Hendrik Vuye & Veerle Wouters
Hendrik Vuye & Veerle Wouters
Onafhankelijke Kamerleden
Opinie

07/06/16 om 06:45 - Bijgewerkt om 06:45

Hoofddoekverbod op de werkvloer: 'Misschien moeten we minder snel het woord discriminatie gebruiken?'

Religieuze symbolen op de werkvloer beroeren weer eens de opinie. Misschien moeten we iets minder snel het woord discriminatie in de mond nemen, stellen Veerle Wouters en Hendrik Vuye, Kamerleden voor N-VA en co-voorzitters van Objectief V, Studiecentrum confederalisme.

Hoofddoekverbod op de werkvloer: 'Misschien moeten we minder snel het woord discriminatie gebruiken?'

© Getty Images/iStockphoto

Mag een werkgever een moslima verbieden een hoofddoek te dragen? Het Hof van Justitie buigt zich hierover. Het advies van advocaat-generaal Juliane Kokott in de zaak Samira Achbita en het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding (heden Unia) tegen G4S doet veel stof opwaaien. De advocaat-generaal oordeelt dat een neutraliteitsgebod in een onderneming gerechtvaardigd is.

Het advies van de advocaat-generaal van het Hof van Justitie

G4S is een onderneming die bewakings-, beveiligings- en receptiediensten verricht. In het arbeidsreglement staat: 'Het is aan de werknemers verboden om op de werkplaats zichtbare tekens te dragen van hun politieke, filosofische of religieuze overtuigingen en/of elk ritueel dat daaruit voortvloeit te manifesteren'. Samira Achbita respecteert deze bedrijfsregel meer dan drie jaar. Dan beslist ze op de werkplaats een hoofddoek te dragen en wordt ze ontslagen.

Delen

Hoofddoekverbod op de werkvloer: 'Misschien moeten we minder snel het woord discriminatie gebruiken?'

Belangrijk is dat het neutraliteitsgebod niet een bepaalde godsdienst viseert. Wel integendeel, het slaat op alle religieuze en levensbeschouwelijke overtuigingen.

De reacties op het advies van Kokott zijn vaak ongenuanceerd. Zo kan men op twitter lezen dat de vrijheid van onderneming met betrekking tot neutrale keuze van kledij uiteraard geen discriminatie is. Zo eenvoudig liggen de zaken nu ook weer niet. Een ondernemer kan een legitieme keuze maken voor neutraliteit, net op dezelfde wijze als hij een legitieme keuze kan maken voor diversiteit. Wat evident niet kan, is kiezen voor een 'corporate identity' die een mensonterende ideologie, bijvoorbeeld het nazisme, uitdraagt.

Op de webstek van Unia kon men vroeger lezen: 'Het argument klanten of collega's kan de werkgever niet inroepen'. Hier is de advocaat-generaal het niet mee eens: 'Het spreekt voor zich dat een onderneming bij haar bedrijfsvoering in zeer belangrijke mate rekening kan en moet houden met de voorkeuren en wensen van haar handelspartners, met name van haar clientèle. Anders zou zij zich niet duurzaam op de markt kunnen handhaven'. Wat wel niet door de beugel kan zijn discriminerende eisen, bijvoorbeeld om alleen door blanke medewerkers te worden bediend.

Legale discriminatie?

Gert Jan Geling van de denktank Liberales waarschuwt voor legale discriminatie van moslima's. Advocaat-generaal Kokott is het hier niet mee eens. Ze wijst erop dat Achbita drie jaar heeft gewerkt bij G4S zonder hoofddoek, volledig geïntegreerd is in het beroepsleven en dan pas het recht een hoofddoek te dragen opeist.

Men kan evengoed omgekeerd redeneren. Stel dat een neutraliteitsgebod niet kan. Zullen ondernemers dan niet aarzelen om een moslima aan te werven?

De advocaat-generaal besluit dat een neutraliteitsgebod kan, mits men het evenredigheidsbeginsel in acht neemt. Men moet rekening houden met meerdere elementen. Een element is de grootte van het religieus teken. Zo oordeelt het Europees Mensenrechtenhof dat een discreet kruisje op het uniform van Britisch airways niet kan verboden worden. Een ander element is de aard van de activiteit en de context ervan: werkzaam zijn in een buitendienst is iets anders dan werkzaam zijn in een binnendienst. Ook de nationale identiteit van de lidstaat dient in rekening gebracht, zo is de laïciteit in Frankrijk verder doorgedrongen dan in andere landen.

Delen

'Dat dit dossier niet op de regeringstafel is gekomen, valt niet te verantwoorden.'

In de zaak voor het Hof van Justitie verdedigt Unia, naar aloude gewoonte, een radicaal standpunt. Er is sprake van directe discriminatie. Dit standpunt van Unia wordt echter overgenomen door de Belgische regering. De FOD Werkgelegenheid argumenteert dat Unia een overheidsinstelling is en dat het 'raar zou overkomen' mocht de Belgische regering een ander standpunt vertolken. Twee opmerkingen hierbij.

Er blijkt dat de administratie zelfstandig heeft gehandeld, zonder overleg met de regering. Dit is verwonderlijk. Het is de eerste zaak hierover die behandeld wordt door het Hof van Justitie. Dit zomaar administratief afhandelen is ondermaats. Advocaat generaal Kokott benadrukt in de eerste zinnen van haar advies het 'maatschappelijk explosief' karakter van de problematiek. Dat dit dossier niet op de regeringstafel is gekomen, valt niet te verantwoorden.

Duidelijkheid over Unia

Er moet ook eens duidelijkheid komen over Unia. Stelt men over deze instelling parlementaire vragen, dan krijgt men steevast als antwoord dat het een onafhankelijke instelling is. Voor het Hof van Justitie is Unia plots 'een overheidsinstelling' en volgt de Belgische ambtenarij klakkeloos de visie van Unia. Unia is in deze dus belangrijker dan de regering, want deze laatste kreeg het dossier niet te zien. De ambtenarij regeert het land.

Ook vrij ondernemerschap is een grondrecht

Jogchum Vrielink, onderzoeker aan de KULeuven, stelt in vraag of het wel aan de privé-sector toekomt om te oordelen of een hoofddoek al dan niet kan. Dit holt de bescherming tegen discriminatie uit. Zoals steeds legt Vrielink eenzijdig de klemtoon op godsdienstvrijheid.

Wat ons betreft is vrij ondernemerschap evenzeer een basiswaarde van onze maatschappij. Ook dit is een grondrecht. Het behoort tot de vrijheid van de ondernemer om de organisatie van de werkzaamheden te bepalen. Hij bepaalt ook de wijze waarop producten en diensten aangeboden worden. Kiest een ondernemer voor neutraliteit van zijn onderneming, dan is dit een legitieme keuze.

Het valt op hoe snel men spreekt van discriminatie wanneer het gaat over religieuze symbolen. De vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld wordt anders bekeken. Niemand zal spreken van discriminatie wanneer een werkgever zijn werknemers verbiedt te komen werken met een T-shirt van een politieke partij. Wie in punk of gothic kleding gaat solliciteren, weet ook dat dit niet de meest geschikte kledij is om te worden aangeworven. Misschien moeten burgers ook eens de consequenties van hun eigen vrije keuze aanvaarden en niet al te snel het woord discriminatie in de mond nemen?

Onze partners