Francine Mestrum

‘Ongelijkheid neemt toe, maar er is geen eensgezindheid over hoe het probleem aangepakt moet worden’

Francine Mestrum Sociaal wetenschapper

‘Zestig jaar geleden was het ‘de kloof’, dertig jaar geleden ‘armoede’’, schrijft Francine Mestrum. ‘En nu staat ‘ongelijkheid’ bovenaan de internationale ontwikkelingsagenda. Maar hoe?’ Ze houdt het ongelijkheidsdiscours van de internationale instellingen van de afgelopen decennia tegen het licht.

Het lijkt een lang verhaal en het is opvallend hoe sommige internationale instellingen wel en andere niet van beleid zijn veranderd sinds 1960.

Na de dekolonisering dachten ontwikkelingseconomen dat de ‘kloof’ tussen de ‘onderontwikkelde landen’ en de ‘geïndustrialiseerde landen’ te wijten was aan een ‘achterstand’ die kon ingehaald worden met een aangepast economisch en sociaal ontwikkelingsbeleid. Dat is niet gelukt. De grote ongelijkheid tussen de verschillende landen werd groter en groter. Waren er in 1971 nog 25 landen met een bijzonder laag nationaal inkomen en niveau van menselijke ontwikkeling, in 1991 waren het er 52. Over armoede werd in die tijd niet gesproken.

In de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) werden in 1974 teksten aangenomen over de wederzijdse rechten en plichten van landen en over een nieuwe internationale economische orde. Maar nog bleef de kloof groeien. De roep om mondiale herverdeling werd alsmaar luider.

In een eerste rapport voor de Wereldbank werd gesteld dat het niet de bedoeling kon zijn alle ongelijkheden weg te werken, wel moesten de onrechtvaardigheden weg. In een tweede rapport enkele jaren later werd gepleit voor een herverdeling met groei, of met andere woorden voor een betere inkomensverdeling, maar dan wel zonder de groei in gevaar te brengen. Dit kan alleen, zo werd gesteld, als het niet de resultaten van de groei zijn die worden herverdeeld, maar de groei zelf, of met andere woorden, het zijn de inkomens van de armste groepen die moeten groeien. En dat kan, niet zozeer met transfers van belastingopbrengsten, maar met overheidsinvesteringen, doelgerichte hulp (‘targeting’), groei en geboorteplanning. Of nog met andere woorden, groei stond centraal en was nodig om vooral niet te moeten herverdelen. Het is de productiviteit van arme mensen die moest worden opgetrokken.

Maar hiermee was de klemtoon ook meteen verlegd van de ongelijkheid tussen landen naar een ongelijkheid binnen de landen. En vandaar ging het logischerwijs naar armoedebestrijding.

In 1990 kwam armoede dan ook op de internationale agenda. Na het eerste enthousiasme bleek echter dat de armoedebestrijding van de Wereldbank geen jota veranderde aan het beleid van ‘structurele aanpassingen’, ook de ‘Washington Consensus’ genoemd. Meer nog, dit neoliberale beleid werd met een bijhorende armoedebestrijding gelegitimeerd. Het een kon niet zonder het ander.

Dat is de reden waarom meer en meer VN-instellingen opnieuw naar de ongelijkheid gingen kijken en hun ontwikkelingsagenda weer naar voren schoven. ‘The Inequality Predicament, ‘Re-thinking Poverty, Inequality Matters en Combating Poverty and Inequality’: het zijn slechts enkele titels van rapporten waarin begin van de 21ste eeuw kritiek wordt gegeven op de ‘Washington Consensus’ en wordt gepleit voor een bredere visie op ontwikkeling. Armoedebestrijding is er enkel voor arme mensen en laat de maatschappelijke verhoudingen intact. Met een ontwikkelingsagenda kan je kijken naar zowel de economie, de sociale verhoudingen én de politieke instellingen.

In al die rapporten worden de verschillende dimensies van ongelijkheid belicht, van inkomen en vermogen tot ongelijkheid van kansen. De opkomende mondialisering droeg er toe bij dat meer en meer onderzoek werd verricht naar het verband met de groeiende ongelijkheid.

In die verschuiving van klemtoon volgde de Wereldbank niet echt. Ook al kwam haar studiedienst tot het besluit dat de groei ook belemmerd werd door een te grote ongelijkheid en dat de armoedebestrijding zelf er mee in gevaar kwam, toch bleef de Bank vasthouden aan het oude dogma van meer productiviteit en meer groei voor de armen. De Wereldbank kent uiteraard de oplossingen van progressieve belastingen en herverdelingsmechanismen, maar voortdurend waarschuwt ze dat toch vooral de groei niet mag worden beperkt.

Dat is de paradoxale situatie vandaag. Diverse organisatie publiceren jaarlijks rapporten waaruit blijkt dat de ongelijkheid nooit eerder gekende proporties aanneemt – denk aan Oxfam – maar een internationale consensus over de bestrijding ervan bestaat niet. De VN heeft in haar Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen voorzichtig een punt 10 over de strijd tegen de ongelijkheid opgenomen, de Wereldbank blijft het liever over ongelijkheid van kansen hebben. Aan rijkdom raak je niet! Don’t look up!

Meer en meer blijkt dat het vooral de middenklassen zijn die uit het mondiale beeld verdwijnen. De ongelijkheid is eigenlijk miniem binnen een groep tot 80 % van de wereldbevolking. Daarboven neemt ze sterk toe en de grootste ongelijkheid zit binnen de groep van 1 % of zelfs de 0,1 %. We leven in een gedualiseerde wereld met een erg grote groep arme mensen en een kleine stinkrijke elite.

Kan het dan verbazen dat we er niet in slagen de vrede te bewaren, de klimaatverandering tegen te gaan en iedereen het recht op een waardig leven te waarborgen? Wat houdt ons tegen om hard te werken voor een rechtvaardiger wereld?

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen, o.a. gespecialiseerd in de ontwikkelingsproblematiek en solidariteit. Voor een gedetailleerde analyse van het ongelijkheidsdiscours van de internationale instellingen: Ongelijkheid mondiaal bekeken. Don’t Look Up! – De Wereld is van Ons

Partner Content