Voorpublicatie: een donkere passage uit de levensloop van Dalilla Hermans

Dalilla Hermans met haar zoon Cooper. © Manteau
Dalilla Hermans
Dalilla Hermans Redacteur bij Charlie Magazine

Knack biedt u een fragment aan uit ‘Brief aan Cooper en de wereld’ van Dalilla Hermans. ‘Wat volgt is één van die donkere passages. Omdat het me mee vormde, omdat het belangrijk is dat we ook over deze verhalen praten met elkaar.’

Ik ben niet iemand die graag of veel praat over wat er misloopt. Ik hou van oplossingen, van stappen vooruit. Het was dan ook niet altijd gemakkelijk om deze brief aan mijn zoon te schrijven. Ik moest er namelijk voor terug, ik moest achterom durven kijken. Ik wilde de lezer van dit boek de wereld even laten zien door mijn ogen. Ik wilde Cooper de wereld laten zien door mijn ogen. Zodat we daarna samen op zoek kunnen naar oplossingen, naar nieuwe manieren van samenleven die wérken.

Dat achterom kijken was moeilijk. Ik had de neiging de grappige, onschuldige, mooie herinneringen extra in de verf te zetten, en de rest een beetje uit de weg te gaan. Het zat ook allemaal zo diep en ver weg. Maar op een dag kon ik er niet meer omheen. Hoofdstuk 5, het midden van het boek, moest ook geschreven worden. De donkere passages uit mijn levensloop verdienen ook hun plaats in het grote geheel.

Wat volgt is één van die donkere passages. Eén van de pijnlijke herinneringen die na veel twijfel ook een plaats kregen in het boek.

Wat volgt is één van die donkere passages. Eén van de pijnlijke herinneringen die na veel twijfel ook een plaats kregen in het boek. Omdat het me mee vormde, omdat het belangrijk is dat we ook over deze verhalen praten met elkaar.

Wat volgt is slechts een onderdeel van een onderdeel van een groter verhaal, het begin van een van de 10 hoofdstukken van een hopelijk positief boek dat vooral op zoek gaat naar oplossingen. Maar niet onbelangrijk. Terug in de tijd om met een beetje meer inzicht vooruit te springen. “Reculer pour mieux sauter”

***

Hoofdstuk 5 – “Je moet daar boven staan”

‘Ik! Haat! Jullie!’

Ik schreeuwde het zo hard ik kon, elk woord benadrukkend. En daarna stormde ik de woonkamer uit, sloeg zo hard mogelijk met de deur, de keuken door, nog een knallende deur, naar mijn kamer. Ik gooide me op het bed, zette mijn stereo zo hard als ik kon, en huilde met dramatische snikken.

Het was ook zo onéérlijk, zo onrechtvaardig! Ik was razend en ik zou mijn ouders nooit vergeven. Ik haalde mijn dagboek onder mijn bed vandaan. Ik moest even zoeken naar de sleuteltjes, want ik was eigenlijk niet zo’n consequente dagboekschrijver. Het was eerder een maandboek, of een halfjaarboek. Uiteindelijk vond ik de sleutel en schreef met boze halen mijn frustratie neer. Ik schreef zo woest dat de pen bijna door het papier schoot. Over hoe mijn ouders mijn leven kapotmaakten. En waarom? Om geen énkele reden!

Ik zou over een paar maanden, een aantal weken eigenlijk, vijftien worden. Dat was de leeftijd waarop mijn zus voor het eerst mocht uitgaan. Maar daar was ze niet in geïnteresseerd. In wat wel, eigenlijk? Ik haatte haar ook, op dat moment. Ze had de weg moeten vrijmaken! Dat is wat oudere zussen horen te doen: de weg vrijmaken, zodat ouders al wat gewend zijn tegen de tijd dat de jongere zussen bijgebeend zijn. Maar dat had ze dus niet gedaan, de trut. Ik wilde dansen, roken, Passoã drinken (bier vond ik niet zo lekker). En vooral, want daarom draaide eigenlijk alles wat mijn vriendinnen en ik deden, nieuwe jongens ontmoeten. Léven, quoi!

Ik vond ook dat ik dat verdiende, want ik deed altijd wat van me verwacht werd. Ik kwam altijd op het afgesproken tijdstip thuis, ik deed het goed (genoeg) op school, ik was beleefd. Ik vertelde ook alles aan mama, had helemaal geen geheimen voor mijn ouders. Als ik niet zo’n babbelaar was, zouden ze haast vergeten dat ik er was, zo weinig problemen veroorzaakte ik. Toen ik dus een uitzondering op de regel had gevraagd en had gesméékt of ik samen met Hanne naar de fuif van onze jeugdbeweging mocht, had ik verwacht dat dat wel zou mogen.

Maar ze zeiden nee, mijn rotouders. ‘Je zus mocht dat op jouw leeftijd ook nog niet.’ Ik ging helemaal door het lint, haalde alle argumenten die ik kon bedenken uit de kast, somde iedereen die ik kende en die wél mocht gaan, wel tien keer op. Zonder resultaat. Ze hielden het been stijf. Van mijn vader had ik het nog ergens kunnen verwachten, met zijn regeltjes en gezeur altijd, maar zij, zij was mijn vriendin! Ik voelde me verraden door mijn mama, die normaal gezien gemakkelijk te overtuigen was.

De ruzie die eindigde met ‘Ik! Haat! Jullie!’ was mijn laatste wanhoopspoging geweest. De fuif was dit weekend al. Opeens klikte er iets in mijn opgenaaide tienerbrein. Ik zou gewoon gaan. Foert! Ik was altijd zo vreselijk braaf, en wat had dat me opgeleverd? Niets! Ik zou gewoon gaan. En ik wist ook hoe.

We woonden intussen niet meer in het huis met de grote tuin. We woonden in een groot appartement boven de supermarkt in Weelde. Mijn slaapkamerraam grensde aan het platte dak van de garage van de buren. Ik kon er makkelijk uit springen, op ons terras klimmen, en zo door de poort naar buiten gaan. Zo was mijn zus anderhalf jaar eerder ook ongemerkt weggeglipt voor haar Parijsavontuur.

We hadden elk een klein tv’tje in onze kamer, dus na het avondeten ging ik naar mijn kamer, Diana naar de hare, en keken mijn ouders samen tv in de woonkamer. Dat lijkt nogal onpersoonlijk, maar in een huis met twee pubermeisjes was het een goede manier om de vrede te bewaren. Ik wist dat ik me niet te veel zorgen hoefde te maken over nieuwsgierige ouders in mijn kamer.

Ik word helemaal niet snel kwaad, maar áls ik kwaad ben, is het met een furie die recht uit de hel lijkt te komen.

Ik word helemaal niet snel kwaad, maar áls ik kwaad ben, is het met een furie die recht uit de hel lijkt te komen. Als ik écht boos ben, dan borrelt er een vloedgolf woede op, en het duurt erg lang voordat die golf weer wegebt. Mijn ouders wisten dat. Ik was er dan ook van overtuigd dat ze me een paar dagen zouden laten afkoelen, en zeker niet mijn kamer in zouden komen voor een tweede ronde in de ring.

Hoe langer ik erover nadacht, hoe logischer het leek. De volgende dag zorgde ik ervoor extra woedend te lijken. Beeld zonder klank. Ik maakte het zo ongemakkelijk mogelijk voor mijn ouders door hen giftige blikken toe te werpen, terwijl ik stilzwijgend at. Ze zouden opgelucht zijn als ik me terugtrok in mijn kamertje.

Ik had mijn outfit al klaarliggen. Een strakke broek met olifantenpijpen, die ik niet zo lang geleden gekregen had voor tijdens de winter, wanneer we geen uniformrok moesten dragen. Ik had een paars topje geleend van Diana, met spaghettibandjes, en paarse oorbellen, en ik had paarse veters in mijn Globeskateschoenen gedaan. Kleurencoördinatie was nogal belangrijk in die periode. Ik had zelfs paarse lippenstift! Die zat een tijdje daarvoor gratis bij een tijdschrift.

Ik had met Hanne en Jolien, mijn vriendinnen die af en toe al wel mochten uitgaan, afgesproken dat ik gewoon naar de zaal zou komen. Het leek riskant om ergens anders af te spreken, in Weelde kent iedereen iedereen. Toen ik dacht dat het laat genoeg was, en ze zeker op de fuif zouden zijn, kleedde ik me om. Ik deed mijn oude KSJ-trui over het topje aan, opende mijn raam, stak er een kartonnetje tussen en sprong zo, hopla, de koude avondlucht in.

Het ging allemaal supervlot, mijn plannetje werkte. Ik pakte mijn fiets uit de garage, reed naar buiten door het deurtje in de poort en wachtte even aan de zijkant van ons gebouw. Ik hoorde niets, ik zag niets bewegen. Zo snel als ik kon, trapte ik naar de parochiezaal van Sint-Jan. Dat was het zaaltje naast de kerk waar ik al die jaren geleden Kathleen leerde kennen.

Voor de zaal stonden een aantal auto’s en heel veel fietsen. Ik besloot mijn fiets naast de kerk te zetten, in het donkere struikgewas, om incognito te blijven. In de zaal was het even opwindend als ik gehoopt had. Er pompte luide muziek door de boxen, een rookmachine en gekleurde lichten zorgden voor een zweterige, drukkende lucht. Op het podium stond een lokale dj het beste van zichzelf te geven.

Er stonden een paar meisjes te dansen aan de zijkant van het podium. Haast iedereen had een plastic beker met bier of kriek in de ene hand en een sigaret in de andere. Er werd druk gedanst, nu ja, er werden verwoede pogingen tot dansen gedaan. Vooral door de tienermeiden, die in kringetjes op de dansvloer stonden.

Aan de zijmuren van de zaal en leunend tegen de bar stonden de jongens. Ik voelde me meteen thuis in deze biotoop. Het duurde niet lang voordat ik Hanne en Jolien had gevonden. Ik had het toen nooit toegegeven, maar we vielen best wel op. We hadden te hard ons best gedaan, waren zichtbaar te jong om hier te zijn. Maar we deden alsof we dit wekelijks deden. We dronken kriek, dansten zoals we de meisjes rondom ons zagen dansen, en sloten ons aan bij het kringetje van oudere meisjes uit de jeugdbeweging.

Ik probeerde me te amuseren, maar was de hele avond toch ook zenuwachtig. Ik had nog nooit zoiets rebels gedaan. En ik voelde me al snel schuldig. Lang voor de anderen besliste ik dan ook gewoon naar huis terug te gaan. Ik had uiteindelijk mijn punt wel bewezen. Ik was op een fuif geweest, en ik had iets stiekem gedaan. Ik was de ultieme puber.

Mijn adem stokte. Ik draaide me om. In het donker zag ik een paar figuren op me afkomen.

Het was intussen nacht. In het donker zocht ik naar mijn fiets in de bosjes naast de kerk. Ik zocht mijn fietssleutel in het kleine tasje waarin ik de paarse lippenstift en mijn geld had gestopt. Hoe klein een tasje ook is, je verliest er altijd je sleutel in, vraag maar aan elke vrouw. Opeens hoorde ik gelach, vlakbij. Het klonk anders dan het geroezemoes dat door de lucht waaide van de parking van de parochiezaal. Het klonk gemaakt, vals.

‘Da’s Dalilla’, hoorde ik een jongensstem zeggen. Mijn adem stokte. Ik draaide me om. In het donker zag ik een paar figuren op me afkomen. Ik voelde meteen dat het niet goed was, dat ik in gevaar was. Ik durfde me niet meer te bewegen, stond aan de grond genageld, mijn hand nog in het tasje. De jongens kwamen in een halve cirkel om me heen staan. Ik herkende een van hen vaag, waarschijnlijk degene die mijn naam had genoemd. De andere jongens had ik nog nooit gezien.

Het was te donker om een goed zicht te krijgen op wie er voor me stonden. Toen er een auto voorbijreed, zag ik even snel hun gezichten. De grootste, de oudste ook waarschijnlijk, stond in het midden voor me, bedreigend dichtbij. Hij had helblauwe ogen, ijzige ogen, die oplichtten door de koplampen van de auto. Hij droeg een pet, zo’n platte opapet. De andere jongens waren kaal. Ze droegen zwarte bottines en dikke bomberjacks. Het waren skinheads. Dat alles besefte ik in de paar seconden dat ik daar zo stond.

Het leken een paar uren. Hij zei iets tegen me, spottend, en spuwde op de grond. Ik had het niet verstaan. Ik durfde nog steeds niet me te bewegen, hield mijn adem in. Ik keek hem aan met grote, bange ogen. Met mijn blik pleitte ik om met rust te worden gelaten. Zonder woorden gilde ik dat ik gewoon naar huis wilde. Met mijn opengesperde ogen smekend dat ze weg wilden gaan. Zwijgend. Dat leken ze grappig te vinden, dat ik niets durfde te zeggen.

Ik zat gevangen in een verstard lichaam, stijf van angst en in paniek. Wat waren ze van plan?

Ze porden elkaar, lachten. Ik rook hun bieradem, zo dichtbij stonden ze. Nog altijd verstond ik niet wat ze zeiden. Ik zat gevangen in een verstard lichaam, stijf van angst en in paniek. Wat waren ze van plan? Niemand kon me hier horen, niemand kon me zien. Niemand wist waar ik was. Opeens was er een woord waardoor ik weer bij mijn positieven kwam. Iemand zei ‘zeiken’. Het duurde een tel voordat mijn brein dat verwerkt had. ‘Ik moet eigenlijk ook zeiken’, klonk uit de mond van een ander.

Ze zouden toch niet… Dat kon niet. Zoiets gebeurt niet, niet in het echt, niet met mij. Nog voordat ik die gedachte kon afmaken, voelde ik iets warms en nats tegen mijn been klateren. Ik voelde mijn broek, die ik nog maar pas had gekregen, voor in de winter wanneer we geen uniformrok moesten dragen, nat en zwaar worden. Ik zag rook omhoog kringelen, van de warme urine die dampte in de koude nachtlucht.

Ik dacht dat ik flauw zou vallen. Of zou overgeven. Ik wilde schreeuwen zoals ik tegen mijn ouders had geschreeuwd. Ik wilde… Maar ik deed niks. Ik stond daar, gevangen in een verstard lichaam, terwijl de jongens op me plasten. Ik sloot mijn ogen. Ik weet niet hoelang ik daar zo heb gestaan. Ik weet niet hoelang de hele episode heeft geduurd.

Toen ik mijn ogen opende, waren ze aan het weglopen. Ze lachten. Luid, vals, triomfantelijk. Op de automatische piloot vond ik mijn fietssleutel en fietste naar huis. Ik huilde niet. Thuisgekomen stroopte ik de natte broek van mijn lijf. Ik rolde het ding tot een bal en wierp het in een hoek van de garage. Ik ging gewoon slapen.

Ik vertelde aan niemand wat er gebeurd was. Als ik deed alsof het niet gebeurd was, zou het ook zo zijn. Misschien was het ook niet echt. Er waren geen getuigen. De volgende dag stopte ik de natte broek in een plastic zak, fietste ermee naar het speelpleintje in onze wijk en propte de zak daar in een vuilnisbak. Zo, het was niet gebeurd. Er waren geen getuigen, en er was geen bewijs. Telkens als mama die winter vroeg waarom ik mijn nieuwe broek niet aandeed, reageerde ik geïrriteerd, zoals een echt pubermeisje, dat olifantenpijpen alweer uit de mode waren.

Op 24 mei 2017 organiseert Manteau samen met HETPALEIS en Charlie Magazine een publieksavond over identiteit en racisme ter lancering van Brief aan Cooper en de wereld. Dalilla gaat onder de vleugels van Leslie Hodge (Radio 2) in gesprek met Tom De Cock (MNM en auteur van En toen kwam jij), Kamal Khamarch (stand-up comedian) en Gerda Havertong (actrice, bekend van o.a. Sesamstraat en het iconische fragment waarin ze toelicht aan Pino wat Zwarte Piet voor haar betekent). Judith Okon en niemand minder dan Coely zorgen voor de muzikale kers op de taart. Soe Nsuki praat de avond aan elkaar.Toegangsprijs voor het programma is € 20, inclusief het boek en een drankje.

Partner Content