Erfgoed wordt pretgoed: de boom die Hiroshima overleefde, maar niet Bart De Wever

De vermaarde Japanse notenboom. © SASKIA VANDERSTICHELE
Stijn Tormans

Onze reporter schrijft een brief aan zijn nieuwe buren, Gert De Mangeleer en Joachim Boudens van het sterrenrestaurant Hertog Jan. ‘Welkom in onze buurt, heren. Maar eerst wil ik jullie rondleiden in een stad waar gewone mensen steeds minder welkom lijken.’

Beste Gert De Mangeleer en Joachim Boudens,

Tijdens mijn zwerftochten door Antwerpen kruiste ik jullie toevallig. Twee knappe mannenhoofden op een doek. Staalblauwe ogen. Zelfverzekerde blikken. Jullie namen stonden er niet onder, alleen: ‘Hertog Jan’.

Eerst dacht ik dat jullie conservators waren van een museum over de brave man. Een vriendin, die meer van de wereld is, lachte me uit om zo veel wereldvreemdheid.

Excuses, heren. Mijn kennis over gastronomie is bespottelijk klein. Op het web las ik dat jullie vroeger chef-kok en maître-sommelier waren van een driesterrenrestaurant in Brugge en Zedelgem. Jan en alleman kwam graag eten bij de hertog, maar vier jaar geleden stopten jullie ermee. Op een hoogtepunt, daar dromen we allemaal van.

Het was tijd voor nieuwe avonturen. Jullie trokken de wereld in, als echte avonturiers, en meerden aan in Antwerpen. Zowaar vlak bij mijn nederige woning, waar jullie een paar doeken hingen met jullie beeltenis. Ook een originele manier om kennis te maken. Maar bon, altijd fijn om nieuwe buren te hebben. Ook al zullen jullie hier maar halftijds leven. Jullie blijven in het hinterland wonen, maar worden ook ‘geïnspireerd door de energie en de dynamiek van de stad’.

Jullie nieuwe restaurant Hertog Jan at Botanic huist nu in het eeuwenoude Elzenveld, een van de laatste resten van het middeleeuwse Antwerpen. Ergens las ik dat jullie daar koken volgens het Japanse principe omakase. Dat betekent: ik geef me over aan de chef.

Ik geef me heel graag over, Gert en Joachim. Maar ik moet jullie al meteen ontgoochelen: de kans dat ik in de Hertog Jan een omakase ga doen, is onbestaande. Niet dat ik aan jullie kwaliteiten twijfel, integendeel. Maar 345 euro per persoon zonder drank, dat is te hoog gegrepen voor een bescheiden journalistenloon.

Het standbeeld van Maurice Gilliams in het middeleeuwse Elzenveld. 'Zouden de projectontwikkelaars de ironie snappen?'
Het standbeeld van Maurice Gilliams in het middeleeuwse Elzenveld. ‘Zouden de projectontwikkelaars de ironie snappen?’© SASKIA VANDERSTICHELE

Jullie zijn trouwens niet mijn enige nieuwe buren. De hele middeleeuwse site van het Elzenveld – vierentwintigduizend vierkante meter groot – is ingenomen door projectontwikkelaars. Al maandenlang zijn ze daar aan het werk. Ze willen er een Leading Hotel of the World bouwen: een van de dagen opent het Botanic Sanctuary Antwerp.

Onze oude knusse kringloopwinkel is ervoor moeten wijken. Het slag volk dat daar winkelt, is niet meer welkom.

De projectontwikkelaars mikken op ‘de Champions League’. Een suite huren op een zaterdagavond kost al gemakkelijk 5365 euro per nacht, al zijn er ook goedkopere kamers. Daarnaast komen er een ‘state-of-the-art spa’ en nog meer sterrenrestaurants.

Vanuit mijn bed hoor ik de projectontwikkelaars elke morgen kloppen en boren. En elke keer slaat mijn oude, al fel bloedende erfgoedhart dan een keer over. Jaloezie is nochtans niet een van mijn zwakheden. Ik gun jullie de verrukkelijkste omakases van de wereld. En voor mijn part bouwen de projectontwikkelaars suites van een miljoen per nacht voor de Champions League van het toeristengild. Maar dat jullie dat uitgerekend in het Elzenveld doen: meer symbolisch wordt het niet.

Bijna achthonderd jaar was het Elzenveld het paleis van de mageren. Daar, in de waanzinnig mooie gotische ziekenzalen, werden de armlastigen verzorgd die niet meer konden bedelen of wandelen. Of ze nu lepra hadden of een moederkorenvergiftiging.

Aan de ingang moesten ze biechten, maar daarna waren ze in goede handen. De lekenbroeders en gasthuiszusters van het Elzenveld volgden al sinds 1258 de regel van Augustinus: ‘Alles zij u gemeenschappelijk. Noemt niets uw eigendom.’ Elke week moesten ze die regel herhalen, tot ze doordrongen waren van mededogen.

Niet iedereen die op het Elzenveld kwam, was ziek. Mensen gingen ernaartoe om gratis kost en inwoning te krijgen. Ze kregen er brood en potagie: dikke erwtensoep met bonen, rapen en seizoensgroenten. En als de vasten voorbij was, werd er ook nog een scheut liesmout aan toegevoegd. De oude plantentuin was trouwens eerst de moestuin van het gasthuis.

Wie vertrok, kreeg een voedselpakket mee for the road. Al overleefde niet iedereen het. Tienduizenden mensen bliezen in het Elzenveld hun laatste adem uit. Terwijl naast hen een zuster waakte met een crucifix. Hun beenderen lagen er nog toen jullie en de projectontwikkelaars binnenkwamen.

Ik heb het even opgezocht, Gert en Joachim: Ten Elst staat al op het stadsplan dat Virgilius Bononiensis in 1565 tekende, maar het bestaat al veel langer. In 1238 opende het gasthuis op die plek. De grond was van de Hertog van Brabant – niet jullie Jan, maar Hertog Hendrik. Alle stadsbewoners hadden wel het vruchtgebruik. Het was dus een plek van de gemeenschap, van ons allemaal.

Dat las ik in een dik boek uit 1988, over de waanzinnige geschiedenis van Ten Elst. Professor Raymond M. Lemaire, de godfather van de monumentenzorg, schreef de inleiding. ‘Hospitalen behoren tot de voornaamste monumenten van onze middeleeuwse steden’, noteert hij. ‘Ze genieten wereldwijde faam dankzij hun uitzonderlijke architectuur, en de meesterwerken van de schilderkunst en de beeldhouwkunst die ze herbergen.’

De meeste van die ziekenhuizen zijn allang afgebroken door de geneeskundige revolutie, maar er zijn nog een paar beroemde overblijfselen. Zoals die van Tonnerre, Beaune of Brugge. Maar ook dat van het Elsenveld is uniek, gaat de professor voort. Niet alleen door de prachtige gotische ziekenzalen, maar omdat geen enkele plek in ons land vertelt over achthonderd jaar ononderbroken ziekenzorg. Dat dat verleden behouden is, vindt de professor prachtig. ‘Het monument kan nu weer de eeuwen trotseren, zonder te verzaken aan de doelstelling van de stichters.’

Die laatste zin, geschreven in 1988, bleek niet echt profetisch. Professor Raymond M. Lemaire is allang dood. Ik kan hem niet meer vragen wat hij ervan vindt dat de Kanunnik van Gestelzaal vandaag veranderd is in een feestzaal, die Amaryllis heet. Een plek waar alleen de allerrijksten grote sier mogen maken. Ik kan het ook niet meer vragen aan de legendarische stadsgids George van Cauwenbergh, die op het Elzenveld begraven werd. Maar ik weet wel zeker wat ze ervan zouden vinden.

Gert De Mangeleer en Joachim Boudens van Hertog Jan, met tussen hen de vermaarde Japanse notenboom.
Gert De Mangeleer en Joachim Boudens van Hertog Jan, met tussen hen de vermaarde Japanse notenboom.© SASKIA VANDERSTICHELE

Vandaag beweert de projectontwikkelaar dat ze een stuk Antwerpen ontsluiten dat voorheen gesloten was.

Dat is onzin in het kwadraat: het Elzenveld heeft achthonderd jaar met verve het algemeen belang gediend. Wij allemaal waren de vruchtgebruikers. Zelfs ik, simpele ziel, heb een verleden met het Elzenveld. Mijn halve inboedel kocht ik in de kringloopwinkel. Ik ging er naar fantastische tentoonstellingen kijken. En mijn zus is getrouwd in de prachtige gotische kapel.

Maar mijn favoriete plek in het Elzenveld was Den Botaniek. Dat is de oude plantentuin van het terrein. De uit de hand gelopen passie van een paar negentiende-eeuwse botanici. Zoals Claude-Louis Sommé, een merkwaardige Parijse chirurg mét wereldfaam die in zijn vrije uren naar de meest exotische zaden zocht.

Ik was er altijd ontzettend graag. Keek met grote ogen en open mond naar zijn erfenis. Ik staarde er naar planten met heerlijke namen zoals nachtschade, de zwarte nieswortel of Honky Tonk.

In de tijd van Sommé hoefde nog niet alles belevingsmomenten te hebben. Die zijn er dus niet in Den Botaniek. Of het zouden die rotsblokken in het midden van de tuin moeten zijn. Waar een bord naast staat: NIET KLIMMEN, GENIET VAN BENEDEN.

Maar zelfs daar, mijn beste Joachim en Gert, gebeuren vreemde dingen. Achter jullie doek, in de hoek van Den Botaniek, staat een grote ingesnoerde boom. Het is een Japanse notenboom – hij past bij het motto van jullie restaurant.

In het land van de rijzende zon verklaren ze die bomen heilig. En ook in de rest van de wereld staan ze symbool voor tijdloosheid en hoop, omdat ze onverwoestbaar zijn. Alles en iedereen hebben de Japanse notenbomen overleefd, zelfs meteorietinslagen en dinosaurussen. Ze kunnen wel duizend jaar oud worden. Niet kapot te krijgen.

Ooit hebben de Amerikanen het weleens geprobeerd, toen ze in 1945 een atoombom gooiden op Hiroshima: de stad was weg, tienduizenden doden, maar de Japanse notenbomen bleven gewoon staan. Ze waren even van slag, maar de maand erop kregen ze opnieuw bladeren. Alsof er niets gebeurd was.

Waar de Amerikanen met hun atoombom niet in geslaagd zijn, daar lijken de projectontwikkelaars wel in te slagen: een Japanse notenboom kapot krijgen. Ze hebben een betonblok in de wortelzone van de Japanse notenboom van Den Botaniek gegoten. Aan de bovenkant is hij ingesnoerd door een luifel: het doet zelfs pijn om ernaar te kijken.

Niet alleen de Japanse notenboom liep schade op. De projectontwikkelaars kregen nog twee pv’s van Onroerend Erfgoed, omdat ze de erfenis van Ten Elst beschadigd hebben. Dat lijkt hen niet echt te deren. In Gazet van Antwerpen zei hun ceo: ‘We gaan een algemene regularisatieaanvraag indienen. Dat is een manier van werken die niet ongebruikelijk is bij bouwprojecten van dergelijke omvang.’

Ik schrok van die uitspraak, erfgoeddeskundige Katherine Ennekens iets minder. ‘Zo veel lef heeft zo iemand natuurlijk alleen maar omdat hij weet dat het zou kunnen lukken. In Vlaanderen bestaan voorschriften en wetten, worden monumenten beschermd of in de inventaris voor onroerend erfgoed opgenomen. Maar wanneer het een eigenaar niet uitkomt, worden er altijd wel achterpoortjes of uitzonderingen gevonden. Dat is de kern van het probleem.’

Beste Joachim en Gert, we zijn op dreef. Laat ik jullie nog wat verder rondleiden door onze buurt. Het zal jullie niet ontgaan zijn, maar net naast jullie restaurant staat een standbeeld. Dat is Maurice Gilliams. Misschien lazen jullie hem niet in Zedelgem, maar in Antwerpen is hij een bekend schrijver.

Elke keer als ik vroeger in het Elzenveld was, ging ik hem salueren. Nederig boog ik het hoofd voor de grote schrijver. Omdat hij zo’n machtig boek als Elias of het gevecht met de nachtegalen geschreven heeft. Zijn Elias was bouwmeester te Antwerpen. Iemand met grootse plannen. Tot hij zag wat hij had aangericht en zelfmoord pleegde.

Ik vraag me af wat er straks met het standbeeld van Gilliams zal gebeuren. Zouden de projectontwikkelaars zo veel ironie snappen?

Ik gok van niet. In Het Laatste Nieuws klopte de ceo zichzelf alvast op de borst: ‘Wij zijn hier ruim drie jaar bezig met het Elzenveld. We hebben de vervallen historische site verbouwd tot een magnifiek geheel, iedereen feliciteert ons.’

Ook schepen van Stadsontwikkeling Annick de Ridder (N-VA) was mild in dezelfde krant. Ze vond weliswaar dat de regels gevolgd moesten worden, maar dat dit ‘een belangrijk project is met een grote meerwaarde voor buurt en stad’.

Meestal voegt ze eraan toe dat het vroeger toch maar een stadskanker was, maar deze keer kon ze zich inhouden.

Ze weet natuurlijk waar ze over spreekt. Wat verderop op de Meir ligt het Osterriethhuis. Niet gebouwd door arme luizen, wel door mensen met stijl. Het is een van de mooiste patriciërswoningen van de stad, ooit nog van de sloop gered door Camille Huysmans. Veel mooiere rococo is er niet te zien in de Lage Landen. Helaas werd het huis een paar jaar geleden verkocht aan een vastgoedmaatschappij.

Vandaag is het een winkelpand. Odette Lunette huist er. Fijn voor Odette en ons allemaal: iedereen kan er een modieuze bril kopen. In de hal waande ik me in een foute dancing in de jaren negentig. Rococo met pompende beats en flashy rode lichten.

‘We zullen de nieuwe investeerders weinig in de weg leggen’, zei het stadsbestuur een paar jaar geleden. Ze hebben woord gehouden, zoals ze altijd woord houden. De hele stad lijkt wel één grote omakase aan de projectontwikkelaars. We geven ons over, alles is te koop.

Een erfgoedconsulente vertelde me: ‘De vroegere burgerlijke stand uit de zestiende eeuw, waar ik als ongehuwde moeder mijn zoon moest gaan erkennen, is nu een super-de- luxe Marriotthotel met een luxueuze spa, gym en wellness, een cocktailbar en een gastronomisch restaurant. De prachtige aanpalende Handelsbeurs, waar ik als student in de jaren zestig thés dansants en alternatieve beurzen meemaakte, is een koele, afstandelijke congresruimte waar je niet gezellig staat te kletsen, laat staan je brooddoos bovenhaalt. Ook de buurt rond het Steen verwijst niet meer naar de burcht die ooit het markgraafschap Antwerpen moest verdedigen, de norse gevangenis die het ooit was, de volkse en wellicht stinkende wijk rond de vroegere Sint-Walburgiskerk. Nu worden daar de gasten van cruiseschepen verwelkomd.’

De voorgevel van het voormalige gasthuis, dat nu een Leading Hotel of the world is. 'Meer symbolisch wordt het niet.'
De voorgevel van het voormalige gasthuis, dat nu een Leading Hotel of the world is. ‘Meer symbolisch wordt het niet.’© SASKIA VANDERSTICHELE

De herinrichting van Sint-Anneke op Linkeroever gaat dezelfde kant op: straks is er misschien geen camping meer, geen volkse radio Minerva. Zelfs de molen wordt mogelijk overgebracht naar Hoboken. Maar intussen komen er wel dure sportclubs en exclusieve horecazaken.

Ik wil de projectontwikkelaars nog een goede tip geven: de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal staat leeg. Die is ook eigendom van de stad. Misschien toch eens informeren of die toevallig niet te koop is. Dat zou pas een uniek Leading Hotel of The World kunnen worden: de Cathedral Sanctuary Antwerp.

De authentieke elementen kunnen gerenoveerd worden, maar uiteraard met modern comfort en een lift zoals in het Gravensteen. En intussen die Rubens eens wat opfrissen, want die is nu toch ook niet meer van deze tijd. Een paar belevingselementen zou het werk van de oude meester goed doen.

Misschien, beste Gert en Joachim, vragen jullie zich nu af of al die monumenten dan leeg moeten blijven. Nee, liefst niet. Een leeg monument is een dood monument, lang leve het leven.

Alleen zou het fijn zijn als die eens echt het algemeen belang zouden dienen. Niet ‘het algemeen belang’ waar Annick De Ridder steeds over praat: dat van de projectontwikkelaars, die erfgoed tot pretgoed degraderen.

Ze kunnen het ook. Een paar jaar geleden klaagde ik de toestand van de Fierensblokken aan, een prachtig modernistisch monument van de sociale woningbouw. Vandaag zijn ze die met veel liefde aan het restaureren tot een nieuw monument van de sociale woningbouw.

In Gent maakten rijke investeerders vorige week bekend dat er een paar luxeflats in het dertiende-eeuwse Geeraard de Duivelsteen komen, maar ook dat het grootste gedeelte voor jongeren blijft. Driewerf hoera, hoewel. Ook daar, in dat progressieve hol, loopt het even vaak fout.

Over een paar maanden opent Delhaize een nieuw filiaal in de prachtige Sint-Annakerk, een mix van Byzantijnse, romaanse en gotische stijlen. De moedige muzikant Mikhail Bezverkhny heeft uit protest maandenlang elke dag viool gespeeld voor het portaal, maar ook hij kon het onvermijdelijke niet beletten: straks is er een wijnbar aan het orgel en melk aan de sacristie. Ze gooien daar zelfs ’t Pand op de markt, een prachtig oud klooster in het Patershol.

Beste Joachim en Gert, misschien vinden jullie mij conservatief. Ik spreek jullie niet tegen: als het over erfgoed gaat, kan een mens niet conservatief genoeg zijn.

Onlangs presenteerde onze schepen van Erfgoed en de zelfverklaarde conservatief Bart De Wever samen met Axl Peleman een programma op de regionale zender ATV. Hij vertelde over de geschiedenis van de stad en zijn voorgangers. Ook al wandelde hij in een wijde boog om het Elzenveld heen, het was best interessant.

Toch vroeg ik me af hoe zijn toekomstige collega’s over hem zullen oordelen. Misschien zal de burgemeester van 2522 (m/v/x) het Elzenveld niet overslaan op ATV, maar daar een onvoorstelbaar sociaal verhaal vertellen over de stad van de eenentwintigste eeuw. Over alle omakases aan de projectontwikkelaars ook. Met anekdotes over de oude Kanunnik van Gestelzaal en de Japanse notenboom, die duizend jaar had moeten worden maar helaas.

Maar misschien zal in 2522 ook niet alles verdwenen zijn. En zal hij/zij/x in Den Botaniek, tussen de nachtschade en de zwarte nieswortel, naar de grond wijzen. Naar een overwoekerd relikwie uit de tijd dat er nog mensen met een gewoon maandloon in de stad rondliepen. Een stenen regel van voormalig stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen: ‘De zwervers verdreven, toen engelen zwegen.’

Welkom in onze buurt, mannen.

Succes met jullie omakases.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content