Het pact tussen Hollywood en de nazi's

22/09/13 om 09:42 - Bijgewerkt om 09:42

Hebben de filmstudio's in Hollywood gecollaboreerd met de nazi's? De Australische filmhistoricus Ben Urwand brengt met zijn omstreden studie een vergeten hoofdstuk uit de Amerikaanse filmgeschiedenis voor het voetlicht.

Het pact tussen Hollywood en de nazi's

© Reuters

In 1933 wilde scenarioschrijver Herman J. Mankiewicz een film maken over de discriminatie van de Joden in Nazi-Duitsland. Hij schreef een toneelstuk dat hij The Mad Dog of Europe noemde en stuurde het op naar zijn vriend Sam Jaffe, een producent bij de filmmaatschappij RKO. Omdat Jaffe een potentieel kassucces zag in het scenario, kocht hij gelijk de filmrechten.

De film zou nooit worden gedraaid. De nazi's hadden in het verleden al druk uitgeoefend op de Hollywoodstudio's om aanpassingen te doen aan films, maar tot dusver hadden ze hun pijlen voornamelijk gericht op oorlogsprenten waar de Duitse bevolking aanstoot aan kon nemen.

De censors van Hitler beriepen zich daarvoor op artikel 15 uit de Duitse filmregulering. Volgens dat artikel kon het naziregime elke prent uit de Duitse bioscopen weren, die ze anti-Duits achtten. Zo was eerder al de oorlogsfilm All Quiet on the Western Front aangepast na baldadige protestacties van de nazi's. Omdat Duitsland in de jaren dertig nog altijd over een van de grootste filmmarkten ter wereld beschikte, gingen de filmmaatschappijen vrijwillig in op de eisen van de censors.

Maar bij The Mad Dog of Europe konden de censors geen beroep doen op dat artikel. De prent zou immers worden geproduceerd door een onafhankelijke studio, die geen films uitbracht in Europa. Georg Gyssling, de Duitse consul in Los Angeles en Hitlers belangrijkste pion in de Amerikaanse filmindustrie, gooide toen al zijn gewicht in de schaal om de realisering ervan te saboteren.

Gyssling liet de Amerikaanse associatie van filmproducenten weten dat de nazi's alle Amerikaanse films zouden bannen, als het project van Jaffe en Mankiewicz tot uitvoering werd gebracht. De voorzitter van de associatie had vervolgens een gesprek met de beide filmmakers en trachtte hen op andere gedachten te brengen.

Uiteindelijk verkocht Jaffe de rechten voor de prent aan de bekende filmagent Al Rosen. Die werkte nog zeven maanden aan het project, maar hij kon geen enkele studio overtuigen om er geld in te investeren. De houding van de Amerikaanse filmstudio's ten opzichte van The Mad Dog of Europe is exemplarisch voor de attitude van Hollywood in de aanloop naar de oorlog.

Censuur

Die stelling verdedigt de Australische filmhistoricus Ben Urwand in zijn boek The Collaboration: Hollywood's Pact with Hitler. Toen hij in een Duits staatsarchief onderzoek deed naar de filmsmaak van Adolf Hitler, stootte hij bij toeval op een brief van de Berlijnse afdeling van 20th Century Fox aan diens secretaris. In die brief vroeg de studio nadrukkelijk of de Führer zijn mening kon geven over Amerikaanse films. De brief werd ondertekend met de woorden 'Heil Hitler'.

Door die vondst raakte Urwand geïnteresseerd in de relaties van de Hollywoodstudio's met het naziregime. Hij ging negen jaar lang in archieven op zoek naar correspondentie tussen Berlijn en de filmmaatschappijen. Het resultaat is een studie die een nieuw licht werpt op het Hollywood van de jaren dertig.

Hij beschrijft in zijn werk hoe de studiobazen, die vaak nochtans zelf Joodse immigranten waren, op vraag van de Duitsers de inhoud van hun filmproducties aanpasten. Een sleutelfiguur in dat censuurproces was de antisemitische Amerikaanse censor Joseph Breen. Hij lichtte de scenario's niet enkel door op seks en taalgebruik, maar hij zorgde er bovendien voor dat er geen onvertogen woord in stond over het naziregime.

Tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bleef Breen druk op de Hollywoodstudio's uitoefenen om alle kritiek op het nazisme achterwege te laten. Toen de filmstudio MGM in 1938 de roman Drie kameraden van Erich Maria Remarque verfilmde, werden door zijn toedoen alle verwijzingen naar Duitse politieke partijen uit het scenario weggelaten.

Studiobazen

Urwand beschrijft ook de dubbelhartige opstelling van de Joodse filmbazen. Iconische figuren als Samuel Goldwyn, Carl Laemmle, Louis B. Mayer en Adolph Zukor vreesden in de jaren dertig zozeer voor antisemitische reacties bij het Amerikaanse publiek dat ze op het witte doek geen verwijzingen naar het Jodendom duldden. Hun producties schetsten een patriottisch ideaalbeeld van de Verenigde Staten, waarin amper Joodse personages te bekennen waren.

Zelfs Warner Brothers dat erom bekend staat tijdens de oorlog enkele uitgesproken antinazifilms te hebben geproduceerd, voerde in de jaren dertig gesprekken met de Duitsers over censuur. Op aansporing van Jack Warner werd in het filmscenario van The Life of Emile Zola elke vermelding van het woord 'Jood' geschrapt. Volgens Urwand is de kruistocht van Warner Brothers tegen het nazisme louter een mythe.

De studio's werden in hun houding zelfs gesteund door verschillende Joodse organisaties, die vonden dat Joden in Hollywood beter zo weinig mogelijk de aandacht op zichzelf vestigden. Zo deed de Joodse Anti-Defamation League in 1934 een vergeefse poging om de productie van The House of Rothschild te verhinderen, een historische dramafilm waarin de opkomst van de Joodse bankiersfamilie Rothschild wordt uitgebeeld.

Pas in 1940 zetten de Amerikaanse filmmaatschappijen hun samenwerking stop met de Duitsers. Toen het voor de Hollywoodstudio's ook nagenoeg onmogelijk werd om films uit te brengen in de rest van Europa, hadden ze minder oog voor de gevoeligheden in Nazi-Duitsland. Niettemin maakten de studio's zelfs daarna een betrekkelijk gering aantal antinazifilms.

Kritiek

Urwand oogst in de Verenigde Staten kritiek met zijn publicatie. De Amerikaanse filmhistoricus Thomas Doherty, die eerder onderzoek deed naar hetzelfde onderwerp, vindt dat hij overdrijft door de term 'collaboratie' te hanteren. Volgens Doherty hebben de filmbazen in de jaren dertig weliswaar zaken gedaan met de Duitsers, maar het gebruik van het woord 'collaboratie' suggereert dat de filmmaatschappijen bijkans medeplichtig waren aan de opkomst van het naziregime.

Verschillende producenten hebben de Europese Joden geholpen. Zo heeft Carl Laemmle, de oprichter van de filmstudio Universal, honderden brieven ondertekend die het voor Duitse Joden mogelijk hebben gemaakt naar de Verenigde Staten te emigreren. Op de radiozender KFWB van Jack en Harry Warner was aldoor anti-Duitse commentaar te horen. Hun studio maakte met Confessions of a Nazi Spy in 1939 bovendien de allereerste onverholen antinazifilm.

In het dagblad The New York Times noemt Doherty het gebruik van de term 'collaboratie' zelfs een vorm van laster. Filmbazen als Louis B. Mayer waren volgens hem geldwolven, maar hij vindt het toch te verregaand om hen op moreel vlak te vergelijken met echte collaborateurs. (YD)

Lees meer over:

Onze partners