Liesbeth Homans (N-VA)
Liesbeth Homans (N-VA)
Vlaams Viceminister-president en minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke kanse
Opinie

21/04/14 om 07:47 - Bijgewerkt op 22/04/14 om 07:17

Liesbeth Homans: 'Waarom ik mijn verantwoordelijkheid wil opnemen'

Stel nu even dat wij als grootste partij niet voluit voor de post van minister-president zouden gaan?

Liesbeth Homans: 'Waarom ik mijn verantwoordelijkheid wil opnemen'

Liesbeth Homans © VTM Nieuws

De partij N-VA zal niet nalaten het minister-presidentschap van Vlaanderen te claimen, als ze het goed doet bij de verkiezingen van 25 mei. De kans is dus groot dat niet meer Kris Peeters van de CD&V, maar Liesbeth Homans van N-VA de volgende Vlaamse regering zal leiden. Dat zei voorzitter Bart De Wever bij de opening van het verkiezingshoofdkwartier van N-VA.

Naar aanleiding van deze uitspraak vroeg Knack.be aan Liesbeth Homans om een antwoord te formuleren op de vraag waarom ze kandidaat-minister-president is. 'Ik claim niks,' zei Homans, 'maar als het moet zal ik mijn verantwoordelijkheid opnemen.' Bij deze. (EE)

'Levert N-VA de minister-president?'

Sinds het bekend gemaakt werd dat ik de Antwerpse N-VA-lijst voor het Vlaams parlement zou trekken, krijg ik deze vraag bij ieder interview. En bij iedere receptie, werkvergadering en partijbijeenkomst. Het is een constante in de campagne. Hoe flatterend de vraag ook is voor mij persoonlijk, komt ze hier op neer: zal N-VA het voortouw nemen als het er echt op aankomt?

Mijn antwoord is al maandenlang hetzelfde: 'Ik ga geen enkele verantwoordelijkheid uit de weg, maar ik claim niks. Niemand binnen N-VA. Het woord is aan de kiezer. Alles hangt af van het mandaat dat hij ons geeft en hoe de onderhandelingen verlopen'. Waarna de vraagsteller meewarig en vol ongeloof het hoofd schudt. Toegegeven, het is een cliché-antwoord. Maar dat is de vraag ook. Inhoudelijk heeft ze geen enkele meerwaarde.

Dat maakt de redenering achter het antwoord overigens niet minder oprecht. Het is niets anders dan een simpele waarheid. Je kan het minister-presidentschap moeiteloos claimen. Je kan er zelfs één van de hoofdpunten van het journaal mee scoren, zoals CD&V-voorzitter Wouter Beke deed, toen hij in naam van Kris Peeters het leiderschap van de volgende Vlaamse regering opeiste in 'Reyers Laat'. Behalve Kris Peeters heeft niemand zich als 'numéro uno' durven opwerpen en dat versterkt zijn positie bij het grote publiek. Maar laat ons eens eerlijk zijn, het tegenovergestelde zou pas echt nieuws zijn geweest. Meer dan een krantenkop levert het niet op. Zolang de resultaten van 25 mei niet bekend zijn, is iedere claim op de post van minister-president niet meer dan een potje Stratego. Het leidt de aandacht af van vragen die er oneindig veel meer toe doen voor de kiezer. Wat met de wachtlijsten in de gehandicaptenzorg? De hervorming van de woonbonus? De toekomst van het kindergeld?

Als we echter even verder kijken dan de primeur van de dag en de bijhorende commentaren, rest de realiteit en de politieke traditie. Die laat weinig aan de verbeelding over: wie als grootste uit de kiesstrijd komt, levert de minister-president. Als we de peilingen mogen geloven - en dat doe ik tot nader order dus niet - is dat de N-VA.

Stel nu even dat wij als grootste partij niet voluit voor de post van minister-president zouden gaan? Voorstanders van de partij zouden zich bedrogen voelen. Tegenstanders zouden er het bewijs in vinden voor hun favoriete - en foutieve - stelling dat N-VA liever langs de zijlijn roept dan verantwoordelijkheid opneemt. Dus ja, als het zover komt, zullen we de traditie respecteren. Tenminste, als het minister-presidentschap een meerwaarde blijkt bij het verwezenlijken van ons programma.

Ik spreek zowel voor mezelf als voor alle andere N-VA'ers die in aanmerking zouden komen voor de rol van minister-president, als ik zeg: het is een middel, geen doel. Liever geen N-VA-minister-president en 80 procent van het N-VA-programma verwezenlijkt, dan wel een N-VA-minister-president met 79 procent van het N-VA-programma verwezenlijkt. Dat is net de tegenstelling tussen een ideeënpartij als N-VA en de traditionele zuilenpartijen. Het enige criterium waar wij op afgerekend worden, is de kracht van ons woord. Onze enige belangengroep met een stem in het kapittel, is de Vlaamse kiezer.

Misschien is het net daarom zo verontrustend dat CD&V op basis van dezelfde peilingen wél zonder schroom het minister-presidentschap reserveert voor Kris Peeters. Dat betekent meteen dat de partij niet met hetzelfde open vizier naar de kiezer stapt. Hoe moeten we deze dwingende kandidatuur van Kris Peeters bekijken? Wil CD&V de politieke traditie de rug toekeren en als kleinere partner in een regering met N-VA toch het leiderschap opeisen? In dat geval zal daar van onze kant een zwaar programmatorisch prijskaartje aan vasthangen. Of is het een vingerwijzing naar het soort coalitie dat ze willen? Een coalitie waarbij CD&V de grootste is en de traditie alsnog gerespecteerd wordt. Een coalitie waarbij N-VA met andere woorden buitenspel wordt gezet. Ik vrees het laatste.

Die stelling wordt nog versterkt door de uitgesproken vaagheid van het christendemocratische programma. De partij kan alle kanten op. De enige glasheldere boodschap die de christendemocraten uitspreken, is dat ze de volgende Vlaamse regering zullen leiden. Met welk programma ze dat zullen doen, lijkt van minder belang. Eerlijk gezegd getuigt dergelijke zet in de campagne niet van veel respect voor de kiezer. Ook dat is jammer genoeg een traditie in de politiek. Eentje die we met N-VA niet in ere willen houden. Zelfs niet om de eerste vrouwelijke minister-president van Vlaanderen te worden. Hoe historisch dat ook zou zijn.

Onze partners