De opvoedparadox: ‘Eigenlijk is opvoeden een vreselijke uitvinding’

© iStock

‘Onze opvoedcultuur is vergelijkbaar met onze eetcultuur’, schrijft Alison Gopnik in haar boek ‘De opvoedparadox: over de ouder als tuinman of timmerman’. Een fragment.

Sinds een jaar of dertig is opvoeden steeds meer een doelgerichte taak en proberen we bijna obsessief een bepaald soort kind te creëren dat zich moet ontwikkelen tot ‘ideale’ volwassene. In haar boek ‘De opvoedparadox: over de ouder als tuinman of timmerman’ toont Alison Gopnik, hoogleraar psychologie en filosofie aan de University of California in Berkeley, op basis van wetenschappelijke inzichten dat ons beeld van opvoeden wezenlijk verkeerd is: gebaseerd op slechte wetenschap en slecht voor kinderen en ouders. Een fragment:

***

De opvoedparadox: 'Eigenlijk is opvoeden een vreselijke uitvinding'

Het woord ‘opvoeden’ dook voor het eerst op in 1958 in de Verenigde Staten en werd pas in de jaren zeventig een veelgebruikt woord. Waar kwam opvoeden vandaan? Het opvoedmodel is bijzonder invloedrijk geworden vanwege een reeks opvallende sociale veranderingen die in het twintigste-eeuwse Amerika plaatsvonden, veranderingen die het ouderschap – en vooral het ouder worden – heel anders maakten dan het ooit tevoren was geweest. Kleinere gezinnen, een grotere mobiliteit en mensen die al wat ouder waren toen ze voor het eerst een kind kregen, veranderden de situatie drastisch.

Gedurende het grootste deel van de geschiedenis van de mens groeiden mensen op in uitgebreide families met veel kinderen. De meeste ouders hadden al veel ervaring met de zorg voor kinderen opgedaan voordat ze zelf kinderen kregen. Ze konden bovendien volop zien hoe andere mensen, niet alleen hun eigen ouders, maar ook oma’s en opa’s, tantes en ooms en oudere neven en nichten, kinderen verzorgden. Deze traditionele bronnen van wijsheid en competentie – niet precies hetzelfde als expertise – zijn grotendeels verdwenen. Zelfhulpboeken over opvoeden, websites over opvoeden en lezingen over opvoeden zijn aantrekkelijk omdat ze dat gat lijken te vullen.

Op hetzelfde moment dat gezinnen kleiner werden en verspreid raakten en mensen later kinderen kregen, gingen ouders uit de middenklasse steeds meer tijd besteden aan school en werk. De meeste ouders uit de middenklasse zitten jarenlang op school en streven een carrière na voordat ze kinderen krijgen. Het is dus geen wonder dat naar school gaan en werken voor ouders tegenwoordig de modellen zijn voor de verzorging van hun kinderen – je gaat naar school en naar je werk met een doel voor ogen en men kan je leren hoe je het beter doet op school en op je werk.

Er is dus een reden waarom het opvoedmodel populair is. Maar het sluit slecht aan bij de wetenschappelijke realiteit. Vanuit evolutionair perspectief zijn de relaties tussen mensenkinderen en degenen door wie ze worden verzorgd essentieel en enorm belangrijk; ze vormen een wezenlijk onderdeel van wat ons als mensen kenschetst. Onze opvallendste en belangrijkste menselijke vermogens – leren, uitvinden en vernieuwen, plus ons gevoel voor traditie, cultuur en ethiek – zijn geworteld in relaties tussen ouders en kinderen.

Ouders zijn er niet om de levens van hun kinderen vorm te geven.

Deze relaties zijn voor de menselijke evolutie van groot belang. Maar ze verschillen fundamenteel van het beeld dat door de term ‘opvoeden’ wordt opgeroepen. Ouders zijn er niet om de levens van hun kinderen vorm te geven. Ouders en verzorgers zijn er wel om de volgende generatie een beschermde ruimte te bieden waar ze nieuwe manieren van denken en handelen kunnen uitproberen, die, of ze nu gunstig of ongunstig uitpakken, geheel anders zijn dan wat we konden voorzien. Dit is het beeld dat voortkomt uit de evolutiebiologie en het is tevens het beeld dat ontstaat op grond van empirisch onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen, zoals dat in mijn laboratorium wordt gedaan.

‘Vanuit empirisch perspectief is opvoeden een zinloze activiteit’

Dit betekent niet dat ouders en andere verzorgers geen invloed op kinderen hebben. Integendeel, die invloed is diepgaand en noodzakelijk. Een veilige en stabiele omgeving scheppen waar kinderen kunnen floreren, is belangrijk, maar ook heel moeilijk. Per slot van rekening vergt ouderschap, zelfs van een slechte ouder, veel meer tijd, energie en aandacht dan welke andere menselijke relatie ook. Ik zeg mijn man ’s morgens gedag, ik zie hem de hele werkdag niet, kook avondeten voor hem en besteed ’s avonds een paar uur aan een welwillend gesprek met hem. Hij doet voor mij hetzelfde (en maakt de keuken schoon, wat een vervelendere klus is dan koken). Dat maakt mij een vrij goede echtgenote, maar het zou als strafbaar kindermisbruik worden beschouwd als hij mijn baby zou zijn.

Het is erg moeilijk om een betrouwbaar empirisch verband te vinden tussen de kleine variaties in wat ouders doen en de daaruit resulterende volwassen persoonlijkheidstrekken van hun kinderen.

Verzorgende volwassenen doen meer dan alleen maar de levens van kinderen beïnvloeden – zonder verzorgers zouden kinderen niet eens een leven hebben. Maar het is erg moeilijk om een betrouwbaar empirisch verband te vinden tussen de kleine variaties in wat ouders doen – de variaties die bij opvoeden centraal staan – en de daaruit resulterende volwassen persoonlijkheidstrekken van hun kinderen. Er is heel weinig bewijs dat bewuste beslissingen over al dan niet in hetzelfde bed slapen, jonge kinderen laten huilen of ze in je armen houden totdat ze in slaap vallen, ze dwingen extra huiswerk te doen of ze laten spelen, een betrouwbare en voorspelbare langetermijninvloed hebben op wie deze kinderen worden. Vanuit empirisch perspectief is opvoeden een zinloze activiteit.

Natuurlijk is het mogelijk dat die wetenschappelijke feiten er niet toe doen. Tot onze menselijke evolutionaire erfenis behoort het essentiële vermogen om diezelfde erfenis overboord te gooien of te herzien. In theorie zou opvoeden, ook al is het een heel recente culturele uitvinding, een goede of nuttige uitvinding kunnen zijn. Zelfs als het verschrikkelijk moeilijk is om het goed te doen, en het slechts een marginale invloed heeft, zouden we niettemin het gevoel kunnen hebben dat de poging de moeite waard is. Democratie, een andere recente culturele uitvinding, is per slot van rekening de slechtste staatsvorm, op alle andere staatsvormen na, en het feit dat er tegenwoordig zo vaak wordt gescheiden doet ons niet twijfelen aan de waarde van het huwelijk (in elk geval niet al te veel). Het criterium dient te zijn of opvoeden mensen heeft geholpen te floreren.

Eigenlijk is opvoeden een vreselijke uitvinding. Het heeft de levens van kinderen en ouders niet verbeterd en in sommige opzichten zelfs aantoonbaar slechter gemaakt.

Eigenlijk is opvoeden een vreselijke uitvinding. Het heeft de levens van kinderen en ouders niet verbeterd en in sommige opzichten zelfs aantoonbaar slechter gemaakt. Voor ouders uit de middenklasse die van hun kinderen voorbeeldige volwassenen proberen te maken, is het een bron van eindeloze bezorgdheid en schuldgevoelens, gekoppeld aan frustratie. En voor hun kinderen leidt opvoeden ertoe dat er een benauwende wolk van verwachtingen boven hun hoofd hangt.

Ouders uit de middenklasse gaan gebukt onder de druk om opvoedingsexpertise te verwerven. Ze geven letterlijk miljarden dollars uit aan opvoedingsadviezen en -apparatuur. Maar tegelijkertijd biedt de sociale regelgeving in de Verenigde Staten, waar opvoeden werd uitgevonden en waar nu het epicentrum ervan ligt, kinderen minder steun dan die van welk ander ontwikkeld land ook. De Verenigde Staten, waar al die boeken over opvoeden worden verkocht, kennen het hoogste percentage van zuigelingensterfte en kinderarmoede van de ‘ontwikkelde’ wereld.

Opvoeding vs voeding

De opkomst van het opvoedidee lijkt sterk op wat er in Amerika ongeveer tegelijkertijd op voedingsgebied gebeurde. Michael Pollan heeft dit het omnivoordilemma genoemd. In het verleden werden onze eetpatronen bepaald door kooktradities. We aten pasteien, pasta’s of stoofpotten omdat onze moeders die maakten, en zij kookten op die manier omdat hun moeders dat vroeger zo deden. Deze vele en gevarieerde tradities leverden allemaal redelijk gezonde resultaten op. In de twintigste eeuw, vooral in de twintigste eeuw van de Amerikaanse middenklasse, heeft de afbrokkeling van die tradities geleid tot een eetcultuur van ‘voedingswaarden’ en ‘diëten’, die veel overeenkomsten vertoont met de opvoedcultuur.

In beide gevallen werden tradities vervangen door voorschriften. Wat ooit een kwestie van ervaring was, is een kwestie van deskundigheid geworden. Wat ooit gewoon een manier van zijn was, iets wat Ludwig Wittgenstein een vorm van leven noemde, is een vorm van werk geworden. Een handeling van spontane en liefdevolle zorg is veranderd in een managementplan.

Volgens evolutiewetenschappers is koken net zo cruciaal voor menselijk overleven als kinderen grootbrengen. Toch tonen zowel evolutionaire overwegingen als wetenschappelijke studies aan dat bewuste beslissingen om te ‘lijnen’, om precies te beheersen wat we koken of eten, op hun meest slechts een marginaal effect hebben. In werkelijkheid ging de extravagante toename van dieet- en voedingsadviezen samen met een extravagante toename van zwaarlijvigheid.

Een handeling van spontane en liefdevolle zorg is veranderd in een managementplan.

De fundamentele paradox is vergelijkbaar. Koken en zorgen voor kinderen zijn beide essentieel en typisch menselijk – zonder deze activiteiten zouden we als soort niet kunnen overleven. Maar hoe bewuster we koken en eten met het doel gezond te worden, of kinderen grootbrengen om er gelukkige en succesvolle volwassenen van te maken, hoe minder gezond en gelukkig wij en onze kinderen lijken te worden.

Eigenlijk is het overschot aan boeken over opvoeden, net als het overschot aan dieetboeken, op zichzelf al een teken van hun nutteloosheid. Als een van die boeken daadwerkelijk zou helpen, zou dat succes de andere boeken overbodig maken. En de kloof tussen persoonlijke doelen en overheidsbeleid, op het gebied van eten duidelijk aanwezig, is een gapende kloof in het geval van de zorg voor kinderen.

Een maatschappij die is geobsedeerd door lijnen, heeft het grootste aantal mensen met obesitas – een maatschappij die is geobsedeerd door opvoeden, heeft het hoogste kinderarmoedecijfer.

UIt: ‘De opvoedparadox: over de ouder als tuinman of timmerman’ van Alison Gopnik. ISBN 9789057123139 – 22,95 euro – Uitgeverij Nieuwezijds – EPO distributie. Meer info

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content