Sommige mensen hebben geen inleiding nodig. Will Ferdy is zo iemand. In juni, op zijn 87e, stopt de zanger met optreden. ‘Ik wil geen karikatuur van mezelf worden.’

Midden in het interview gaat de telefoon.

– ‘Hallo met Will Ferdy Producties’, zegt hij. ‘Aha dag Frans, heb je mijn brief ontvangen? (…) Frans, het spijt me, ik moet u onderbreken. Ik zit midden in een interview met Knack. (…) Haha, ik zal het hem zeggen. Dag Frans.’

– ‘Frans is een van mijn grootste fans’, legt hij uit.

– ‘Wat moest u mij zeggen?’

– ‘Dat je er een mooi afscheidsstuk van moet maken.’

In juni stopt hij met optreden, 62 jaar nadat hij in Ieper zijn eerste onemanshow gaf. ‘Ik zal misschien nog wel een liedje schrijven’, zegt hij. ‘Of het laatste deel van mijn biografie Ik weet wat liefde is: er is nog zo veel te vertellen. Vorige week vroeg iemand me iets over een optreden in de Beursschouwburg in Brussel. Wanneer dat was ben ik vergeten, maar niet de recensie van Johan Anthierens. Hij brak me, zoals altijd, compleet af. “De afwezigen op de avond met Will Ferdy hadden gelijk.” De weken daarna zaten mijn zalen vol. Zijn lezers dachten wellicht: zo slecht kan die Ferdy toch niet zijn? Dat moeten we zien!’ (lacht)

Ik kijk rond in zijn appartement. Op tafel ligt een iPad. Aan de muren: oude foto’s, kaarten en platen. ‘Met die elpees is het ooit begonnen. Ik draaide thuis voortdurend muziek van Maurice Chevalier, Tino Rossi, Charles Trenet… Als ik goede punten haalde op school, mocht ik op donderdag naar de cinema. Daar zag ik mijn helden bewegen in zwart-wit. Al heel vroeg wist ik: dat wil ik ook doen, later. Maar in die tijd bestonden er nog geen talentenjachten. Overal ging ik vragen: mag ik een liedje zingen?

‘Overdag werkte ik als klerk in een bakelietfabriek. Op een dag was er een bonte avond van de sociale dienst en ik mocht optreden. Mijn collega zei: “Als je artiest wilt worden, moet je ook een artiestennaam hebben. Kies Will, want je wil het zo graag.” Ze had gelijk, vond ik. Ik heet eigenlijk Werner Ferdinande. Een mooie naam. Maar in Gent, waar ik toen woonde, was Frans nog een voertaal. Ze spraken mijn voornaam vaak uit als Wernèèèèr. Vreselijk. Dan leek Will Ferry een betere optie. Later is dat Ferdy geworden, omdat er al een Ferry bestond in Nederland.’

De jonge artiest maakte snel naam in Gent en zijn omstreken. Tijdens zijn legerdienst werd hij ingelijfd bij de Welfare: hij mocht optreden voor de bezettingstroepen in Duitsland.

‘Bij de Welfare heeft een manager me opgemerkt. Hij gaf me een eerste contract: drie maanden mocht ik artiesten aankondigen in de Ancienne Belgique in Antwerpen. Eén heeft daar onlangs een serie over gemaakt, Oud België, maar dat vond ik een schande. In werkelijkheid had den Ancienne allure, een beetje zoals de Olympia in Parijs. Alle groten kwamen er optreden: Louis Armstrong, Gilbert Bécaud, Annie Cordy… Vanuit de coulissen hield ik hen in het oog: hun tics, hoe ze een publiek inpakten, wat ze deden als het fout liep. Daar heb ik mijn vak geleerd.’

Ferdy zag hen ook in de kleedkamers van Oud België: het leven na het applaus, hun twijfels en ontgoochelingen. Hij besefte dat het leven van een artiest niet alleen hoogdagen telt.

En toch. Al snel versierde hij zijn eerste platencontract. In 1950 had hij zijn eerste hit: Ziede gij mij gere. ‘Die schlager was zowel een vloek als een zegen. Het betekende mijn grote doorbraak. Maar ik wou nummers brengen met meer inhoud. De mensen die naar mijn optreden kwamen voor Ziede gij mij gere zagen dat niet zitten. Terwijl de mensen die van het betere lied hielden, zeiden: “dat is die zanger van…” Later in mijn carrière, bij mijn outing, is me dat nog overkomen. Ik was een zanger die toevallig ook homo was. Helaas voelde ik me soms meer een homo die toevallig zanger was.’ (lacht)

‘Beu om steeds weer over die outing te praten?’, vraag ik.

‘Eigenlijk wel’, lacht hij. ‘Alhoewel. Nog altijd komen homo’s naar me toe: “Bedankt Will, je hebt veel voor mij betekend.” Terwijl ik nooit een boegbeeld van de homobeweging heb willen zijn. Ik outte me alleen voor mezelf. Homo zijn in de jaren vijftig en zestig was niet vanzelfsprekend. Alles moest in het geheim gebeuren. Er waren wel bijeenkomsten achter gesloten deuren waar homo’s samenkwamen. Ik weet nog dat ik daar de eerste keer ging aanbellen, zo zenuwachtig als wat. Niet dat er veel gebeurde: alleen mensen die aan een tafel zaten en wat praatten. Toch was ik dat stiekeme gedoe kotsbeu.

‘Bijna niemand weet dat, maar voor die beruchte outing had ik me eigenlijk al geout op de radio. In de zomer van ’70 zouden ze een portret van me maken. Ik kwam binnen in het omroepgebouw. “Will, we zitten met een probleem”, zei producer Jos Tuerlinckx. “We hebben uw ex-pianist geïnterviewd en die heeft iets vreemds gezegd. Maar geen zorgen, we knippen dat eruit.” Hij liet me de geluidsopname horen. “Will en ik hebben een goede band”, zei mijn ex-pianist, “maar hij gedraagt zich soms wat afstandelijk. Dat komt, denk ik, omdat hij… homofiel is.”

‘Het werd stil in de studio. Jos keek naar mij. “Oef”, zei ik. “Het woord is gevallen. Eindelijk is het gedaan met uitvluchten zoeken. Jos, je mag dat fragment zeker niet knippen.”

‘Net na de uitzending liep ik over de zeedijk van Blankenberge. Ik was heel zenuwachtig, bang voor de reacties. Maar niemand sprak me aan. Tot ik plots een meisje hoorde zeggen: “Gij zijt niet voor de meiskes, hè.” En een nicht van me die ik toevallig tegenkwam, zei: “Ik hoorde je op de radio. Knap dat je eerlijk was.” Dat was het. Wat later sprak Steven de Batselier me aan (professor psychologie, die homoseksualiteit in de jaren zeventig acceptabel probeerde te maken, nvdr).Hij vroeg of ik die outing wou herhalen op televisie: voor Inspraak, een programma over marginalen zoals drugs- en drankverslaafden. In die categorie hoorden homo’s toen thuis. Dan is de bom gebarsten. Het Algemeen Nationaal Zangfeest zei met een smoes mijn optreden af, net als andere organisatoren… Maar er waren ook goede reacties. Nooit vergeet ik een operette in Leuven. Toen ik midden in de voorstelling opkwam, kreeg ik een staande ovatie.’

Tijden veranderen. ‘Als ik nu zie hoe mensen reageren op de outing van Luc Appermont en Bart Kaëll… Ze worden op een voetstuk gezet, terwijl ik destijds een zware rekening betaald heb. Maar ik ben blij voor hen, hoor. Zij kunnen tenminste voor hun geaardheid uitkomen. Er zijn andere Vlaamse zangers: als zij zich zouden outen, staat Vlaanderen op zijn kop. Maar ze zullen dat niet doen. Ze hebben decennia een hetero-imago opgebouwd, zoveel liefdesliedjes gezongen voor hun echtgenote. Ze kunnen gewoon niet meer terug.’

– Volg je de homobeweging nog?

– ‘De slinger is wat te ver doorgedraaid, vind ik. Ik ben bijvoorbeeld geen fan van al die gay prides. Of van holebi’s die op straat elkaar zitten af te lebberen. Dat helpt onze zaak niet vooruit. De mensen denken alleen maar: daar zijn ze weer, die viezeriken. Daarom heb ik mijn outing destijds heel sereen aangepakt. Ik wou er geen evenement van maken, zoals Robert Long dat later wel deed. Hij heeft daar echt mee gekoketteerd. Met succes trouwens: zijn zalen zaten vol homo’s. Terwijl er bij mij amper zaten. Daarvoor deed ik te gewoon, ik zong geen liedjes om te choqueren. Na mijn outing ben ik me ook beginnen te vermannelijken. Ik observeerde in televisieopnames of ik niet verwijfd overkwam. Want dat wou ik absoluut niet zijn: ik was verliefd op mannen, niet op een verkapt wijf. Ik ben blij als ik tegenwoordig Elio Di Rupo op het scherm zie: hij is premier, homo en gedraagt zich helemaal niet vrouwelijk. Een voorbeeld.’

Een paar dagen later, feestzaal ’t Centrum in Leffinge, niet ver van de Noordzee. Ferdy gaat hier straks optreden, voor de christelijke gepensioneerden van het dorp. Terwijl die een dame blanche eten, praten we verder in zijn kleedkamer. Op de tafel staat een thermos met koffie.

– ‘Zenuwachtig?’, vraag ik hem.

– ‘Een beetje de trac‘, zegt hij. ‘Maar dat moet zo.’

– Treedt u hier graag op?

– ‘Net zo graag als in een cultureel centrum of in een bejaardentehuis. Daar zitten nu de mensen die groot geworden zijn met mijn muziek. Een heel dankbaar publiek.’

-U bent zowat de enige van uw generatie die nog op de planken staat.

– ‘Ik ga vaak naar begrafenissen van collega’s. Best wel een vreemde ervaring, want elke keer zie ik ook mijn eigen begrafenis. Soms kom ik nog weleens journalisten van weleer tegen. “Weet je nog, Will”, zeggen ze dan. “De goede oude tijd van Peterke.” (zijn bekende typetje met kinderstem uit de jaren vijftig en zestig, nvdr) Ja, denk ik dan, die goede oude tijd waar jij mij de grond in boorde. (lacht) Niet alles was vroeger beter. In de jaren vijftig was het publiek vaak luidruchtig. Dat is eigenlijk pas beginnen te veranderen toen de televisie zijn intrede deed. Mensen moesten stil zijn in de studio’s. Het publiek zag dat op tv en imiteerde dat in de zalen. Eigenlijk heeft de tv hen opgevoed.’

Toch, zegt hij, mist hij de dagen van Oud België weleens. ‘De gezelligheid, het intense genot, de sfeer van toen… het is allemaal verdwenen. Onlangs ben ik nog eens naar het Sportpaleis geweest voor een optreden van Neil Diamond. Vreselijk was dat: die betonnen muren, de artiest die verzoop tussen de tientallen spots en dat donderende geluid.’

Halfdrie ’s middags. De dame blanche van de christelijke gepensioneerden is verteerd, Ferdy stapt het podium op, maar niet zonder ongelukken. De geluidsinstallatie piept en kraakt langs alle kanten. ‘Het spijt me dat de klank niet goed is,’ zegt hij tegen het publiek, ‘het is lang geleden dat ik zo veel plankenkoorts gehad heb.’

Hij recht zijn rug en zegt: ‘De vrouw van Jean Walter had daar ooit een middel tegen. “Will”, zei ze. “Voor je het podium opstapt, moet je honderd keer tegen jezelf zeggen: Ik ben de beste, ik ben de beste…” Dat doe ik dus ook. Maar die truc werkt maar voor de helft. Ik kan dan wel geloven dat ik de beste ben, maar het publiek weet dat niet, he?’

De christelijke gepensioneerden lachen. Ferdy pakt ze in met 65 jaar ervaring. Een paar nummers ver en de technische problemen lijken nog maar een verre echo. Na het optreden, zoek ik hem opnieuw op in de kleedkamer.

‘Dat hebt u goed opgelost’, zeg ik. ‘Hebt u dat ook geleerd in Oud België?’

‘Ik ben zwaar ontgoocheld’, antwoordt hij. ‘Na die valse start, stond ik werkelijk te sterven op het podium. Zelden gebeurd. Ik toonde maar twintig procent van wat ik kan. Net nu jij er was….’

Hij schenkt koffie uit zijn thermos. Signeert zijn boek De Moeilijke Jaren: ‘Voor Stijn. Dank voor de appreciatie en waardering. Will.’

Ik praat wat met Roger Nupie, die hem tijdens optredens vaak vergezelt. Een beetje zijn officieuze roadmanager. ‘Will is kapot van die valse start’, zegt hij. ‘Straks, op de terugweg, gaat hij er niet over kunnen zwijgen. Tot ik zal zeggen: “Komaan Will, zo erg was het nu ook niet.” Hij is echt een artiest van een andere generatie: iemand die zich altijd op zijn best aan het publiek wil presenteren. Het is geen toeval dat hij altijd in een gekleed kostuum optreedt. Vooraf vraagt hij mij: “Is het goed zo? Heb ik dit kostuum al niet te veel aangehad?” Alsof iemand zich dat nog herinnert. Maar het bewijst hoeveel beroepsernst en professionalisme hij heeft. Als het een keer niet lukt, zoals vandaag, is dat een ramp. Daarom wil hij ook stoppen met optreden. Nu voelt hij zich nog goed, maar hij wil geen karikatuur worden van zichzelf.’

Roger is niet alleen fan van Ferdy, hij is ook voorzitter van de Internationale Nina Simone-fanclub. Jaren was hij zelfs de vertrouwenspersoon van Simone, hij trok met haar mee op tournee. ‘Nina en Will zijn niet te vergelijken. Nina was een heel groot artiest. Maar ook psychologisch labiel, ze was wat ze eigenlijk niet wou zijn. Terwijl Will evenwichtig is, bijzonder loyaal tegenover zijn fans en de mensen met wie hij samenwerkt. Eén ding delen ze: ze zei allebei ongelofelijk eigenzinnig. Will blijft ook nu nog songs componeren. Hij teert niet op zijn verleden. Af en toe vragen ze hem: “Maar Will, kun jij niets zingen waarop we kunnen dansen?” “Dansen moeten ze thuis doen”, zegt hij dan. “Ik zing luisterliedjes.” Dat vind ik zo fantastisch aan hem: hij is op zijn 87e nog altijd een jonge rebel. Natuurlijk speelt die eigenzinnigheid hem ook parten. Hij brengt geen schlagers, maar ook geen kleinkunst. Eigenlijk is hij een genre op zich. Daardoor valt hij soms tussen de plooien.’

En toch, zegt Roger, krijgt hij overal staande ovaties. ‘Niet alleen van oude mensen, ook van alternatieve muzikanten zoals Stef Kamil Carlens van Zita Swoon. Een vriend van mij is een hardrocker met allemaal tattoos. “Waarom ga jij toch altijd naar die Will Ferdy?”, vroeg hij mij ooit. “Kom eens kijken”, zei ik hem. Op een dag is hij komen kijken. Hij was tot tranen toe geroerd.’

Vijf uur in de kleedkamer.

Rij je straks zelf met de auto naar huis?, vraag ik aan Will.

‘Natuurlijk,’ zegt hij, ‘ik ben toch geen oude man.’ (lacht)

Tijd voor nog een anekdote, one for the road. Het gebeurde niet zo lang geleden in Antwerpen, net voor een optreden. ‘Ik liep op straat, in gedachten al bij het optreden. Tegenover mij liep een vrouw met een hondje. We botsten net niet op elkaar. “’t Is niet waar,” riep ze, “’t is niet waar.”

– “Wat is er niet waar, mevrouw?”, vroeg ik.

– “Gij lijkt als twee druppels water op Will Ferdy.”

– “Ik ben Will Ferdy, mevrouw.”

– “O, ik hoop dat ge niet geaffronteerd zijt. Maar ik hou van uw liedjes, hoor. Er is iets wat ik u altijd wou zeggen. U mag niet kwaad worden. Maar elke keer als ik u op televisie zie, denk ik: kan die man niets aan zijn gezicht laten doen? Zodat hij er weer jonger uitziet, zoals iedereen?”

– “Mevrouw”, antwoordde ik, “Wat moet ik doen? Zelfklevende jeugdpuistjes opplakken? Dat ga ik niet doen. Ik ben trots op elke rimpel die ik heb.”

‘Dat is ook de waarheid. Alleen wordt dat in de huidige mediawereld niet echt geapprecieerd. Door VTM bijvoorbeeld word ik al jaren genegeerd. Wat een verschil met Duitsland of Frankrijk: daar zenden ze in de namiddag veel muziek van oude artiesten uit. Ze koesteren daar hun oude iconen. Jonge artiesten verdienen natuurlijk kansen. Zoals ik die ook ooit gekregen en gegeven heb. Met de ‘Grote Prijs Will Ferdy’ onder meer: mensen als Frank Dingenen en Kommil Foo hebben die ooit nog gewonnen, al zien die laatsten dat nu blijkbaar als een smet op hun carrière. Dat heeft me weleens pijn gedaan.’

– U trad twee jaar geleden in de KVS op tijdens ‘Niet in onze naam’, een evenement tegen de splitsing van België.

– ‘Ze hadden me gevraagd, maar ik sta er ook achter. Ik zou het heel erg vinden als België uiteen zou vallen. Maar vraag me niets over politiek, want daar weet ik niet veel over. Een tijd geleden vroeg een politieke partij of ik op hun lijst wou staan. “Doe niet onnozel”, heb ik geantwoord. (lacht) Dat optreden in de KVS was ook een eerbetoon aan mijn vader. Een bekende fietsenmaker, maar eigenlijk had hij gestudeerd voor architect. Hij was ook een fantastische tekenaar. Alleen heeft de oorlog van ’14-’18 zijn droom kapotgemaakt: zeven jaar is hij soldaat geweest, hij is er later ook door gecrepeerd. Toch bleef hij tot zijn laatste dag een patriot. De oorlog had hem zo veel afgenomen, maar hij bleef fier op het land waar hij voor gevochten had.’

– Was hij ook trots op u?

– ‘Toen ik hem vertelde dat ik beroepsartiest wou worden, begreep hij dat niet. Hij was van een andere generatie, vreesde dat ik mijn kost niet zou kunnen verdienen als artiest. Tot hij zag dat ik het aan het maken was, dat mijn droom uitkwam: toen werd hij mijn grootste fan.’

De koffie uit de thermos is lauw geworden. Ferdy stapt in zijn auto. ‘Ik hoop dat mijn laatste optreden binnenkort iets mooier zal zijn’, zegt hij. Hij steekt zijn hand op, doet de deur dicht en rijdt weer het land in.

Een paar dagen later krijg ik een mail. ‘Dag Stijn. Ik ben gelukkig al wat bekomen van de armzalige prestatie die ik geleverd heb in Leffinge. Intussen hebben wij al kunnen uitmaken wat de oorzaak is van het falen van onze geluidsinstallatie: het zijn de luidsprekers die de geest hebben gegeven. Daar kunnen we gemakkelijk iets aan doen. Groetjes, Will.

Alles in het leven is een kwestie van timing. Nog zo’n les die hij geleerd heeft in Oud België.

DOOR STIJN TORMANS, FOTO’S SASKIA VANDERSTICHELE

‘Ik ben geen fan van gay prides. Of van holebi’s die op straat elkaar zitten af te lebberen. Dat dient onze zaak niet. De mensen denken alleen maar: daar zijn ze weer, die viezeriken.’

‘Hij is echt nog een artiest van een andere generatie. Iemand die zich altijd op zijn best aan het publiek wil presenteren. Als dat niet lukt, is dat een ramp.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content