenkbaar was.

Wat was het grote verschil tussen Steve Jobs en Bill Gates?

ISAACSON: Steve Jobs had een artistiekere creativiteit. Hij bezat een intuïtie voor wat mensen mooi zouden vinden. Bill Gates was een veel gewiekstere zakenman, die wist hoe hij deals kon sluiten met andere firma’s waardoor hij van Microsoft zo’n groot bedrijf kon maken. Jobs en Gates waren vrienden en concurrenten tegelijk, elk behept met hun eigen talenten.

Hoe kon Microsoft met een minderwaardig besturingssysteem 95 procent van de pc-markt in handen krijgen, terwijl Apple een veel beter product in de aanbieding had?

ISAACSON: Gates stond toe dat andere firma’s zijn software gingen gebruiken. Jobs was te veel een perfectionist om zijn software te delen. Daar komt nog bij dat Microsoft zich volledig toelegde op software, terwijl Apple altijd een maker van hard- en software is gebleven. Door hard en soft aan elkaar te koppelen legde Apple zichzelf aan banden. Maar uiteindelijk is de aanpak van Apple toch een succes gebleken. Het bedrijf is momenteel meer waard dan Microsoft, ook al heeft het een kleiner deel van de markt.

De wereld van de computer was en is nog steeds een echte mannenwereld. Hoe komt dat?

ISAACSON: Omdat vrouwen op een bijzonder unfaire manier uit de geschiedenis van de computer weggeschreven zijn. Het team dat de eerste programmeerbare computer ENIAC ontwierp, bestond uit zes vrouwelijke wiskundigen. Niemand weet dat. Of neem Grace Hopper, een van de belangrijkste programmeurs van Harvard, ook zij was een vrouw. Maar er is meer aan de hand. De voorbije twee decennia zijn er steeds minder vrouwen actief geworden in de computerwetenschap. Ik vind dat bijzonder betreurenswaardig. Een sluitende verklaring heb ik er niet voor, maar ik denk dat het wellicht veel te maken heeft met het ontbreken van rolmodellen voor vrouwen. En dat technologiebedrijven praktisch altijd door mannen worden geleid die er niet bij stilstaan dat ze vrouwen moeten verwelkomen in plaats van hen uit te sluiten, zal ook wel niet veel helpen.

De pc is het kind van de jaren zestig en zeventig, de hippietijd dus. Is er een verband?

ISAACSON: Ongetwijfeld. De hippiebeweging en de organisaties die zich verzetten tegen de oorlog in Vietnam wilden de macht van de centrale overheid ondermijnen. Voeg daar nog een aantal autonoom werkende hobbyisten aan toe en een stel visionaire mensen die de gemeenschap een andere kant op wilden leiden, en je hebt een amalgaam van karakters die van de computer vooral een personal computer wilden maken. Overheidscontrole stuitte hen tegen de borst, net zoals het idee dat computers alleen in universiteiten of bedrijven gebruikt zouden worden. Vooral in Californië creëerden deze mensen begin jaren 1970 een sfeer waarin de pc kon floreren. Maar dat rebelse, eigenzinnige is de computerwereld blijven beheersen. Kijk naar het internet, dat vanaf het begin geconcipieerd werd als een netwerk van onafhankelijk van elkaar opererende computers en niet als een centrale hub met vertakkingen naar alle richtingen. Die structuur zou het internet trouwens niet alleen veel controleerbaarder gemaakt hebben, maar ook een stuk kwetsbaarder. Schakel de hub uit en het net is onbruikbaar, terwijl vandaag de activiteiten van de ene server gewoon door een andere overgenomen worden.

En Silicon Valley, ook een kind van de hippies?

ISAACSON: Je zag indertijd hoe kleine, anarchistisch gestructureerde bedrijfjes zich aan de oostkust van de VS afscheurden van grote firma’s als IBM en Fairchild omdat de kleine ondernemers van wat later Silicon Valley genoemd zou worden niet overweg konden met de hiërarchische structuur van die bedrijven. Een mooi voorbeeld van zo’n gedecentraliseerde aanpak is Intel, in 1968 opgericht door Robert Noyce en Gordon Moore. Intel had geen organogram en de praktijk om de leiding van het bedrijf aparte, afgesloten kantoren te geven werd hier voor het eerst verlaten. Iedereen zat gewoon samen in een grote, open ruimte, waardoor de samenwerking gestimuleerd werd. Sindsdien is dat in feite de structuur geworden van iedere succesvolle computerfirma: gedecentraliseerde besluitvorming in een omgeving die gelijkheid en openheid stimuleert.

Hoe ziet u de toekomst van de computer?

ISAACSON: Een van de grote innovaties zal volgens mij de invoering zijn van een digitale munt, zoiets als de bitcoin, waardoor duizenden kleine ondernemers producten zullen kunnen ontwerpen en er op een eenvoudige wijze voor betaald zullen kunnen worden. De toekomst zal ook een hechtere band doen ontstaan tussen de creatieve kunsten en technologie, waardoor we beter met anderen samen zullen kunnen werken om bijvoorbeeld een toneelstuk te schrijven of een jurk te ontwerpen. Ook op het vlak van de genetische engineering zal de computer, gelinkt aan grote databases, de gezondheidszorg revolutionair veranderen. Tel daar nog de mogelijkheid bij om het menselijke dna te sequencen en je krijgt een gepersonaliseerde gezondheidszorg waarin de dokter niet langer zonder zijn computer gedacht kan worden.

Al sinds Ada Lovelace zijn er mensen die beweren dat de computer tot artificiële intelligentie zal leiden en anderen die hem vooral zien als een toestel dat de menselijke vermogens zal uitbreiden. Wat is uw positie?

ISAACSON: De zoektocht naar artificiële intelligentie is tot nu toe niet echt een succes te noemen. Het creëren van mens-machinepartnerschappen waarin de menselijke creativiteit gekoppeld wordt aan de kracht van de technologie, heeft daarentegen wel tot een grote vooruitgang geleid. Men zegt dat artificiële intelligentie er over een paar jaar zal zijn, maar dat zegt men ondertussen al decennialang. Het lijkt me dat het samengaan van mens en computer veel meer oplevert, zoals Google, Wikipedia en Facebook, en een toestel als de iPhone, die rekenkracht tot in de hand van de mens heeft gebracht. Ada Lovelace was niet wild van het idee van artificiële intelligentie en ik kan haar alleen maar gelijk geven. Dat we op een toekomst afstevenen waarin machines en robots autonoom zullen handelen en denken lijkt me sciencefiction. Over twintig jaar nemen de robots het van ons over, zegt men. Wat mij betreft mag dat nog een paar eeuwen langer duren.

Van in het begin waren er mensen die open-sourcesoftware voorstonden en anderen die liever een octrooi aanvroegen om hun uitvinding af te schermen. Welk principe zal die slag winnen?

ISAACSON: Er is voor allebei wel iets te zeggen. Soms is open-source beter, kijk bijvoorbeeld naar Linux. Andere keren is het octrooimodel aan de winnende hand, wat bij Apple het geval is. Wat ik interessant vind, is dat de twee modellen elkaar aandrijven. Precies doordat ze met elkaar concurreren ontstaat er vooruitgang.

Er wordt weleens beweerd dat onze privacy bedreigd wordt op het internet. Gaat u daarmee akkoord?

ISAACSON: Vandaag hebben we inderdaad minder privacy dan tien jaar geleden. We leven in een maatschappij waarin het steeds moeilijker wordt om anoniem te zijn omdat onze apparaten ons volgen. Maar we mogen niet vergeten dat gedurende het grootste deel van de geschiedenis privacy gewoonweg niet bestond. Mensen leefden in kleine gemeenschappen en iedereen wist wat je deed. In de VS reageert men trouwens ook helemaal anders dan in Europa, wat dit betreft. Daar vindt men vrijheid van meningsuiting en innovatie belangrijker, terwijl men hier meer de nadruk legt op die privacy. Op zich is dat een zinvol debat. Sommige mensen willen dat wat ze doen privé blijft, terwijl anderen gebruik willen maken van diensten die beter werken juist doordat ze informatie vergaren over de gebruiker ervan. Ik vind dat je mensen de keuze moet geven in hoeverre ze mee willen stappen in dit verhaal. Het is dus de gebruiker zelf – en niet Google of Facebook – die zou moeten kunnen beslissen hoeveel van zijn privacy hij wil prijsgeven.

DOOR MARNIX VERPLANCKE

‘Vrouwen zijn op een bijzonder unfaire manier uit de geschiedenis van de computer weggeschreven.’

‘Op het snijpunt van kunst en technologie worden de waardevolste zaken ontwikkeld.’

‘Dat we op een toekomst afstevenen waarin machines en robots autonoom zullen handelen en denken, lijkt me sciencefiction.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Expertise