24/07/13 om 13:47 - Bijgewerkt om 13:47

Syrië: Waarom stenen ook belangrijk zijn

Het Syrische materieel erfgoed wordt doelbewust en op grote schaal vernield, vaak met onherstelbare schade tot gevolg. Het verdwijnen hiervan is niet alleen een verlies voor onze gedeelde cultuur, maar betekent vooral dat een etnisch diverse samenleving verloren gaat.

Syrië: Waarom stenen ook belangrijk zijn

© Reuters

Enkele dagen terug pikte de wereldpers het bericht op dat de Syrische middeleeuwse burcht 'Krak des Chevaliers' door een raket van het Syrische leger werd getroffen. Op enkele foto's zijn beelden van brand in een van de torens te zien. In het begin van 2013 werd het gebouw al eens door tankartillerie beschoten. De Krak wordt geroemd als één, zo mogelijk zelfs hét, beste voorbeeld van de architectuur van de Kruisvaarders. Het staat terecht op de Unesco Werelderfgoedlijst samen met zes andere Syrische sites. Eén daarvan, de oude binnenstad van Aleppo, heeft het al eerder dit jaar zwaar te verduren gehad. De citadel werd bestookt, de soeks zijn grotendeels afgebrand en de Omajjadenmoskee, een van de oudste ter wereld, is helemaal vernield.

In een conflict dat al minstens 80.000 slachtoffers eiste; waaronder duizenden kinderen, vaak in bijzonder gruwelijke omstandigheden en waarvan nog geen einde in zicht is, lijkt de zorg om materieel erfgoed te getuigen van minachting voor het menselijk leed. Natuurlijk is het menselijk leed primair, maar dat neemt niet weg dat ook het erfgoed in Syrië een inzet van, en een slachtoffer in, dit conflict is geworden. Willen we bovendien de Syrische samenleving enigszins helen na het beëindigen van deze burgeroorlog, dan zal het erfgoed daar een rol in moeten spelen.

Verleden kneden

Via het materieel erfgoed en archeologische voorwerpen proberen archeologen en historici zo nauwgezet mogelijk het verleden te reconstrueren. Zo geldt het aloude adagium. Ondertussen ondervinden archeologen dat ze het verleden volop kneden naar iets wat sterk beïnvloedt wordt door het heden. Dat gebeurt niet alleen door archeologen, maar ook door politici, het brede publiek en de media. Wat past in het verhaal wordt gebruikt of tentoongesteld, andere elementen krijgen niet de nadruk die ze misschien wel verdienden. Tegelijk beseffen we dat het verleden onmogelijk te kennen valt. Er wordt in dat verband vaak verwezen naar de openingszin van L.P. Hartley: "The past is a foreign country" uit zijn boek The Go-Between.

Omdat niemand 'dit vreemde land' Syrië ooit bezocht, is het verleden gewillig en laat het zich gemakkelijk kneden door belangengroepen in het heden. Dat gebeurt bij ons in België en in Vlaanderen, maar het principe wordt al decennia lang verfijnd in het Midden-Oosten. Saddam Hoessein was er een meester in. Hij liet Babylon reconstrueren en net zoals de Babylonische heersers millennia terug plaatste hij op elke zoveelste gedroogde leemtichel in de ziggurat of op elke tempeltoren zijn stempel. Op de bankbiljetten was hij goed zichtbaar samen met het vermeende portret van de mythische koning Hammoerabi, de oudst gekende wetgever uit de Antieke Wereld. Misschien past ook de Turkse premier Erdogan in deze rij nu hij naast het Taksimplein in Istanbul de verwoeste militaire barakken uit 1806 wil laten herrijzen. Sommigen zien hierin een hunker om de link te leggen tussen een groots Ottomaans rijk en de huidige Turkse staat. Wanneer het einde van een tijdperk aanbreekt en daardoor de daaraan verbonden complexiteit steeds verder van ons af komt te staan, gaan de eenvoudige en clichématige beelden overheersen.

Ook in Syrië is het materieel erfgoed een speelbal geworden tussen de regering en de rebellenbewegingen en, vooral, tussen de rebellenbewegingen onderling. Het Syrische verleden werd door het bewind van vader en zoon Assad gebruikt om het beeld van een diep gewortelde en diverse Syrische samenleving te schetsen. Die samenleving was christelijk en islamitisch, oosters en westers, innovatief en traditioneel. Een beetje 'eenheid in verscheidenheid' dus. De citadel van Aleppo, de Krak, de kerken van Maalula of de site van Ugarit waar het eerste alfabet werd gevonden zijn om die reden tot (toeristische) symbolen uitgegroeid. Continu archeologisch onderzoek droeg deels bij aan deze reconstructie. Bepaalde rebellengroepen worden nu op diverse nieuwssites en in de sociale media met de vinger gewezen omdat ze doelbewust erfgoed van andere religieuze groepen (meestal sjiitisch en christelijk) vernietigen. Deze laatste hebben zich tot nu toe dan ook voornamelijk aan de zijde van het Syrische regime geschaard.

Materieel efrgoed: irrelevant voor Salafisten

De doelbewuste vernietiging is zeker het geval voor enkele laatmiddeleeuwse graven van sjiitische sjeiks onder andere rondom Aleppo en in Raqqa. Zij werden begin 2013 opgeblazen. Mogelijk speelde dit ook een rol in de brand van de Omajjaden-moskee. De moorden op christelijke geestelijken en de daarop volgende vernielingen in dezelfde regio moeten ook in dat kader gezien worden. De erg radicale groeperingen die hiervan beschuldigd worden zijn salafistisch van inspiratie. Dat betekent dat ze helemaal geen plaats wensen te geven aan andere islamitische stromingen en zeker niet aan andere religies. Materieel erfgoed is voor Salafisten bovendien irrelevant. Het kan namelijk aanzetten tot idolatrie wat ze ten allen prijze willen vermijden. Deze denkwijze leidde er bijvoorbeeld toe dat er in enkele jaren tijd van het historische Mekka, waar de salafistische (ook wahhabitische genoemd) stroming overheersend is, zo goed als niets is overgebleven. Enkele maanden terug werd een 17de eeuwse poort van de Grote Moskee nog verwijderd. In 2002 gebeurde hetzelfde met een 18de eeuws fort op een naburige heuvel. In het recente conflict in Mali was de grote meerderheid van de rebellen salafistisch en ook daar leidde dit tot doelgerichte vernielingen van het erfgoed.

Andere rebellengroepen zijn niet zo extreem maar laten het zeker niet na om garen te spinnen bij de vernielingen van het erfgoed. De brand in de Krak was daarom ook symbolisch. De vernieling moest het Syrisch leger als 'nietsontziend' karakteriseren. Maar wie zich verschuilt in de Krak weet dat er ooit een zware aanval van het leger zal volgen. De Krak controleert namelijk el-Ghab, de natuurlijke passage doorheen de Jebel el Ansarieh, het gebergte dat de kuststrook scheidt van het Syrisch binnenland. Aan de kustzijde bevindt zich Tartous waar een deel van de Syrische marine, maar ook Russische schepen zich ophouden. En het gebied aan de kust blijft het kerngebied van de Alawieten waartoe president Assad behoort. Aan de landzijde van el-Ghab bevindt zich het fel bevochten Homs. De stad beheerst niet alleen de toegang tot de kust maar ook de weg naar Libanon en die tussen Damascus en Aleppo. Een dergelijke strategische plaats is dan ook gegeerd. Het Syrisch leger laat zich heus niet ophouden door een beschermd monument. In 1982 bijvoorbeeld werd de historische binnenstad van Hama volledig in de as gelegd en nadien de vergetelheid in 'gebulldozerd' toen Hafez Assad, de vorige president, er een opstand van de Moslimbroederschap neersloeg.

Brandend erfgoed uitstekende progapanda

De beelden van brandend erfgoed vormen echter uitstekende propaganda voor de rebellen. Nu het Westen niet goed weet wat ze nog moeten aanvangen met meer gruwelijke beelden uit Syrië reageren ze misschien nog wel wanneer het over cultureel erfgoed gaat. De kritiek op de Amerikaanse invasie in Irak schakelde ook tijdelijk een versnelling hoger na de plundering van het Nationaal Museum in Bagdad en de schampere uitspraken van toenmalig minister Rumsfeld toen hij met de beelden werd geconfronteerd: "My goodness, were there that many vases?". Toch was ook de plundering in dat Nationaal Museum in de eerste plaats bedoeld om een gemeenschappelijk Irakees symbool, hun Mesopotamisch verleden, te vernietigen. De vernielingen werden zo goed als zeker georkestreerd door latere rebellengroeperingen of leden van het oude regime.

Een derde groep in Syrië tenslotte gedraagt zich simpelweg opportunistisch. Het zijn plunderaars die voor vaak luttele bedragen zoveel mogelijk draagbare artefacten het land uit smokkelen voor verzamelaars over de hele wereld. Het verdwijnen van een centrale controle over archeologische sites laat hen toe om houweel of bulldozer hun gang te gaan. De openbare verkoop van deze voorwerpen op publieke websites zoals Ebay is een stuk lager dan in 2003 toen de markt overspoeld werd door voorwerpen uit Irak. Toch spreken ruwe schattingen over mogelijk twee miljard euro aan artefacten die Syrië al zouden hebben verlaten. Via satellietfoto's is het bijvoorbeeld duidelijk dat er op massale wijze geplunderd is op de Hellenistisch-Romeinse site van Apamea. De site is, archeologisch gesproken, zo goed als verloren. De archeologische resten bevinden zich op slechts enkele tientallen centimeter onder het oppervlak. Veel andere sites in Syrië zijn tells of ruïneheuvels die door verschillende millennia heen gemakkelijk tot twintig meter hoog werden. Voorwerpen zijn uiteraard beter beschermd tien meter onder het oppervlak. In Apamea bevatten heel wat gebouwen mozaïeken. De mooiste stukken daaruit werden gefixeerd en daarna met bulldozers opgeschept en weggevoerd. Apamea is een stukje Belgisch erfgoed omdat de KMKG er sinds de jaren dertig actief zijn. Een deel van de monumentale colonnadestraat en een magnifieke mozaïek vormen het centrum van de collectie Antieke Wereld op het Jubelpark. Op andere sites melden archeologen kleinschaligere, maar evenzeer verontrustende plunderingen. Van de ongeveer 25 regionale musea doorheen het hele land lijken enkel de grote collecties in Aleppo en Damascus ongeschonden.

Erfgoed speelt opbouwende rol in naoorlogse Syrië

Dat het erfgoed lijdt in het huidig conflict mag dus geen verbazing wekken. Er moet zeker en vast een duurzame oplossing worden gevonden voor het lijden van miljoenen Syriërs in hun land en in de vluchtelingenkampen daarbuiten. Maar het totale verdwijnen van materiële getuigen van bepaalde groepen of periodes verhindert de opbouwende rol die het erfgoed in een postconflict Syrië zou kunnen spelen. Natuurlijk is het beeld dat van Syrië tot in 2011 werd opgehangen als een unitaire samenleving voor een groot deel verzonnen en dus imaginair. Maar dat fenomeen vinden we in zowat alle nationale staten terug. Het hoort gewoon bij de poging om de vaak arbitraire landsgrenzen enige historische steun te geven. In ieder geval zal de toekomstige Syrische samenleving ongetwijfeld net zo veel bij elkaar gefantaseerd worden als de huidige Syrische etnische lappendeken die de familie Assad aan elkaar poogde te knopen. Ooit eindigt het conflict en dan is er nood aan materiaal om die nieuwe 'imaginaire samenleving' op te bouwen.

Klaas Vansteenhuyse, doctor in de archeologie en Research Fellow aan de KU Leuven.


Onze partners