Jan De Meulemeester
Jan De Meulemeester
Politiek journalist bij VTM
Opinie

26/10/13 om 08:14 - Bijgewerkt om 10:58

Het luie parlementslid

Niet alleen scholieren en leerkrachten hebben vakantie, ook de parlementsleden trekken de deur achter zich dicht en dit nadat ze amper een week geleden na drie maanden vakantie de start hebben gegeven aan het nieuwe politieke jaar. Werken onze politici hard genoeg voor hun geld?

Het luie parlementsldis een kwalijke karikatuur die regelmatig opdoemt. Als er alweer parlementaire vakantie is, zoals nu. Of wanneer de groene zitbankjes in de Kamer leeglopen, eens de perslui het halfrond hebben verlaten. Het is een hardnekkig stereotype en daarmee een overdreven voorstelling van de zaken. Maar het verzinnebeeldt wel een werkelijk imagoprobleem van onze eerste macht, de wetgevende macht.

Een mopje van Herman De Croo: "kent u het verschil tussen een gewoon lid van de meerderheid en van één uit de oppositie? Ze hebben allebei niets te zeggen, maar het oppositielid doet dat hardop." Dit 'decrooïsme' van het al sinds 1968 ononderbroken verkozen parlementslid illustreert met verrassende wending een pijnlijke waarheid: dat het parlement minder macht heeft dan het zou willen hebben. De wetgevende kamers hebben dat helaas voor een stuk aan zichzelf te danken.

est le PS?

Vorige week woensdagnamiddag, 16 oktober. De ploeg van Elio Di Rupo verdedigt in de Kamer haar beleidsverklaring. De kantooruren zijn verstreken, de cameraploegen zijn vertrokken naar hun montagecel op de redactie. Vanuit de perstribune verbazen een jonge Knack-journalist in ikzelf ons over de wederom plotse, massale afwezigheid van de parlementsleden van de Parti Socialiste. Slechts drie van de 26 fractieleden zijn op post.

Met onze smartphone fotograferen en twitteren we het beeld van dit democratisch vacuüm, met als begeleidende vraag "Où est le PS?", zoals we dat al vaker deden. Een staatssecretaris merkt de tweet op en zegt ons, even later in de wandelgangen, hoezeer hij het betreurt dat op zo'n belangrijk moment de socialistische fellow travellers van de premier zélf er de brui aan geven.

Imagoprobleem

Het beeld van de lege parlementszetels, in het bijzonder die van de meerderheidspartijen, genereert een feitelijk imagoprobleem. Daar kan je niet om heen als parlementslid. Het mag dan de schuld heten te zijn van "de media", die dat wel eens expliciet in beeld durven brengen, en je mag er terecht op hameren dat wetgevend werk veel meer is dan louter die plenaire zittingen: helaas, door het wekelijkse aloude Forum te verwaarlozen, valt antipolitiek ressentiment op vruchtbare bodem.

Ik ondervind dat als journalist, in mijn mailbox. En dan voel ik me geroepen de desbetreffende parlementsleden te verdedigen. Terwijl dat mijn taak niet is. Er leeft een indruk, het beeld van het 'luie parlementslid' - hetgeen in de meeste gevallen een verkeerde indruk is. Dat is spijtig. En vooral dan voor de vele, wél hardwerkende, gedreven volksvertegenwoordigers.

Maar zo is er ook het eigenaardig vakantieregime van de plenaire zittingen. Nauwelijks is het parlement uit haar drie maanden durend zomerreces of deze laatste oktoberweek begint ze alweer aan een herfstvakantie. Net zoals ze ook alle andere schoolvakanties inboekt. Sommige parlementsleden lijken daardoor meer vakantie te hebben dan hun schoolgaande kinderen.

Explosie van wetten

Koen Geens zou die schijnbare malversaties in de parlementaire werking contra-intuïtief noemen: ze botsen met onze vooronderstelling over hoe een goedbetaalde baan wordt ingevuld. Daar zit evenwel een denkfout in: een parlementslid heeft geen gewone job. Het is zelfs geen job. Het is een mandaat. Dat mandaat bestaat voor velen naast een reguliere baan. Anderen zijn ook - of vooral - lokaal bijzonder actief, eerder dan in de Brusselse arena. We moeten andere maatstaven hanteren.

Er is qua maatstaven echter een schijnbare paradox. Want op papier lijkt het parlement nooit harder gewerkt te hebben dan tegenwoordig. Vergeleken met vorige decennia is er een explosie aan wetsvoorstellen. Tijdens de amper twee jaar durende legislatuur van Di Rupo telt de Kamer reeds 3082 wetsvoorstellen en -ontwerpen. Rond de jaren negentig waren dat er veel minder: 1810 tijdens heel de vier eerste jaren van Jean-Luc Dehaene. Onder de paarse regeringen begint het wetgevend werk aan te zwellen, om in 2007 de kaap van de 3000 te nemen. Als het politiek apparaat op dit tempo blijft produceren, dan turven we na januari af op een verdubbeling ten opzichte van 20 jaar geleden. Terwijl ondertussen de staat verder werd hervormd en bevoegdheden naar lagere overheden verhuisden: je zou verwachten dat er federaal minder initiatieven zijn. Neen zo, het federale wetten-fabriekje draait onvermoeibaar.

Maar die duizenden wetgevende initiatieven betekenen nog niet dat het parlement harder zou werken dan voorheen. In relatieve zin behoeven er meer wetten te zijn, omdat de samenleving steeds technischer en complexer wordt. Het gaat daardoor soms over bescheiden correcties, een finetuning richting moderniteit. Nog vaker fungeren deze wetsvoorstellen als een soort pamflet, een bewijs dat het menens is met de verschillende punten in de verkiezingsprogramma's van de partijen, zonder dat ze ooit echt in een wet worden omgezet. En in absolute termen zijn vele wetsvoorstellen verkapte wetsontwerpen: ze komen eigenlijk van de regering. Het gros van het werk valt op rekening van de uitvoerende macht te schrijven.

De functie maakt de man/vrouw niet

De ijver van parlementsleden wordt vaak gemeten aan de hand die vele vragen en interpellaties. Als zij in de rapporten daarover hoog scoren, krijgen ze mooie punten als politicus. Maar die indicator negeert het buitenparlementaire werk van volksvertegenwoordigers. Zo werd Groen-politica Freya Piryns streng gebuisd op basis van haar productiviteit in wat zijzelf wel eens "het sterfhuis" noemt, zijnde de Senaat. Maar die quotering negeerde dat ze in dezelfde beoordeelde tijdspanne lokaal bijzonder rendeerde: zij had in Antwerpen zo maar eventjes de vermaledijde Lange Wapper begraven, hetgeen een toch wel niet zo evidente aangelegenheid was - ze zijn er in 't Stad nog steeds niet van bekomen.

De functie maakt in deze dus niet de man, maar omgekeerd: de man of de vrouw maakt de functie. Men kan het mandaat enigszins vrij, en naar godsvrucht en vermogen invullen. Pol Van Den Driessche belandde in 2007 als van nature energiek man helaas in de wat tamme Senaat, voor toen nog de CD&V. Maar hij zei daarover voluntaristisch: "je moet die functie buiten de Senaat waarmaken." De opeenvolgende burgemeesters van Antwerpen, Patrick Janssens en nu Bart De Wever, zijn zeer inactief in hun Vlaams Parlement. Maar Janssens zei daarover dat hij via een zitje in Brussel de belangen van 'zijn' stad beter kon behartigen, rechtstreeks in de cenakels van de Wetstraat. Met ander woorden, de ministers direct aanspreken, tot in de koffiekamer. Siegfried Bracke toert door Vlaanderen met zijn Café bij Bracke en Vrienden. Die inspanning staat niet genoteerd in de ambtelijke notulen van zijn parlementaire bezigheden. Terwijl dergelijke grassroots-campagne van grotere politieke relevantie kan zijn dan een zoveelste uit-de-media-gekopieerde interpellatie.

Diziplin muss sein

Walter Zinzen haalt in zijn pamflet Mens Erger Je uit naar de kwalijke aard van de particratie: dat onze parlementen een verlamde stemmachine geworden zijn, ten gevolge van een latente "putsch" der partijvoorzitters. Hij schetst een diep intriest beeld van de huidige Belgische kamers en lonkt naar het Amerikaanse Congres en de Nederlandse Eerste Kamer, als deugdelijke voorbeelden van hoe het wel zou moeten zijn. Noot: hij verwijst daarbij trouwens ook, tot mijn verbazing, nostalgisch naar de jaren van Verhofstadt en Dehaene, en zegt daarover: "hun naam zij geprezen", omdat die meer democratisch zouden geweest zijn...

De macht zit inderdaad bij iets wat in de grondwet niet bestaat: de partijen. Maar dat zijn dezelfde vehikels waaraan sommige volksvertegenwoordigers in grote mate hun mobilisatie en verkiezing te danken hebben. En in vele gevallen bieden partijen net wél kansen om mensen te doen schitteren. SP.a-ster (en ondertussen -stér) Meryame Kitir belandde in 2007 als 27-jarige zonder enige politieke ervaring in de Kamer. Goed omringd door de knowhow van de Grasmarkt doorliep ze een langzaam en verstandig traject richting de volwaardige rol die ze nu speelt. In de door sommigen verkondigde directe super-democratie van lotelingen zou er geen omkadering geweest zijn en had Kitir misschien onherroepelijke fouten gemaakt.

Diezelfde partijen zijn hic et nunc bezig met de lijstvorming. Het doel is: de partij de verkiezingen laten winnen. En dat streven overstijgt de individuele carrièreplanning van parlementsleden. Check maar eens ter lering ende vermaak het profiel van élke verkozene van de CD&V, in elk parlement. Voor wie er aan zou twijfelen, en ook al klinkt het sommigen in de oren als een understatement: ja, de CD&V is nog steeds een standenpartij. Het is ronduit indrukwekkend hoe daar subtiele evenwichten weerspiegeld worden in de volksvertegenwoordiging. Van alle partijen lijkt me de christen-democratische lijstvorming de meest ingenieuze. Ze hoeven zich daar niet voor te schamen, het is ook geen geheim. Maar tot spijt van wie het benijdt, op dat moment fungeer je als kandidaat-parlementslid in een ruimer plaatje, en is je politieke lot ten dele het resultaat van de hogere wiskunde, bedreven in de oranje kantoren van de Wetstraat 89.

Het kabinet beslist

Wat in de grondwet ook niet bestaat zijn de kabinetten. Bevoorrecht getuige Steven Vanackere schrijft in zijn boek De Eerste Steen daarover veelzeggend: "door de duizelingwekkende technocratisering van het beleid is er een kenniskloof tussen volksvertegenwoordiging en de ministeriële kabinetten." Onder kabinetsleden en parlementsleden bestaat daardoor inderdaad een soort ongezellige rivaliteit, zoals professor Carl Devos dat al treffend beschrijft in zijn De Kleermakers en de Keizer, basiscursus politicologie. Waarbij die parlementsleden vaak de duimen moeten leggen.

Want kabinetsleden zijn de 'braintrust' van de minister, zij zijn een praetoriaanse garde van specialisten, experts en vertrouwelingen. Meer dan parlementsleden hebben zij toegang tot de nodige informatie, de betrokken administraties en de cruciale partners in de samenleving. En bovendien gebeurt dat niet gehinderd door nieuwsgierige media - misschien soms helaas. Dat genereert wel eens ergernis in onmacht, bij verkozen mandatarissen.

Droefheid?

De particratie, de traagheid van hun parlement, de macht van kabinetten, de anonimiteit,..: dat alles gaat in de blender der teleurstellingen van sommige parlementsleden; een bittere cocktail. Off the record klagen die teleurgestelden over hun uiterst beperkte politieke slagkracht, terwijl ze thuis en in hun stad of dorp nochtans als 'notabel' geacht worden. Sommigen zijn nu al actief werkzoekend - de vierjaarlijkse herschikking van mei 2014 komt er immers aan.

Ex-senator Rik Torfs wond er geen doekjes om. De checks and balances werkt volgens hem niet, want "partijen zijn gesloten machtsbastions (...). Hoeveel stemmen je ook haalt, daar geraak je niet in." Tel daarbij de steeds korter wordende duur van de parlementaire carrières - nu slechts gemiddeld zeven jaar - en het blijkt nog een onzeker bestaan ook. Te weinig tijd om de spreekwoordelijke steen in de politieke rivier te verleggen.

Optimisme

Maar soyons optimistes. De wijze Luc Van der Kelen rondt zijn boek over Een leven in de Wetstraat af met een opdracht voor jongmensen: "de nieuwe generatie krijgt een land in handen. Aan hen om vooruit te kijken en het essentiële te vrijwaren. Het is niet omdat de democratie even wat moet uithijgen, dat we de fundamentals moeten weggooien.'' De oude krokodillen zijn stilaan weg, en degenen die er nog zijn, zijn niet langer gevaarlijk. En met hen ook hun oude vormen en gedachten.

Individuele parlementsleden maken wel degelijk het verschil. Er is onder hen louter een grote diversiteit in rendement. De 22 leden tellende fractie van de Open VLD in het Vlaams parlement werd jarenlang door collega's én zichzelf betreurd omwille van haar schrale output. Maar nu een Bart Tommelein er zetelt als fractieleider, blijkt er plots een nieuwe, meer vinnige dynamiek. Of hoe één man het verschil maakt. In het federale parlement zijn de weinige Groen-parlementsleden van een zeer groot soortelijk gewicht en genieten ze het respect vandien. Tijdens het interregnum na 2010 bereikte het verzamelde parlement autonoom een akkoord over een nieuwe asiel- en migratiewet. En het stuurde zelfs F16's naar Libië. Daar bestaat een woord voor: macht!

Het wapen van het parlementslid is het woord

Nog een suggestie, uit de journalistieke praktijk, van een nog wat gezond naïeve jongmens die geïnteresseerd alle plenaires volgt: er mag in het halfrond misschien wat meer aandacht zijn voor de elegante regels van de retorica. Wie kiest voor politiek, ambieert een leider te zijn. Goede leiders richten zich bij voorkeur in een heldere taal tot hun bevolking.

Het niveau van welsprekendheid op de tribune is soms niet zo hoog. En ikzelf hoef me daar niet over uit te spreken: Vlaams parlementsvoorzitter Jan Peumans klaagt hier sinds jaar en dag over. Soms ook aanhoort het publiek een betoog dat een letterlijke copy-paste is uit het kranten- of televisienieuws. Het parlement beroept zich dan overmatig op de vierde macht; op ons journalisten, de Kleine Luyden. Terwijl het in de beste der werelden misschien net omgekeerd zou moeten zijn.

Afrondend nog een mopje van Herman De Croo: ''als de kiezer dat wil, blijf ik Kamerlid tot aan mijn dood. Daarna verhuis ik naar de Senaat.'' Bijzonder grappig, die ongevaarlijke krokodil, zeer tevreden zetelend in zijn parlement.

Onze partners