De Belgische gymnast met de merkwaardige voornaam staat voor het belangrijkste toernooi uit zijn sportleven. Haalt Donna-Donny Truyens op het WK van Tokio de top drie, dan mag hij naar de Olympische Spelen. In Londen zou Truyens een reële kans op een medaille hebben.
Er zijn momenten dat je plaatsvervangend teleurgesteld kunt zijn voor wat een topsporter overkomt. Neem Donna-Donny Truyens op de World Cup van Gent. Het laatste grote toernooi voor de levensbelangrijke wereldkampioenschappen, voor eigen publiek, met een Truyens die duidelijk in topvorm verkeert. Tijd om vertrouwen te tanken met oog op het WK in Tokio, denk je dan. Het liep anders. Truyens verloor zijn ritme bij een spinbeweging en viel van het paard met een gezicht dat riep: nu mag de aarde mij opslokken.
‘Ja, er zijn zo van die dagen…’ lacht de gymnast wrang. ‘Ik heb het ondertussen wel verwerkt, maar eigenlijk snap ik nog altijd niet hoe het zo mis is kunnen gaan in Gent. Ik weet nog dat ik de mat op kwam met het gevoel: vandaag ben ik super. Ik had een mooi opgebouwde voorbereiding zonder blessures, en dat is al het halve werk. En toch ga ik op een domme manier in de fout. Het lag aan de druk van de thuismatch, denk ik. Op je eigen wereldbeker een medaille pakken is bijna een verplichting, en het was mij nog niet eerder gelukt. Ik voelde dat het er nu wel in zat, en daar ben ik slecht mee omgegaan. Oké, dat pakken we mee naar volgende keer. Ik ga nu niet beginnen te twijfelen. De andere wereldbekers zijn goed geweest, de Universiade was top, zelfs de kwalificaties in Gent waren heel sterk. Alles liep gesmeerd, behalve die ene dag. Er zijn meer redenen om optimistisch te zijn dan om de zaken negatief te bekijken. Met die instelling vertrek ik naar Tokio.’
Dixit Donna-Donny Truyens, zonder discussie de beste Belgische turner van het moment, en misschien wel aller tijden. De gymnast die genoemd werd naar Roberto Donadoni, de vroege sterspeler van AC Milan, staat voor het belangrijkste toernooi van zijn carrière. De top drie van het WK van Tokio plaatst zich voor de Olympische Spelen en mocht de Leuvenaar daarin slagen, dan kan er veel. Het is geen onrealistische doelstelling. Na het vorige wereldkampioenschap had Truyens zelf nog met veel zelfvertrouwen verklaard: ‘Volgende keer pak ik een medaille.’
De gymnast lacht en lijkt wat gegeneerd door zijn eigen branie: ‘Zoiets zeggen is makkelijk, het waarmaken is nog iets heel anders. Pas op, ik geloof er zeker in en ik denk ook echt dat ik er korter bij aanleun dan toen. Technisch heeft het altijd al goed gezeten en ondertussen ben ik conditioneel ook een stuk sterker. Vroeger zat ik aan het eind van mijn oefening op mijn tandvlees, was het harken om de finish te halen. Dat zou nu niet meer mogen voorvallen. Dus ja, een medaille kan. Als ik in de WK-finale raak, maak ik echt kans. En dan is de kwalificatie voor de Olympische Spelen binnen.’
Droom je van de Spelen?
Donna-Donny Truyens: Dat is gegroeid. Vroeger mochten alleen allround turners en de wereldkampioenen van de toestelnummers naar de Spelen. Ik wist dat ik daar niet op moest hopen en je richt je daar dan ook niet op. Waarom tijd verdoen aan een onhaalbaar doel? Nu de reglementen zijn aangepast, maak ik wel een kans. Het is nog altijd heel moeilijk, maar er is tenminste een opening.
Natuurlijk hebben de Spelen altijd ergens achter in mijn gedachten gezeten. Je ziet daar allround gymnasten van wie je denkt: ‘Verdorie, die zijn eigenlijk niet beter dan ik. Waarom ben ik daar niet?’
Maar ja, het internationale turnen is gericht op de allrounders, op de teams en op de toplanden. Als je daarbuiten valt, is het hoe dan ook moeilijk. Alsof in de atletiek alleen de meerkamp echt zou tellen, en bijvoorbeeld een honderdmeterloper niet voor vol wordt aangezien als hij ook niet goed kan speerwerpen. Ik vind dat niet logisch, maar oké, zo is het nu eenmaal. Ironisch genoeg is het ook gemakkelijker om een medaille te pakken op de Spelen dan op een WK, want in Londen zullen meerdere specialisten niet aanwezig zijn, wegens niet gekwalificeerd. De eerste horde is de lastigste.
Het is de enige kans die ik heb om mij te plaatsen voor de Spelen, de druk zal hoog zijn in Tokio. Ik moet op het WK trouwens sowieso nog op twee andere toestellen het olympisch minimum turnen. Daarvoor moet je 85 procent van de gemiddelde score halen, wat een formaliteit zou moeten zijn. Ik mag al een fout maken, dan haal ik die norm nog.
Het paard met bogen, waar jij specialist in bent, staat bekend als een van de meest stressgevoelige onderdelen binnen het turnen. Je hebt niet alleen stalen spieren nodig, maar ook stalen zenuwen.
Truyens: Het paard is ongenadig hard, ja. Het is direct game over: één fout en je staat naast het toestel. Op de andere kun je nog iets herstellen, een miniem onevenwicht hoeft zelfs niet op te vallen. Nergens is de druk groter dan op het paard, maar dat is tegelijk ook wat mij aantrekt. De truc is: niet te veel bij nadenken.
Een turner moet uitvoeren en zo weinig mogelijk denken?
Truyens: Denken is slecht. ( lacht) Of nee: denken over zaken waarvan je moet veronderstellen dat je ze kunt, dát is slecht. Je moet wel blijven redeneren en anticiperen: turnen is en blijft ook concentratie. Maar je mag niet de fout maken alles in vraag te gaan stellen, zeker niet tijdens de wedstrijd zelf. Je moet zo veel routine opbouwen dat de twijfel je niet kan overmannen.
Als je een fout maakt, zoals in Gent, spookt dat dan nog lang door je hoofd?
Truyens: Ik ben inderdaad geschrokken van mezelf: ik had niet verwacht dat ik nog zo zenuwachtig zou kunnen worden, zeker niet omdat mijn oefening eigenlijk heel rustig begonnen was. Naderhand was mijn zelfvertrouwen wat aangetast, dat geef ik toe. Maar oké, dan zoek je mensen op die je daarbij kunnen helpen, een mental coach bijvoorbeeld, en je probeert van een negatieve ervaring een positieve les te maken. Het is niet dat ik de neiging heb om die fout te laten liggen en er de rest van mijn dagen bang voor te zijn.
Ben jij beter op training, of haalt competitie het beste in jou naar boven?
Truyens: Oh, als ik in een wedstrijd maar bijna het niveau haal van de trainingshal, dan ben ik heel tevreden. Je hebt ook gymnasten die hun oefening puur op adrenaline kunnen brengen. Mannen die een paar maanden voor een groot toernooi nog nergens staan, en dan in competitie ontploffen. Dat is mijn talent niet. Ik moet supergetraind staan. Herhalen, herhalen en nog eens herhalen, om het dan hopelijk ook in de wedstrijd te tonen. Ik moet me inprenten: ‘Donny, je bent goed voorbereid, je bent er klaar voor, je hebt die oefeningen zo vaak op training gebracht. Waarom zou je het dan nu niet kunnen?’
Een oefening op training duizend keer correct doen, en dan falen die ene keer dat het telt: dat moet frustrerend zijn.
Truyens: Dat is het zeker. Die ontgoocheling, het gevoel dat je maanden voor niets hebt getraind, dat is met geen pen te beschrijven. Daar kun je echt onder kraken, als je niet oppast.
Zit er nog rek op de moeilijkheidsgraad waarop je nu turnt? Kan het nog beter?
Truyens: Ik heb mijn oefening van het vorige WK nog twee tiende moeilijker gemaakt. Die van vroeger, die met moeilijkheidsgraad 6.6, beheers ik heel goed. Die kan ik bij wijze van spreken elke dag brengen. De 6.8 bewaar ik voor speciale gelegenheden. Die oefening is mijn absolute limiet, en ze lukt zeker niet elke keer.
In de WK-finale zal ik moet gokken: turn ik de moeilijke of de makkelijker variant? Veel zal afhangen van de loting. Stel dat ik laat in de finale turn en ik weet dat een propere 6.6 genoeg is, dan ga ik geen risico nemen. Moet ik mijn 6.8 riskeren, dan is het echt alles of niks. Het begin van mijn oefening wordt zeer, zeer belangrijk. Als ik die goed doorkom en het juiste ritme vind, komt het wel goed. Op het paard moet je het goede gevoel zien vast te pakken. Dan krijg je zelfvertrouwen en gaat alles een stuk vlotter.
Je coach, Martin Weibel, zegt dat jij technisch de beste turner ter wereld bent op het paard.
Truyens: Hij overdrijft. Ik ben de beste Europeaan. De Chinezen zijn gracieuzer en lichter gebouwd en kunnen technische kunststukjes bovenhalen die voor mij lichamelijk gewoon onhaalbaar zijn. Maar mijn techniek is zeker wel goed. De jury’s trekken nooit veel punten af voor uitvoering – een teken dat ik gaaf sta te turnen.
Op het komende WK zitten de beste twee Chinese paardturners trouwens niet in de selectie, waarschijnlijk omdat ze onvoldoende zijn op de andere toestellen. Dat is een geluk, weer twee medaillekandidaten minder. Het zou best kunnen dat die twee voor de Spelen wel opgevist worden. China plaatst zich meer dan waarschijnlijk als team, en nadien kunnen ze de ploeg invullen zoals ze dat zelf willen. Wie meegaat, hangt af van de beslissing of ze mikken op teamgoud of op individuele medailles.
Wat als het misloopt en je Londen dus niet haalt?
Truyens: Dan moet ik een keuze maken. Ga ik nog voor een volledige olympische cyclus van vier jaar of niet? Ik ben nu 22. Tijdens de Spelen van Rio de Janeiro zou ik 27 zijn. Dat is niet jong meer. Je zou dus ook kunnen redeneren: misschien is het moment aangebroken om te oogsten op EK’s en WK’s omdat veel andere atleten op de Spelen mikken en dus aan het opbouwen zijn voor de lange termijn.
Ik voel dat ik als turner op mijn piek sta. Als ik ooit kan stunten, is het nu. Maar zelfs dan: één foutje op het WK en baf! Alles is afgelopen. Daar moet je goed mee omgaan, de wetenschap dat het direct over kan zijn. Ik weet dat het nu moet gebeuren en dat ik me geen enkele aarzeling kan veroorloven. Maar dat mag me ook niet verlammen.
Van turnen word je niet rijk…
Truyens: Daarover zijn we het eens.
… en er is ook geen Belgische turntraditie die jou kan hebben geïnspireerd. Hoe komt het dan dat een jongen uit Kessel-Lo profgymnast is geworden?
Truyens: Ik was een knaapje dat aan gymnastiek deed, zoals zovelen. In 2007 mocht ik meedoen aan het Europees Kampioenschap in Amsterdam, waar ik, totaal onverwacht, in de finale raakte. Met meer geluk dan kunde, besef ik intussen. Toen is het beginnen te groeien. Ik begon te beseffen dat ik als gymnast iets kon betekenen. Dus ja, dan zet je alles op alles en word je prof. Ondertussen heb ik mijn studie op pauze gezet om dit WK voor te bereiden. Afhankelijk van wat er in Tokio gebeurt, zien we daarna wel of ik weer ga studeren of niet.
Turnen is een jurysport. Verloopt de puntenverdeling eerlijk?
Truyens: Als je een heel goede oefening turnt, moet de jury je de punten geven die je verdient. Het wordt pas link als je een klein foutje maakt. Dat rekenen ze een Belg toch zwaarder aan dan een Chinees, denk ik. Al moet ik zeggen dat jury’s met mij altijd correct zijn geweest. Ik turn dan ook vrij proper, ze kunnen er niet veel op aanmerken. En ik heb ondertussen ook een reputatie opgebouwd, dat speelt mee.
Wat verwacht je van de andere Belgen in Tokio?
Truyens: Jimmy Verbaeys en Thomas Neuteleers zijn laatstejaarsjunioren die hun eerste WK bij de volwassenen turnen. Zij moeten ervaring opdoen zodat ze later, wanneer hun niveau beter is, niet verlamd worden door de druk. Van grootse prestaties moeten ze nog niet dromen, dat weten ze zelf ook wel. Het zou al een succes zijn als een van de twee zich plaatst voor het Olympisch Test Event.
DOOR JEF VAN BAELEN
‘Het internationale turnen is gericht op de allrounders. Alsof in atletiek alleen de meerkamp zou tellen.’