Opinie

Jean Hindriks

‘Pensioenhervorming: tijd voor een harmonisatie van het einde van de loopbaan’

Jean Hindriks Prof. Jean Hindriks (UCL) is lid van de Academische Pensioenraad & senior fellow bij Itinera

‘Het belangrijkste probleem van de pensioenhervorming ligt in de hervorming van de eindeloopbaanstelsels’, schrijft Jean Hindriks van Itinera. ‘Het zal politieke moed vergen om dit aan te pakken.’ Lees hier alle andere bijdragen van onze zomerreeks De doordenkers van Knack.be: Waarheen met ons geld?

Recent ging alle aandacht naar de maatregelen omtrent het minimumpensioen, maar de regering wil ook een deeltijds pensioen invoeren. Dit zou met name beschikbaar zijn voor diegenen die momenteel geen toegang hebben tot eindeloopbaanregelingen zoals zelfstandigen, bepaalde ambtenaren (in Vlaanderen) en werknemers met onvoldoende lange loopbaan.

In overleg met de werkgever zou een werknemer die in het jaar voorafgaand aan zijn aanvraag een voldoende deel van een voltijdse baan heeft, vanaf de leeftijd waarop hij toegang heeft tot het vervroegd pensioen reeds de helft van het pensioen krijgen waarop hij recht heeft. In ruil daarvoor moet de werknemer zijn beroepsactiviteit terugbrengen tot maximaal de helft van een voltijdse job. Tijdens zijn deeltijdse beroepsactiviteit zou de werknemer pensioenrechten blijven opbouwen voor zijn halftijdse loopbaan tot de datum van zijn volledige pensioen. Dit is een opmerkelijk verschil met het eindeloopbaantijdskrediet dat volledig wordt gelijkgesteld met een beroepsactiviteit bij de berekening van de loopbaan.

Het idee om een nieuw plan voor deeltijds pensioen te leggen op bestaande eindeloopbaanplannen is een halve oplossing die problemen in het kwadraat zal veroorzaken. Deze verschillende regelingen bieden immers zeer verschillende stimulansen, waarbij gelijke behandeling de invoering van een identieke en universele eindeloopbaanregeling voor alle deelnemers zou vereisen. De bevolking vraagt om harmonisatie en vereenvoudiging.

Laten we het tijdkredietsysteem voor werknemers op het einde van de loopbaan vergelijken met dit voorstel voor een deeltijds pensioen. Wij baseren ons op een simulatie die in 2019 op verzoek van het kabinet van de minister van pensioenen is uitgevoerd. Nemen we het geval van een aangeslotene met een maandsalaris van 4.500 euro en een maandelijkse vervroegd pensioen op 63-jarige leeftijd van 3.150 euro.

  • In het geval van een halftijds tijdskrediet ontvangt dit lid de helft van zijn maandsalaris (2.250 euro) en een maandelijkse toelage van de RVA van 425 euro, voor een totaalbedrag van 2.675 euro tot zijn volledige pensioen op 65-jarige leeftijd.
  • In het geval van een halftijds pensioen tussen 63 en 65 jaar krijgt deze aangesloten de helft van zijn maandsalaris (2.250 euro) en de helft van zijn vervroegd pensioen (1.575 euro), voor een totaalbedrag van 3.825 euro (tegen 2.675 euro in het geval van het tijdskrediet). Het deeltijdpensioen verhoogt dus het maandinkomen tussen de 63 en 65 jaar met 1.150 euro ten opzichte van het tijdskrediet. Dit komt overeen met een jaarlijks verschil van 13.800 euro over twee jaar.

Daar staat tegenover dat het pensioen op 65-jarige leeftijd hoger zal zijn bij een tijdskrediet omdat de deelnemer tussen de 63 en 65 jaar aan pensioenrechten opbouwt om op 65-jarige leeftijd een pensioen van 3.300 euro te verkrijgen. De aangeslotene met een deeltijds pensioen bouwt tussen zijn 63e en 65e jaar halftijdse pensioenrechten op om op 65-jarige leeftijd een pensioen van € 3.225 te verkrijgen. Dit komt overeen met een jaarlijks verschil van 900 euro. Het halftijds pensioen vertaalt zich dus in een jaarlijkse salariswinst van 13.800 euro tussen de 63 en 65 jaar tegen een verlies van 900 euro na de leeftijd van 65 jaar. Vanuit het oogpunt van de begroting van de overheid verdient de formule van het deeltijds pensioen de voorkeur boven het tijdskrediet omdat de werknemer de deeltijdse inactiviteit financiert en er minder pensioen moet uitbetaald.

Deze simulatie illustreert het probleem van de invoering van een dergelijk deeltijds pensioen in combinatie met het behoud van bestaande eindeloopbaanregelingen. Deelnemers gaan vroeger op pensioen om het risico te vermijden dat hun pensioen later wordt verlaagd. 

Een oplossing die in 2015 werd voorgesteld in een aanvullend rapport van de commissie voor pensioenhervorming 2020-2040 (waarvan ondergetekende lid was) is het invoeren van een actuariële correctie (op basis van de werkelijke loopbaanduur) om dit te voorkomen.

Concreet gaat het om per jaar vervroegd pensioen een correctie aan te brengen ten opzichte van de verwachte loopbaanduur, wat concreet de extra budgettaire kost van het vooraf betalen van een pensioen neutraliseert. De kwestie van de actuariële correctie komt in feite weinig aan bod in de discussies rond de pensioenhervorming.

De uitdaging van het einde van de loopbaan is vaak slecht begrepen. Toch bestaat de echte uitdaging erin om de stijgende kosten van de pensioenen (57 miljard in 2022) te financieren door de werkzaamheidsgraad te verhogen tot 80%. Dit impliceert onvermijdelijk een toename van de werkgelegenheid tussen de 55 en 65 jaar. 

Ons pensioenstelsel is gebaseerd op de band tussen de lengte van de loopbaan en de hoogte van het pensioen. De duur van de referentieloopbaan is formeel 45 jaar om gemiddeld 22 jaar pensioen te financieren: een verhouding van 2 jaar gewerkt voor één jaar pensioen. De werkelijkheid is heel anders en we zitten dichter bij een verhouding van 1 jaar gewerkt voor een pensioenjaar.

Uit een recent rapport van het Planbureau (2022) blijkt inderdaad dat werknemers die onlangs met pensioen zijn gegaan gemiddeld een verkorte loopbaan hadden van 28 jaar voor mannen en 24 jaar voor vrouwen. De gecomprimeerde carrière is het totaal van gewerkte of geassimileerde dagen over de hele carrière gedeeld door 312 dagen. Zo komen we op 20 jaar gewerkt en 8 jaar geassimileerd voor mannen tegen 14 jaar gewerkt en 10 jaar geassimileerd voor vrouwen. Het is duidelijk dat het belangrijkste probleem van de pensioenhervorming ligt in de hervorming van de eindeloopbaanstelsels en het zal politieke moed vergen om dit aan te pakken.

Het grootste deel van de “gelijkstellingen” (jaren van de loopbraan die niet gewerkt zijn maar recht geven op pensioen) is inderdaad geconcentreerd op het einde van de loopbaan.  Van de cohorten die in de afgelopen 15 jaar met pensioen zijn gegaan, is 75% van de mannen en 80% van de vrouwen niet langer werkzaam wanneer ze met pensioen gaan. Het overgrote deel doorloopt daarom deze eindeloopbaanregelingen om de arbeidsmarkt te verlaten een heel stuk voor de pensioenleeftijd.

Dit beleid werd in het verleden gerechtvaardigd door de massale aanwezigheid van babyboomers op de arbeidsmarkt. Het is nu echter een bron van tekort in alle beroepen met de massale pensionering van de cohorte babyboomers. De afgelopen jaren overtrof het aantal pensioneringen de instroom naar de arbeidsmarkt. Dit demografische onevenwicht is structureel en zal de komende 20 jaar voortduren.

Het is daarom van cruciaal belang om deze demografische schok weg af te vlakken door een coherente en uniforme progressieve pensioenregeling in te voeren (met adequate actuariële correctie) die de complexiteit van de bestaande eindeloopbaanregelingen zou vervangen. Deze regelingen zijn onverenigbaar met de gestelde doelstelling van een arbeidsparticipatie van 80%. Deze specifieke regelingen leiden ook tot ongerechtvaardigde en onrechtvaarbare ongelijkheden in behandeling.

Prof. Dr. Jean Hindriks is voorzitter van de Economics School of Louvain, Fellow van denktank Itinera en lid van de Academische Pensioenraad.

Partner Content