?De binnendienst” van Paul Verhuyck : lijfboek over het verlangen naar vrijheid.

HET BEGINT ALS een verhaal over een cyberpunk. Het hoofdpersonage, een ex-douanebeambte, krijgt een pieper ingeplant onder de voorarm en een zendertje in de tand. Daarmee is zijn stage afgelopen en wordt hij effectief lid van een mysterieuze wereldorganisatie die ieder gezag wil laten verdwijnen. Zijn eerste opdracht brengt hem naar Anatol de Anateem, een dolgedraaide derwisj die zijn volk in fundamentalistische kluisters gevangen houdt. De hitman heeft de smaak direct te pakken want hij maait zonder verpinken de derwisj en zijn beide lijfwachten neer : ?Als een blindgeborene voelde ik de zware impact van drie warme vleesmassa’s en daar mikte ik op zonder echt te kijken, zonder de deur achter mij te hebben gesloten. Het waren drie droge, doffe tikjes. Drie maal kort : in morseseinen de letter s. Of dat iets betekent weet ik niet, maar ik had de indruk dat ik een tekst op lijven schreef, het begin van een lijfboek.”

De derde roman van Paul Verhuyck, ?De binnendienst”, is geschreven op het stramien van zijn groteske, taalverliefde verteltrant uit de twee vorige romans ?De doodbieren” en ?Moord door geboorte”. Maar deze keer heeft hij zijn meanderend taalgebruik heel wat beter in de hand en mikt hij op meer dan een groteske. Verhuyck schreef het beste Nederlandstalige conte philosophique van de jongste jaren. Satirisch of grotesk te keer gaan is één ding, maar de satire à la Voltaire ook nog de allures geven van een filosofische fabel is klasse.

SPIRAAL.

In tegenstelling tot de hyperrealistische Amerikaanse versie van Bret Easton Ellis, vertrekt Verhuyck in zijn roman over een uitgeflipte seriemoordenaar van een surreëel waas vol mysterie. Het eerste deel gaat over de manier waarop de protagonist de organisatie leert kennen. Wanneer hij in het tweede deel wordt opgenomen in de anarchistische maffia, geeft Verhuyck een realistische toon aan zijn vertelling. Het lijfboek wordt volgeschreven met bloed van de meest uiteenlopende ?autoritaire” figuren en groepen. De spiraal van geweld en ?Jamesbonderijen” leidt uiteindelijk tot de moord op de kinderen en ex-vrouw van het hoofdpersonage. Autoritaire organisaties in de dop, zoals jongensscholen, moeten er immers ook aan geloven.

Verhuyck kiest, zoals gezegd, de omgekeerde weg van Ellis in ?American Psycho”. Ellis’ massamoordenaar maakt het zo bont dat het hyperrealisme van de eerste moordscènes onwerkelijk wordt. ?American Psycho” ontpopt zich tot een fabel over verveling in postmoderne tijden, een eigentijdse variant van ?De avonden” van Gerard van het Reve. Verhuycks initieel verhaal over een mysterieuze organisatie krijgt daarentegen geleidelijk aan meer reële trekjes en eindigt op een min of meer realistische, laconieke beschrijving van huurmoorden.

In het derde en laatste deel suggereert Verhuyck dat zijn bizarre moordenaar in de gevangenis terechtkomt waar hij opnieuw een moord pleegt op de gerechtspsychiater. In een ultieme begoocheling van almacht schept het hoofdpersonage uiteindelijk zelf de hele cosmos : ?Voorbij het pistool was er de pen, voorbij de moord was er het woord”. Zijn lijfboek is daarmee af en zijn missie op aarde blijkbaar ook, want pieper en zendertje vernietigen zichzelf.

HYPOCRIET.

Verhuyck vertelt dit onwerkelijk-werkelijk sprookje over een losgeslagen, gescheiden celibatair op een geloofwaardige toon. Hoe vreemd het er ook aan toegaat, toch hoedt de verteller zich voor al te grote overdrijvingen. Soms kan Verhuyck het niet laten om de eigen verbositeit te etaleren, maar in de regel blijft de fabel vrij lucide. Daardoor wordt de lezer regelmatig vergast op wonderlijk eenvoudige filosofische traktaatjes over de dingen des levens : het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke erotiek, de wet van de krimpende waarheid in een mensenleven, de alomtegenwoordige versplintering van het levensgevoel, tot en met een interessante hypothese over de specifieke, katholieke voedingsbodem voor het fictief ?leugenachtig” genre van de roman : ?De meeste zogeheten christenen leven juist in de grote afstand tussen tekst en daad, constant paradoxaal, hypocriet en schizofreen. Die enorme kloof verklaart waarom de roman een typisch verschijnsel van de christelijke beschaving is geworden. Roman is afstand, leugen en sjoemelen.”

Wat dat ?leugen en sjoemelen” betreft is Verhuyck inderdaad een meester. Zijn fabel mag dan wel niet zo exemplarisch zijn als het cultboek van Ellis, een lijfboek over het verlangen naar absolute vrijheid binnen de perken van een alles bestierende organisatie is het zeker geworden. Dat die organisatie slechts bestaat in de eigen verbeelding maakt de individuele vrijheid des te absoluter. Maar ook des te waanzinniger, zoals de slotscène van het boek reveleert. Absolute vrijheid, eigentijds ideaal van menige individualist, is een gevaarlijke fictie. Zou dat de boodschap zijn van Verhuycks intrigerende fabel ?

Frank Hellemans

Paul Verhuyck, ?De binnendienst”, De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen, 172 blz., 599 fr.

Paul Verhuyck : een filosofische fabel.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content