In de regering staan de Duitse sociaaldemocraten in de schaduw van Angela Merkel. Links worden ze ingehaald door de nieuwe linkse partij van hun voormalige voorman, Oskar Lafontaine. ‘Alleen als de SPD weer een socialistische partij wordt, kunnen we praten.’
Zeer Geëerde Heer Bondskanselier,
Hierbij treed ik af als minister van
Financiën.
Met vriendelijke groet,
Oskar Lafontaine.
Dat was het zo ongeveer. Veel meer woorden maakte hij er niet aan vuil. Zijn vrouw hoorde van zijn ontslag zelfs voor het eerst op de radio. Waarom? Gewoon. Het klikte niet in de regering.
Daarmee kwam er in maart 1999, na minder dan een half jaar, al een einde aan het ministerschap van Oskar Lafontaine in de rood-groene ploeg van Gerhard Schröder. In een campagne die voor een deel rond hun in de media zorgvuldig gecultiveerde vriendschap was gebouwd, versloegen Lafontaine en Schröder de vermoeide en verdeelde christendemocratie van Helmut Kohl. Maar als het echt om de knikkers ging, bleef er van die vriendschap weinig over. Schröder was een relatief nieuw gezicht op het politieke voorplan en kwam erg vlot over voor de televisiecamera’s. Hij had ook snel door dat alleen een bedrijfsvriendelijke politiek met veel nadruk op de hervorming van de arbeidsmarkt de Duitse economie weer aan de praat kon krijgen. Van de plannen van Lafontaine voor meer sociale rechtvaardigheid in een veranderende wereld werd in Berlijn snel nog weinig gehoord.
Het kwam daarna niet meer goed tussen Oskar Lafontaine en zijn zoekende partij, de sociaaldemocratische SPD. Hij nam plaats aan de zijlijn en gebruikte zijn column in de boulevardkrant Bild om Schröder onbarmhartig door de mangel te halen. De bondskanselier was harteloos, neoliberaal en had geen oog voor de zwakken in de samenleving. De partij, van haar kant, spuwde Lafontaine uit. Hij werd een verwend kind genoemd – en een verrader. Dat was zeker het geval toen in de zomer van 2005, enkele maanden voor de door Schröder verloren parlementsverkiezingen, bekend werd dat Lafontaine kandidaat zou zijn voor het nieuwe verbond van ontgoochelde West-Duitse linksen en de voormalige Oost-Duitse communisten van de PDS.
De samenwerking was een groot succes: de Linkspartei, zoals ze werd genoemd, haalde ruim 8 procent van de stemmen. Het was de eerste keer dat de ex-communistische PDS en haar leider Gregor Gysi in het Westen van het land een voet aan de grond kregen. De twee delen van dat verbond smolten enkele weken geleden samen tot de eerste nieuwe, landelijke partij in Duitsland in 25 jaar tijd. Voorzitter van Die Linke is Oskar Lafontaine en die wordt nu stilaan meer dan zomaar een luis in de pels van de sociaaldemocraten – hij is goed op weg om een echte nachtmerrie van de SPD te worden. De partij bestuurt Duitsland met de christendemocraten van Angela Merkel. Maar terwijl Merkel de sociaaldemocraten steeds verder uit het centrum wegduwt, zet Die Linke met zijn felle kritiek de linkerzijde van de SPD onder druk.
De vergelijking van Lafontaine met de Nederlandse SP van Jan Marijnissen ligt voor de hand. Zoals de SP en een deel van de Franse Parti Socialiste laat Die Linke zich regelmatig bijzonder sceptisch uit over Europese samenwerking. Ze pleit ook op dezelfde manier voor belastingverhoging voor de rijken en voor een betere bescherming van de eigen werknemers tegen concurrentie uit de lagelonenlanden. Lafontaine keerde zich eerder fel tegen de plannen van de rood-groene regering om de uitkering voor werklozen in de tijd te beperken en tegen de massale instroom van goedkope buitenlandse werknemers. Fremdarbeiter, volgens Lafontaine – een begrip uit de nazitijd. Hij was nooit bang van een vleugje populisme.
PAK SLAAG
Oskar Lafontaine is een oorlogskind. Hij werd in 1943 in Saarlouis geboren, zijn vader overleefde de oorlog niet. Hij sloot zich al tijdens zijn studie in de natuurkunde in de jaren zestig bij de SPD aan en gold jarenlang als een van de grootste talenten van de partij. De legendarische socialistische voorman en bondskanselier Willy Brandt beschouwde hem als zijn oogappel. Op zijn 33e werd Lafontaine in 1976 burgemeester van Saarbrücken. In 1985 was hij premier van Saarland, een functie die hij tot 1998 zou bekleden. Hij probeerde in die tijd krampachtig om de staalindustrie in zijn deelstaat met subsidies in leven te houden en ging in het verzet tegen het zogenaamde dubbelbesluit van de NAVO, dat de installatie van Amerikaanse Pershing II-raketten op Duits grondgebied accepteerde. Bondskanselier was op dat moment zijn partijgenoot Helmut Schmidt.
Toch maakte de eigenwijze Lafontaine geleidelijk naam in de Duitse sociaaldemocratie. De linkerzijde koesterde hem als het geweten van de partij. In 1990 mocht hij het als kandidaat-kanselier opnemen tegen de christendemocraat Helmut Kohl. Het waren de eerste verkiezingen na de val van de Muur in Berlijn en Lafontaine kreeg van Kohl een zwaar pak slaag. Dat kon toen ook moeilijk anders. Hij pleitte tegen een hereniging van Duitsland en laakte de ko(h)lonisering van Oost-Duitsland door het westen. Hij had wellicht een punt, maar het was niet het moment om Duitsland daar op te wijzen. Hij raakte tijdens de campagne nog zwaar gewond ook, toen een vrouw hem tijdens een meeting met een mes aanviel.
Lafontaine kwam daarna pas in 1994 weer bovendrijven, toen de SPD hem na een nieuwe verkiezingsnederlaag toch weer voorzitter maakte om samen met Gerhard Schröder te proberen om het monument Kohl te kloppen. Slijtage en toestanden met partijgeld deden de christendemocraten in 1998 uiteindelijk de das om. Maar als minister in een regering die niet door zichzelf werd geleid, hield hij het dus niet lang vol. Daarvoor wou hij toch te veel zelf kanselier worden.
Maar nu is Oskar Lafontaine dus helemaal terug. Die Linke is volgens critici nauwelijks meer dan een verzameling werklozen, ontevreden vakbondsmensen en verbitterde SPD’ers, maar ze hebben in alle peilingen de wind mee. Een kleine tien procent van de SPD-leden zou er zelfs aan denken om naar de nieuwe linkse partij over te stappen. Bij de verkiezingen van 2009 moet het gebeuren. Een grootmoedige Lafontaine bood de tegenwoordig veelgeplaagde SPD-leider Kurt Beck in het weekblad Der Spiegel al aan dat hij kanselier mag worden van een rood-rode coalitie. Op voorwaarde natuurlijk dat de sociaaldemocraten eerst opnieuw sociaaldemocraten worden.
DOOR HUBERT VAN HUMBEECK